1913-1915.
door J. W. Langeler en L. A. C. M. Doorman.
Inleiding.
Nieuw-Guinee, een der grootste eilanden van onzen aardbol, 24 × zoo
groot als ons vaderland, werd ontdekt in 1545 door den Spaanschen
reiziger Ynigo Ortiz de Retes. In de oude scheepsjournalen van
Spanjaarden en Portugeezen komt de naam geregeld voor. Het is dan
ook vrij zeker, dat, toen de Hollanders bezit namen van Indië,
het bestaan van Nieuw-Guinee hun niet onbekend was. Spoedig werden
schepen derwaarts gezonden, teneinde te pogen handelsbetrekkingen
aanteknoopen. Deze tochten hadden geen of weinig succes; onze oude
zeevaarders hadden veel te lijden van vijandelijkheden der bevolking en
de scheepsbemanningen werden gedecimeerd door de gevreesde "Papoesche
ziekte." Aangezien er bovendien weinig voordeel te behalen was,
werden deze tochten allengs gestaakt. In de tweede helft der 18e
eeuw is het initiatief tot onderzoekingsreizen geheel in handen van
Franschen en Engelschen en de namen van eenigen onder hen bleven tot
heden aan de geografie van Nieuw-Guinee verbonden als Kaap d'Urville,
Maccluer golf e.d.
In 1828 werd door de Nederlandsche regeering de geheele West-,
ZW.-, en Zuidkust tot 141° OL. verklaard tot haar territoor. Een
bestuurszetel werd gevestigd, Fort du Bus; deze plaats werd in
1836 echter weder verlaten, daar men niet bestand was tegen het
moordend klimaat. Ondanks dit, breidde onze Regeering in 1880 haar
gezag nog verder uit, ditmaal over de geheele Noordkust tot aan de
Humboldtbaai. Wat de Oostelijke helft betreft, in 1885 verdeelden
Duitschland en Engeland deze in ongeveer gelijke deelen.
Bestuursvestiging in ons gebied had wederom plaats in 1898;
toen werd Manokwari (Menukwari) de hoofdplaats van de afdeeling
Noord-Nieuw-Guinee en Fakfak voor de afdeeling West- en
Zuid-Nieuw-Guinee.
Na 1912 was de indeeling als volgt;
Noord Nieuw-Guinee, met bestuurszetel Manokwari, ressorteerend onder
Ternate.
West Nieuw-Guinee, met hoofdplaats Fakfak.
Zuid Nieuw-Guinee, met Merauke; beide laatste afdeelingen ressorteerend
onder de residentie Amboina.
Tot 1903 was hier betrekkelijk nog zeer weinig van land en volk
bekend. In den loop der tijden slechts hadden de zeevaarders de kusten
vrij behoorlijk in kaart gebracht; aan de zendelingen, die sinds 1855
op Nieuw-Guinee hun vestigingen hadden, was het te danken, dat eenige
van de onmiddellijk aan zee grenzende streken met hun bevolking meer
nauwkeurig bekend werden.
Nu kwam in 1903 en volgende jaren een groote
verandering. Wetenschappelijke genootschappen in Nederland
gingen voor in het organiseeren van meer systematisch opgezette
onderzoekingstochten en in 1907 volgde de Regeering met de oprichting
van de "Militaire Exploratie-detachementen voor Nieuw-Guinee."
Van de eerstgenoemde, dus particuliere tochten vermelden wij:
1903. Expeditie Wichmann, exploreerende Humboldtbaai en omgeving.
1904-05. Expeditie tot het betreden der "eeuwige sneeuw", in 1623
door Jan Carstenz het eerst vanaf de Zuidkust gezien. Het doel werd
niet bereikt.
1907. Eerste expeditie Lorentz; bereikte van uit de Noordrivier
(Zuidkust) een hoogte van 2600 M.; bracht belangrijke verzamelingen
mede.
1909-10. Tweede Lorentz expeditie; beklimmen van de helling van den
Wilhelminatop en bereiken der sneeuwgrens op ± 4500 M.
1913. Expeditie Franssen Herderschee; bereikt de kruin van den
Wilhelminatop; zag om de Noord een zwaar bergland van evenwijdige
O.W. loopende ketenen; groote verzamelingen op allerlei gebied.
In 1907 dan werd samengesteld het Militaire Exploratie detachement
voor Zuid Nieuw-Guinee, ter beschikking van het Civiel Bestuur,
met het doel om op stelselmatige wijze het land te karteeren, de
bevolking en de gesteldheid van den bodem te leeren kennen; in 1909
volgde de oprichting van een overeenkomstig detachement voor Noord-,
in 1910 evenzoo voor West Nieuw-Guinee. In 1912 ging de leiding van
de geheele exploratie over in militaire handen en wel directelijk in
die van den Militairen Commandant van Amboina.
De resultaten door deze detachementen verkregen tot in het jaar
1913 waren:
Zuid. Basis Merauke. Verkenning langs de kust; opvaart van alle
rivieren tot den oorsprong, voor zoover uitmondende tusschen
Etnabaai en Bensbach rivier; van deze rivieren is de Digoel (tot ±
700 K.M. opgevaren) de grootste, daarop volgen de Eilanden- en de
Lorentz- of Noordrivier. Eenige doorsteken van den grooten Digoel
naar de Flyrivier. Vaststelling van het feit, dat geheel Nederlandsch
Nieuw-Guinee bezuiden de hoogketens van het Centraal Gebergte één
uitgestrekte, op vele plaatsen moerassige vlakte is; en dat vele van
de geëxploreerde rivieren ver van hun mondingen onderling door armen
(antassan) verbonden zijn; men vermoedt zelfs alle. Doorkruisen van het
vlakke oerwoud van Frederik-Hendrik eiland. Panorama's en vastlegging
van bijna den geheele Zuidrand van het Centrale Gebergte, waaronder
de groote sneeuwtop-complexen: Carstensz, Wilhelmina, Juliana,
(Luitenants ter zee Van der Ven en Chaillet). Beklimming van den
Goliath tot ± 3300 M.
Het detachement werd einde 1913 na beëindiging van zijn
taak overgebracht naar den Mamberamo (Pionierbivak) voor de
binnenland-exploratie benoorden het Sneeuwgebergte.
West. Ingesteld begin 1910, opgeheven na uitgevoerde opdracht begin
1914. Basis Kaimana. Het van alle kanten doorkruisen van den geheelen
"Vogelkop", zooals men het schiereiland noemt links van de lijn
Geelvinckbaai-Etnabaai; vergemakkelijkt door den ingesneden vorm
van het land en de menigvuldige Papoeapaden, die het bereiken van
alle punten mogelijk maakten. Het Zuidelijke schiereiland is niet
boven de 800 M. hoog, behalve bij de Wandammenbaai, waar men tot
1200 M. klimt. In het Noordelijke schiereiland echter rijst de 3000
M. hooge Arfak op met de 1900 M. boven zee liggende Anggimeren. De
grootste rivier van den (Noordelijken) Vogelkop is de recht Noord-Zuid
loopende Kamoendan, die in de Golf van Maccluer uitmondt.
Noord. Aanvang September 1909, ter beschikking van den
Assistent-Resident van Manokwari. Basis Hollandiabivak aan de
Humboldtbaai, na begin 1912 Manokwari. Tevens belast met de voorloopige
maatregelen voor de uitvoering van het Gouvernementsbesluit van Maart
1910: het vaststellen van een natuurlijke grens tusschen Nederlandsch
en Duitsch Nieuw-Guinee. In November 1910 kwam het detachement weder
beschikbaar voor de systematische exploratie der Noordkust.
In de "Grensregelingsperiode": exploratie van het Tamibekken, het
Sentanimeer, het Bewani-gebergte (Mokkofiang) en de Keeromrivier. De
laatste werd gevolgd, in de hoop dat zij, zijrivier van de
Kaiserin-Augustarivier, Zuidwaarts buigend, met deze een geschikte
grensrivier vormen zou; doch zij werd verlaten door den Kapitein
Sachse bij het punt Terminus, toen de loop onveranderlijk westelijk
bleek. Deze detachementscommandant opperde toen het vermoeden, dat de
Keeromrivier de oorsprong van den Mamberamo kon zijn. Belangrijk is
ook van dezen tijd de opvaart der Kaiserin-Augusta rivier door den
Luitenant ter zee Rambonnet en daarna door de Nederlandsch-Duitsche
Grensregelingcommissie in 1910-1911 tot nabij haren oorsprong op ruim
1000 K.M. van de monding.
Na November 1910: exploratie van alle rivieren der Noordkust
en van de delta van den Mamberamo. Exploratie van het Arfak-
(3000 M.), Weijland- (3750 M.), Gauttier- (2000 M.), Bonggo-
(1200 M.) en Cycloopgebergte (2000 M.). Aan den hoogsten top van het
Weijlandgebergte, 3750 M., komen samen de hooge ketens van Weijland-,
Nassau- en Charles-Louis-Gebergte; van dicht hierbij (3250 M.) werden
de Geelvinckbaai en de Indische Oceaan gelijktijdig overzien en kreeg
luitenant ter zee Stroeve zijn peilingen tot in den Afrak, voorwaar
een schitterend resultaat!
Het detachement voegde zich in Maart 1914, na beeindiging der
Noordkust-exploratie, bij het reeds in Pionierbivak gelegerde
"Detachement van den Mamberamo", om deel te nemen aan de exploratie
van het Binnenland.
Er bleef nu nog over de Exploratie van het Binnenland benoorden het
sneeuwgebergte. Hier was de Mamberamo de toegangsweg, Pionierbivak
hoofdbivak. Dat deze exploratie zwaar zou worden in vergelijking
met die van Noord, West of Zuid, bleek hieruit, dat geen Papoeapaden
ten dienste stonden als in West Nieuw-Guinee; dat er één weg was, de
groote Mamberamo, doch door sterken stroom en versnellingen oneindig
veel moeilijker te bevaren dan de vlakte-rivieren der Zuidkust; dat
het land één dun bevolkt oerwoud was, waar men niet te rekenen had
op tuinproducten van de bevolking; en dat de afstanden enorm waren.
Alvorens in de schetsen over die exploratie te schrijven, willen
wij nog kortweg recapituleeren en de geschiedenis van den Mamberamo
aanvullen. Wij noemen dan:
1826. Ontdekking van de monding door Dumont d'Urville.
1884. Eerste opvaart door van Braam Morris, Resident van Ternate,
met de "Havik" tot Havik-eiland.