1906. Idem door de "Brak" (Gouvernements-Marine) met hetzelfde
resultaat, n.l. niet boven Havikeiland.
1909. Door den Commandant van Hr. Ms. "Edi", den Luitenant ter zee
Rambonnet, werd met het communicatie vaartuig "Pionier" in Juni-Juli
de Mamberamo opgevaren, de versnelling bij Havikeiland zonder bezwaar
genomen en bereikt een punt op korten afstand beneden de door hem aldus
gedoopte "Marine vallen"; met een prauw verder gegaan door de Marine
versnellingen heen en gekomen tot bij de eveneens door hem gedoopte
"Edivallen." Bij de terugvaart afgevaren per prauw de Aiberam of Weir,
linker delta arm van den Mamberamo.
Uit de rapporten van de vier genoemde opvaarten halen wij nog aan:
"Havik", Juli 1884: "Gedurende de terugreis hebben wij geen
malaria-ziekte gehad. Na terugkeer te Ternate echter kregen allen,
die de reis mede hadden gemaakt,--ik meen met uitzondering van 2
personen en er waren in 't geheel 38 personen aan boord,--in meer of
minder mate een aanval van malaria, echter niet in zoo hevige mate
als bij de twee latere reizen het geval schijnt te zijn geweest."
"Camphuys", Januari 1900: "Deze reis was voor de opvarenden vrij
noodlottig. Kapitein de Grooth (gezagvoerder) kreeg malaria en
beri-beri, evenals de meeste inlandsche opvarenden en ook stuurlieden
en machinisten moesten allen worden vervangen, terwijl het schip
zelf geheel moest worden gedesinfecteerd en enkele van de Europeesche
opvarenden, waaronder Kapitein de Grooth, voor herstel van gezondheid
naar Europa moesten."
Brak, Juni 1906: "Gedurende de geheele reis en een week daarna werd
aan de equipage elken dag een halve gram kinine gegeven, terwijl
tevens tegen beri-beri kadjang idjoe werd verstrekt. Toch kregen wij
na 14 dagen (men heeft mij verteld het z.g. incubatie tijdperk van
malaria) zooveel koortslijders aan boord, dat van de 27 man equipage
er slechts 13 geschikt bleken om den dienst waar te nemen. Slechts
het machinekamerpersoneel bleef gespaard en ik schrijf het toe aan de
hooge temperatuur in de machinekamer, dat zij er zoo goed afkwamen. De
koorts begint gewoonlijk de eerste week met zware hoofdpijnen, hooge
temperatuur (39°-40°) en absoluut gebrek aan eetlust. Na een week
neemt de temperatuur af tot om en bij 38° en deze toestand blijft
zoo tot een 14 dagen daarna."
Pionier, Juni/Juli 1908: "Door den Commandant van Hr. Ms. 'Edi' werd
meegedeeld, dat, dank zij de door den officier van gezondheid genomen
maatregelen (kinine en kadjang idjoe), deze tocht voor de gezondheid
van slechts 3 schepelingen schadelijke gevolgen heeft gehad. Deze
drie kregen malaria; twee hunner waren na een paar dagen hersteld."
1910. Poging van Kapitein A. Franssen Herderschee om het sneeuwgebergte
vanaf de Noordkust te bereiken. Na de Edivallen te zijn gepasseerd,
wachtte hem 40 K.M. verder een groote verrassing: de heuvels verdwenen,
de rivier verbreedde zich en zoover het oog reikte, strekte zich
naar het Oosten, Zuiden en Westen een zeer groote vlakte uit. Dit
was de z.g. "Meervlakte". Hierna liep de rivier over 25 K.M. recht
Zuid en bleek alsdan ontstaan uit de samenvloeiing van twee takken:
één komend uit het Westen, één uit het Oosten. Den eerste volgend,
bereikte Franssen Herderschee in 10 dagen roeiens den voet van het
gebergte; doch nauw tot den landtocht overgegaan, brak onder zijn
troep beri-beri in zoodanige mate uit, dat er verscheidenen stierven
en de leider met 50% zieken ten spoedigste moest retireeren en de
expeditie opgeven. Men was toen nog ruim 70 K.M. hemelsbreed benoorden
de Carstenztoppen. De Oostelijke tak, Idenburgrivier gedoopt, werd
45 K.M. opgevaren. Natte moesson.
1910-1911. De Duitsche doktor Max Moszkowski maakte van den weg
van Franssen Herderschee gebruik om eveneens het Sneeuwgebergte te
bereiken; gebrek aan vivres dwong de kleine expeditie, die in slechts
één prauw voer, tot terugtocht. Moszkowski was zeer tevreden over den
gezondheidstoestand, dank zij de toegepaste prophylaxe van kinine,
zilvervliesrijst en kadjang idjoe.
1911. De bij de expeditie Franssen Herderschee in 1910 slechts 45
K.M. opgevaren Idenburgrivier werd over bijna 400 K.M. verkend door
den Luitenant ter zee 1e klasse De Wal. Onbegaanbare kloven met woeste
versnellingen aan het eindpunt op 139° 54' OL. noopten hem tot den
terugtocht. Deze reis door de Meervlakte geschiedde in de maanden
Juni-Augustus; er kwamen slechts enkele koortsgevallen voor.