De kunsten die er in Engeland het best zijn afgekomen, zijn de kunsten

waarin het publiek geen belang stelt. De dichtkunst is een voorbeeld van

wat ik bedoel. Het is mogelijk geweest hier in Engeland uitnemende

dichtkunst te hebben, omdat het publiek geen gedichten leest en

dientengevolge er geen invloed op uitoefent. Het publiek bemint het,

dichters te smaden omdat zij individualisten zijn, maar als dat eenmaal

gelukt is, laat het hen aan hun lot over. Inzake roman en drama, kunsten

waarin het publiek wel belang stelt, is de uitkomst van de gezagsoefening

van het publiek in éen woord belachelijk geweest. Geen land brengt zoo

slecht geschreven belletrie voort, zoo vervelend en geesteloos werk in

romanvorm, zulke kinderachtige laag-bij-den-grondsche tooneelspelen. Het

kan ook niet anders. Het peil van het publiek is van dien aard, dat geen

kunstenaar het bereiken kan. Het is tegelijkertijd te gemakkelijk en te

bezwaarlijk om populair romanschrijver te zijn. Het is te gemakkelijk,

omdat de eischen van het publiek wat aangaat opzet, stijl, zielkundige

behandeling, levensgetrouwheid, literaire waarde binnen het bereik van de

goedkoopste vaardigheid en den meest onontwikkelden geest vallen. Het is

te bezwaarlijk, omdat de kunstenaar, ten einde aan zulke eischen te

beantwoorden, zoû moeten schrijven niet om het kunstgenot van het

schrijven, maar voor het vermaak van half-opgevoede menschen, en daarom

zijn individualiteit zoû moeten onderdrukken, zijn cultuur vergeten, zijn

stijl vernietigen, en alles prijsgeven wat waardevol in hem is. Met het

drama staat het een beetje beter. Het publiek dat naar den schouwburg

gaat, houdt wel is waar van ordinaire kost, maar wil zich niet laten

vervelen, en boert en klucht, de meest beminde genres, zijn bepaalde

kunstvormen. Op dit gebied kan verkwikkelijk werk worden geleverd, en in

dit soort werk laat men den kunstenaar in Engeland zeer groote vrijheid.

Pas in de hoogere vormen van het drama ziet men de slechte uitwerking van

den volksinvloed. Waar het publiek bovenal afkeer van heeft, is het

nieuwe. Iedere poging om het stof-gebied der kunst uit te breiden is het

publiek uiterst onaangenaam; en toch hangt van de voortdurende

uitbreiding daarvan de levensvatbaarheid en vooruitgang der kunst in

ruime mate af. Het publiek wil niet aan het nieuwe omdat zij er bang van

zijn. Het geldt bij hen voor een uitingswijze van individualisme, een

beslaglegging van de zijde van den kunstenaar op het recht zijn eigen

onderwerp te kiezen en dat te behandelen zooals hem goeddunkt. Deze

houding van het publiek is volkomen verklaarbaar. Kunst is individualisme,

en individualisme is een verstorende en ontwrichtende kracht. Daarin ligt

zijn onberekenbare waarde. Want wat het zoekt te verstoren, is de

eentonigheid van den typos, de slaafschheid der gewoonte, de tyrannie van

het gebruik, het nederhalen van den mensch naar het peil van een werktuig.

Op kunstgebied slikt het publiek wat eenmaal geweest is, omdat zij het

niet kunnen veranderen, niet omdat zij het waardeeren. Hun klassieken

zwelgen zij door met huid en haar zonder hen ooit te smaken. Zij dulden

hen als onvermijdelijk, en daar zij hen niet kunnen knauwen, zetten zij

een grooten mond over hen op. Vreemd genoeg, of niet vreemd, naar het

standpunt dat men kiest, sticht dit aannemen der klassieken een hoop

kwaad. De critieklooze bewondering van den Bijbel en van Shakespeare in

Engeland is daar een voorbeeld van. Bij de bijbelbewondering behoef ik

niet stil te staan, omdat kerkelijk gezag daarbij in beschouwing komt.

Maar in het geval Shakespeare ligt het voor de hand, dat het publiek in

werkelijkheid de schoonheden noch de gebreken zijner tooneelspelen ziet.

Als zij de schoonheden zagen, zoûden zij niets tegen de vrije

ontwikkeling van het drama hebben; en als zij de gebreken zagen, zoûden

zij daar evenmin iets tegen hebben. Het feit is dat het publiek de

klassieken in een land gebruikt als middel om den vooruitgang der kunst

te dwarsboomen. Zij verlagen de klassieken tot gezagdragers. Zij

gebruiken hen als ploertendooders om den nieuwen vorm eener vrije

schoonheidsuiting den kop in te slaan. Zij vragen een schrijver altijd

waarom hij niet schrijft als iemand anders, of een schilder waarom hij

niet schildert als iemand anders, en begrijpen niet dat iets dergelijks

doen niet kan samengaan met het wezen van een kunstenaar. Een geheel

nieuwe schoonheidsuiting is iets waar zij volstrekt niet tegen kunnen, en

zoo vaak zij aan den dag komt, raken zij zoo geprikkeld en overstuur, dat

zij altijd twee aartsdomme uitdrukkingen bezigen: het kunstwerk heet dan

òf ergerlijk duister òf ergerlijk onzedelijk. Ik geloof dat zij hier het

volgende mede bedoelen. Als zij zeggen, dat een kunstwerk erg duister is,

bedoelen zij dat de kunstenaar iets schoons geuit of gemaakt heeft, dat

tevens nieuw is; wanneer zij een kunstwerk voor erg onzedelijk uitmaken,

bedoelen zij dat de schoone kunstuiting meteen reëel waar is. De eerste

uitdrukking slaat op den stijl, de tweede op het onderwerp. Maar

waarschijnlijk gebruiken zij de woorden zonder veel begrip, zooals een

volksoploop voor de hand liggende straatsteenen aangrijpt. Zoo is er in

deze eeuw niet éen dichter of prozaschrijver geweest, die den naam

waardig is, of het Britsche publiek heeft hem herhaaldelijk en op

plechtige wijze diploma's van onzedelijkheid uitgereikt, en zulk een

diploma vervangt hier bij ons feitelijk de formeele erkenning der

Académie in Frankrijk, zoodat de instelling van zulk een instituut hier

in Engeland gelukkig geheel overbodig is. Het spreekt van-zelf dat het

publiek in de toepassing van het woord toch geheel onberekenbaar is. Dat

zij Wordsworth een onzedelijk dichter zoûden noemen, was bepaald te

verwachten. Wordsworth was werkelijk dichter. Maar dat zij Charles

Kingsley een onzedelijk romanschrijver hebben genoemd, viel buiten allen

regel. Het proza van Kingsley was niet van zeer goede kwaliteit. Maar zij

hebben het woord nu eenmaal en passen het toe met meer of minder succes.

Een kunstenaar laat zich daardoor natuurlijk niet van de wijs brengen. De

waarachtige kunstenaar is iemand die volstrekt in zich-zelf gelooft,

omdat hij volstrekt zich-zelf is. Toch kan ik mij voorstellen dat, als

een kunstenaar in Engeland een schepping voortbracht, die onmiddellijk

bij haar verschijnen door het publiek, bij monde van zijn medium de pers,

erkend werd voor een geheel verstaanbaar en hoog zedelijk werk, die

kunstenaar zich ernstig zoû gaan afvragen of hij bij het voortbrengen

inderdaad wel zich-zelf geweest was, en of dus het werk hem misschien

niet waardig was, en iets van den tweeden rang of van niet de geringste

kunstwaarde.

Toch heb ik het publiek misschien te kort gedaan toen ik zijn

woordenschat begrensde tot "onzedelijk" en "duister." Zij hebben nog een

ander woord in gebruik, het woord "morbide." Zij wenden het niet vaak aan:

de beteekenis is zoo eenvoudig dat zij bang zijn het te gebruiken. Toch

komt het voor; nu en dan kan men het tegenkomen in populaire bladen. Het

is natuurlijk een belachelijk epitheton om op een kunstwerk toe te passen.

Want behoort niet "morbide" bij een stemming of gevoelsaandoening of

verstandswerking die men niet tot uiting brengen kan? Het geheele publiek

is morbide, omdat het nooit voor eenige zaak uiting kan vinden. De

kunstenaar is het nooit. Hij brengt alles tot uiting. Hij staat achter

zijn onderwerp en brengt daardoor als door een medium onvergelijkelijke

kunstwerkingen teweeg. Een kunstenaar "morbide" te noemen omdat hij onder

andere van morbiditeit zijn onderwerp maakt, is even lichtvaardig als

Shakespeare krankzinnig heeten omdat hij onder andere "Koning Lear"

geschreven heeft.

Per slot wint de kunstenaar in Engeland toch iets bij de aanvallen waar

hij aan bloot staat. Zijn individualiteit verscherpt zich. Hij wordt meer

volledig zich-zelf. Zooals van-zelf spreekt, zijn de aanvallen

buitengewoon grof, onbeschaamd en verachtelijk. Maar welke kunstenaar

verwacht gratie bij den gemeen-platten geest of stijl bij het intellect

onzer voorsteden? Platheid en stompzinnigheid zijn sterksprekende

feitelijkheden in het moderne leven. Men kan haar bestaan natuurlijk

betreuren. Maar zij zijn er eenmaal. Zij zijn onderwerpen van studie zoo

goed als eenig ander ding... Om eerlijk te zijn moet men toegeven dat

onze moderne journalisten iemand steeds in besloten kring verschooning

vragen voor wat zij in 't openbaar tegen hem geschreven hebben.

Het is vermeldenswaard, dat in de allerlaatste jaren twee andere

bijvoegelijke naamwoorden toegevoegd zijn aan den zeer beperkten

woordenschat, dien het publiek bij de hand heeft om de kunst te smaden.

Het éene luidt "ongezond," het tweede "exotisch". Het laatste woord

bedoelt enkel uit te drukken de verwoedheid van den paddestoel van het

oogenblik tegen de onsterfelijke hartvervoerende, uitgelezen liefelijke

orchidee. Het is een hulde, maar een hulde van geen belang. Het woord

"ongezond" echter laat zich in beteekenis ontleden. Het is geen

onbelangwekkend woord. Het is zelfs zoo belangwekkend, dat de menschen

die het gebruiken, niet weten wat het beduidt. Wat zegt men eigenlijk,

wanneer men spreekt van een gezond of een ongezond kunstwerk? Alle

benamingen die men met verstand en rede toepast op een kunstwerk, hebben

betrekking òf op den stijl òf op het behandelde onderwerp òf op beide

tegelijk. Op het punt van stijl is een gezond kunstwerk er een, waarvan

de stijl de schoonheid tot haar recht laat komen van de gebruikte

grondstof, hetzij dit woorden zijn of brons, hetzij verf of ivoor, en die

schoonheid laat bijdragen tot het voortbrengen der aesthetische werking.

Het onderwerp wordt bij een gezond kunstwerk bedongen door het

temperament van den kunstenaar, en komt daar onmiddellijk uit voort.

Kortom, een gezond kunstwerk is de zuivere uitdrukking van des

kunstenaars persoonlijkheid in een volmaakte techniek. Natuurlijk kan men

bij een kunstwerk vorm en inhoud eigenlijk niet scheiden; zij zijn altijd

éen. Maar terwille van een duidelijke ontleding kunnen wij de

ondeelbaarheid van den aesthetischen indruk een oogenblik op zij zetten

en hen in onze voorstelling scheiden. Een ongezond kunstwerk, aan den

anderen kant, is er een waarvan de stijl vlak is, ouderwetsch en

alledaagsch, en waarvan het onderwerp met overleg gekozen is, niet omdat

de kunstenaar er eenig genot in heeft, maar omdat hij denkt dat het

publiek er hem voor betalen zal. Zoo is de populaire roman dien het

publiek gezond noemt, altijd een door en door ongezond product, en wat

het publiek een ongezonden roman noemt, zonder uitzondering een schoon en

gezond kunstwerk. Ik behoef nauwelijks te zeggen dat ik er geen

oogenblik aan denk mij te beklagen over het feit, dat het publiek en de

pers deze woorden verkeerd gebruiken. Ik weet niet hoe zij, met hun

gebrekkig begrip van wat kunst is, hen bij mogelijkheid in hun juiste

waarde zoûden kunnen toepassen. Ik wijs alleen op een misbruik, en voor

den oorsprong van het misbruik en de bedoeling die er achter schuilt, is

de verklaring niet moeilijk te vinden. Het komt enkel voort uit de

barbaarsche opvatting van het begrip gezag. Het is het gevolg van de

natuurlijke ongeschiktheid van een gemeenschap die door gezag verdorven

is, om het individualisme in zijn openbaringen te verstaan of te

waardeeren. Het is, in éen woord, de werking van dat monsterachtige

onwetende ding, dat men de openbare meening noemt, dat slecht optreedt

met goede bedoelingen als het toezicht wil uitoefenen op der menschen

handelingen, maar schandelijk wordt en van de slechtste bedoelingen als

het toezicht gaat oefenen op het gebied der gedachte en der kunst.

Daar valt in den grond veel meer te zeggen voor de physieke kracht van

het publiek, dan voor zijn geestelijke meening. De eerste kan prachtig

zijn. De tweede is uitteraard dwaas. Men heeft vaak beweerd dat kracht

geen bewijs is, doch dit hangt geheel daarvan af, wat men wil bewijzen.

Vele der belangrijkste vraagstukken uit de allerlaatste eeuwen, als het

al of niet voortduren van een persoonlijke regeering in Engeland of van

het feodalisme in Frankrijk, zijn uitsluitend door tusschenkomst van

physieke kracht opgelost. Juist de gewelddadigheid eener revolutie kan

het publiek een oogenblik grandioos en schitterend laten optreden. Het

was een noodlottige dag waarop zij ontdekten dat de pen machtiger was dan

opgebroken plaveisel, en even doodelijk treffen kan als een steenworp.

Dadelijk keken zij rond naar den dagbladschrijver, vonden hem,

ontwikkelden hem, maakten hem tot hun ijverigen, goed betaalden dienaar.

Het is grootelijks te betreuren voor beide partijen. Achter de barricade

kan veel edels en heldhaftigs schuilen. Maar wat schuilt er achter het

hoofdartikel dan vooroordeel, stompzinnigheid, huichelarij en gebazel? En

die vier vereenigd vormen een vreeselijke macht, zij stellen samen het

nieuwe gezag.

Vroeger jaren had men het rad. Nu heeft men de pers. Dat is zeker een

verbetering. Toch blijkt de staat van zaken nog erg slecht en verkeerd en

veronzedelijkend. Iemand, ik geloof dat het Burke was, heeft eens het

journalisme den vierden stand genoemd. Dat was ongetwijfeld waar op dat

tijdstip. Maar op het oogenblik is het in werkelijkheid de eenige stand.

Het heeft de drie andere opgegeten. De wereldlijke Heeren zwijgen, de

geestelijke Heeren hebben niets te zeggen, en de Volksvertegenwoordiging

heeft niets te zeggen en komt er rond voor uit. Wij worden overheerscht

door het journalisme. In Amerika voert de President vier jaar regeering,

maar het journalisme blijft onafgebroken aan. Gelukkig heeft het daar

zijn gezag tot zulk een uiterste van grofheid en bruutheid opgevoerd, dat

het, als een natuurlijk gevolg, een geest van verzet tegen zich in het

leven heeft geroepen. De menschen vermaken zich er meê of ergeren zich,

naar hun uiteenloopend temperament, maar het is niet meer de

onomstootelijke macht die het was: men maakt er niet veel ernst meê. Daar

het journalisme in Engeland, behalve in enkele welbekende gevallen,

nimmer tot zulke uitspattingen gekomen is, is en blijft het een

belangrijke factor, een onontkenbaar merkwaardige macht. De tyrannie die

het zich aanmatigt te oefenen over het bijzondere leven der menschen,

lijkt mij alleszins buitengewoon. Het feit is dat het publiek een

onverzadelijke nieuwsgierigheid heeft om alles te weten behalve wat de

moeite waard is, en het journalisme is zich dat bewust, en voorziet op

koopmansmanier in de navraag.

Eeuwen geleden stelde men den publicist aan den schandpaal. Dat was zeker

afgrijselijk. In deze eeuw stellen de journalisten zich-zelf aan deurpost

en sleutelgat. Dat is heel wat erger. En wat het kwaad nog verzwaart, is

het feit dat de journalisten die meest te laken zijn, niet de

vermakelijke soort zijn, die schrijven voor onderhoudende nieuwsbladen.

De schade wordt gesticht door de gewichtige, bezonnen, ernstige

dagbladschrijvers, die op de plechtstatige, bij hen gangbare wijze voor

de oogen van het publiek aansleepen een of ander bijkomstig feit uit het

bijzondere leven van een groot staatsman, een man die een leidsman is van

de politieke gedachte evenzeer als een verwekker van politieke kracht, en

die dan het publiek uitnoodigen dat feit lang en breed te bepraten, gezag

te oefenen op zulk een aangelegenheid, hun oordeel te geven, en dat niet

alleen, maar hun oordeel in werking te stellen teneinde op alle punten

den man en zijn partij en zijn land de wet voor te schrijven; met andere

woorden: hen aanzetten om zich belachelijk te maken en beleedigend en

schadelijk. Het bijzondere leven van welken man of vrouw ook behoorde

niet openbaar gemaakt te worden. Het publiek heeft daar niets mede te

maken.

In Frankrijk bestaat voor zulke zaken een betere regel. Daar staat men

niet toe dat bijvoorbeeld de bijzonderheden van een echtscheidingsproces

openbaar gemaakt worden voor het vermaak of de oordeelvellingen van het

publiek. Al wat het publiek te weten komt is dat de scheiding werd

uitgesproken op aanvrage van éen der beide partijen. In Frankrijk stellen

zij metterdaad grenzen aan den journalist, en laten den kunstenaar bijna

volkomen vrijheid. Bij ons laat men den journalist volstrekte vrijheid,

en stelt den kunstenaar altijd grenzen. De openbare meening in Engeland,

met andere woorden, tracht ieder te belemmeren, te dwarsboomen en te

stuiten, die dingen doet, die men leelijk en ergerlijk vindt, of

eigenlijk waar de menschen aanstoot aan nemen, en het gevolg is dat wij

de meest ernstige dagbladschrijvers ter wereld hebben, en de meest

onwelvoegelijke nieuwsbladen. Zonder overdrijving kan men zeggen dat de

dagbladschrijvers hiertoe gedwongen worden. Er zijn er mogelijk enkele,

die werkelijk genoegen vinden in het openbaar maken van afschuwelijke

dingen, of die uit armoede op booze praatjes jacht maken als een

duurzamen grondslag voor een inkomen. Maar het kan niet missen of er zijn

daarnaast dagbladschrijvers, mannen van opvoeding en beschaving, die

onvermijdelijken tegenzin voelen tegen het openbaar maken van deze dingen,

die weten dat zij er verkeerd meê doen, en er alleen toe komen omdat de

ongezonde toestanden waarin hun bedrijf wordt uitgeoefend, hen dwingen

aan het publiek te leveren wat het publiek begeert, en daarbij, in

wedijver met andere dagbladen, zoo ruim en voldoende mogelijk tegemoet te

komen aan den groven volkseetlust. Het is een zeer vernederend bestaan

voor een groep mannen van opvoeding, en ik twijfel niet of de meesten

lijden eronder.

Maar laat ons van deze waarlijk zeer onverkwikkelijke zijde van het

onderwerp afscheid nemen, en terugkeeren tot het vraagstuk van

volkstoezicht inzake kunst, waarmede ik bedoel het voorschrijven aan den

kunstenaar door de openbare meening van den vorm dien hij te gebruiken

heeft, de wijze waarop hij daar gebruik van maken moet, en de

grondstoffen die hij te verwerken heeft. Ik heb er al op gewezen dat de

kunsten die er in Engeland het best zijn afgekomen, die zijn, waarin het

publiek geen belang heeft gesteld. De menschen stellen echter wel belang

in het drama, en daar er in het drama een zekere vooruitgang merkbaar is

in de laatste tien of vijftien jaren, is het de moeite waard er de

aandacht op te richten dat deze vooruitgang uitsluitend te danken is aan

enkele individueele kunstenaars, die het algemeene gebrek aan smaak

weigeren aan te nemen als eigen peilschaal en de kunst niet willen

beschouwen als een eenvoudige zaak van vraag en aanbod. Met zijn

wonderbaarlijke, levendige persoonlijkheid, met zijn voordracht die alles

kleurt en bezielt, met zijn buitengemeene macht niet over bloote

tooneelmatige nabootsing, maar over herscheppende verbeelding en

intellect, zoû Irving, indien het alleen zijn doel was geweest het

publiek te geven wat het verlangde, de ordinairste tooneelspelen hebben

kunnen opvoeren op de ordinairste manier en daaruit zooveel succes en

geld hebben kunnen slaan als iemand maar met mogelijkheid kon begeeren.

Maar dit was zijn streven niet. Zijn doel was, onder bepaalde voorwaarden

en in bepaalde kunstvormen zijn eigen vervolmaking als kunstenaar te

verwezenlijken. Eerst richtte hij zich tot de minderheid, nu heeft hij de

meerderheid opgevoed. Hij heeft in zijn publiek zoowel geest als

temperament geschapen. Dat publiek waardeert zijn kunstenaarssucces

bovenmate. Toch vraag ik mij dikwijls af of zij inzien dat dit succes

uitsluitend te danken is aan het feit dat hij hun peil niet als het zijne

aanneemt, maar hen tot het zijne opvoedde. Andersom zoû het Lyceum een

soort tweederangs-kermistent geweest zijn, zooals enkele

volksschouwburgen in Londen nu zijn. Maar hoe dit zij, het feit blijft

dat smaak en temperament in zekere mate bij het publiek zijn wakker

geroepen, en dat het dus in staat is deze eigenschappen te ontwikkelen.

Hoe komt het dan dat het publiek niet van-zelf meer beschaafd wordt?

Immers, zij hebben den aanleg. Wat houdt hen tegen?

Ik kan alleen herhalen dat zij tegengehouden worden door hun lust om over

kunstenaar en kunstwerk gezag te oefenen. Naar enkele schouwburgen,

zooals Lyceum en Haymarket, schijnt het publiek op te gaan in de

vereischte stemming. In deze beide schouwburgen heeft men individueele

kunstenaars gehad, die geslaagd zijn in hun publiek--en elke Londensche

schouwburg heeft zijn eigen--de gestemdheid levend te maken, tot welke

alle kunst zich richt. Wat gestemdheid is dat? Niets anders dan

ontvankelijkheid.

Als iemand een kunstwerk nadert met eenige bedoeling om gezag daarover en

over den kunstenaar uit te oefenen, benadert hij het in zulk een geest,

dat hij er niet den geringsten kunstindruk van ontvangen kan. Het

kunstwerk behoort den toeschouwer te beheerschen, niet de toeschouwer het

kunstwerk. De toeschouwer behoort ontvankelijk te zijn. Zijn taak is de

vedel te wezen, waarop de meester heeft te spelen. En hoe vollediger hij

onderdrukken kan zijn eigen kinderachtige inzichten, zijn eigen dwaze

vooroordeelen, zijn eigen zinlooze denkbeelden van wat de kunst al of

niet behoort te zijn, des te meer kans heeft hij het kunstwerk waar hij

tegenover staat, te verstaan en te waardeeren. Dit is natuurlijk

zonneklaar inzake het ordinaire Engelsche schouwburgpubliek, mannen en

vrouwen. Maar het geldt evenzeer van wat men menschen van opvoeding noemt.

Want de denkbeelden over kunst van deze laatsten zijn klaarblijkelijk

ontleend aan wat de kunst is geweest, terwijl het nieuwe kunstwerk schoon

is doordat het is wat de kunst nooit geweest is, en wanneer men het den

maatstaf van het verleden aanlegt, meet men het met een maatstaf op de

verwerping waarvan zijn waarachtige volmaaktheid berust. Enkel een

gestemdheid die bij machte is door het medium der verbeelding, onder

verbeelde omstandigheden, nieuwe schoonheidsindrukken te ontvangen, kan

een kunstwerk waardeeren. En nog meer dan bij de waardeering van

beeldhouw- en schilderkunst, geldt dit bij de waardeering van zulke

kunsten als waartoe het drama behoort. Want bij een schilderij of een

beeld heeft de waardeering niet te worstelen met den tijd. Tijdsverloop

komt hierbij niet in aanmerking. In een enkel oogenblik kan hun eenheid

worden gegrepen. Inzake literatuur staat het anders. Een zekere tijd moet

doorgemaakt eer de eenheid der uitwerking mogelijk wordt. Zoo kan in een

drama in het eerste bedrijf een of ander voorkomen, waarvan de

waarachtige kunstwaarde voor den toeschouwer verborgen blijft tot een

moment in het derde of vierde. Gaat het aan dat de dwaas zich daar warm

over maakt, zijn verzet uit en het spel verstoort en de uitvoerenden

hindert? Immers neen. De eerlijke toeschouwer blijft rustig, en smaakt de

zoete ontroering van verwondering, geprikkelde belangstelling, spanning.

Hij behoort niet een toonneelspel te gaan zien om zijn vulgair humeur te

verliezen, maar om zijn gestemdheid tot kunstgenot uit te vieren, of als

hij die niet bezit, haar te winnen. Hij is geen scheidsrechter inzake het

kunstwerk. Hij wordt toegelaten om het kunstwerk in oogenschouw te nemen

en, als het werk schoon is, in zijn aanschouwing al het egoïsme dat hem

leelijk maakt, te vergeten, hetzij het egoïsme van zijn onwetendheid,

hetzij dat van zijn onvoldoende weten. Men ziet dit, geloof ik, bij het

drama, nog niet genoeg in. Ik kan mij voorstellen dat, als "Macbeth" voor

het eerst voor een modern Londensch publiek ten gehoore werd gebracht,

verscheidene menschen sterk en hevig in verzet zoûden komen tegen het ten

tooneele brengen der heksen in het eerste bedrijf met haar kluchtige

gezegden en belachelijke kreten. Maar als het tooneelspel aan zijn eind

is, wordt men zich bewust dat de lach der heksen in "Macbeth" even

verschrikkelijk is als de lach der krankzinnigheid in "Lear," en

schrikkelijker dan de lach van Iago in het treurspel van den Moor. Geen

aanschouwer van kunst heeft een vollediger mate van ontvankelijkheid van

noode dan de toeschouwer van een tooneelspel. Zoodra hij gezag wil gaan

oefenen, wordt hij een erkend vijand van de kunst en van zich-zelf. De

kunst trekt er zich niet veel van aan. Hij zelf lijdt de schade.

Individualisme en socialisme · 第 2 / 3 段