Het zal iets wonderbaarlijks zijn, de waarachtige persoonlij

WERELDBIBLIOTHEEK BOEKEN

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

* * * * *

OSCAR WILDE

INDIVIDUALISME EN SOCIALISME

GEAUTORISEERDE VERTALING

DOOR

P. C. BOUTENS

* * * * *

Van OSCAR WILDE verschenen in de Wereld-Bibliotheek:

W. B. 117*. _Het Granaatappelhuis_. Vertaling Liane van Oosterzee.

Ing. f 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50

W. B. 129. _Salome en een Florentijnsch Treurspel_. Vertaling P. C.

Boutens.

Cart. f 0.30; geb. f 0.40

W. B. 159. _De Profundus_. Ingeleid en vertaald door P. C. Boutens.

Ing. f 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50.

* * * * *

VOORAF

Merkwaardig lijkt mij Wilde's "Soul of Man under Socialism"--zoo luidt

de oorspronkelijke titel dezer causerie--vooral als voorganger en

tegenhanger der merkwaardigste beschouwingen in zijn "de Profundis." The

Soul of Man under Socialism: eene toekomstig-gedachte verwezenlijking der

menschelijke persoonlijkheid bij wege van vreugde. De Profundis: de

voorshands mogelijke verwezenlijking dierzelfde persoonlijkheid bij wege

van smart. Wanneer den schrijver na zijn gevangenschap langer en

gelukkiger jaren bestemd waren geweest, zoû hij mogelijk in een derde

geschrift de synthese dezer beide hebben gegeven? Het zoû een

buitengemeen boek hebben kunnen worden. "De toekomst is wat kunstenaars

zijn," zegt hij. En zijn niet kunstenaars de bevoorrechten in wie vroeger

of later vreugd en leed samenbloeien tot éenzelfde schoonheid?

De menschelijke persoonlijkheid die in haar heidensche jeugd zich door

vreugde meende te kunnen verwezenlijken, maar wier groei overwoekerd werd

door de materiëele anarchie van het Romeinsche Keizerrijk; die in het

Christendom met de materie trachtte te breken, maar zich in het eind

erger dan ooit door stoffelijke misstanden ziet gefnuikt of belemmerd,

kan de mogelijkheid eener duurzame eerlijke regeling dier materie niet

anders begroeten dan als de eerste voorwaarde harer toekomstige

vervolmaking. Eerst daarna zal zij als gemeen goed kunnen behalen de

synthese van haar kindsheid en jongelingschap, van vreugd en leed, van

Heiden- en Christendom.

20 Nov. 1913.

* * * * *

Het groote en voorname voordeel dat uit de invoering van het socialisme

zoû voortkomen, is buiten twijfel: dat het socialisme ons ontheffen zoû

van die onverkwikkelijke noodzakelijkheid om voor anderen te leven, welke

bij den tegenwoordigen staat van zaken bijna iedereen onder haar zoo

meêdoogenloozen druk houdt. Inderdaad, zoo goed als niemand ontsnapt haar.

Van tijd tot tijd in den loop der eeuw is het een groot geleerde als

Darwin, een groot dichter als Keats, een schoonen kritischen geest als

Renan, een opperst kunstenaar als Flaubert gelukt zich volkomen af te

zonderen, zich buiten bereik te houden van de luidruchtige eischen der

andere menschen, te staan "onder de dekking van den wand," zooals Platoon

het uitdrukt, en op die manier de vervolmaking tot stand te brengen van

wat in hem was, tot zijn eigen onvergelijkelijke winst en tot de

onvergelijkelijke en duurzame winst der geheele wereld. Dit zijn echter

uitzonderingen. Het meerendeel der menschen bederven hun leven met een

ongezond en overdreven altruisme, of liever worden gedwongen het in die

richting te bederven. Zij vinden zich omringd door afzichtelijke armoede,

wanstaltigheid, hongersnood. Onvermijdelijk moeten zij door dit alles

diep worden aangedaan. De gevoelsaandoeningen van den mensch worden

schielijker in beweging gezet dan zijn verstandswerkingen, en zooals ik

vóor eenigen tijd betoogde in een artikel over de werking der critiek:

het is veel gemakkelijker eensgevoelig te zijn met lijden dan met de

gedachte. Dienovereenkomstig nemen zij, met bewonderenswaardige, of al

verkeerdelijk gerichte bedoelingen, met grooten ernst en overdreven

sentimentaliteit, de taak ter hand om de euvelen die zij voor oogen

hebben, te verhelpen. Maar hunne middelen genezen de kwaal niet, zij

verlengen alleen het proces. Eigenlijk zijn hun middelen een onderdeel

van de kwaal.

Zij beproeven, bijvoorbeeld, het vraagstuk der armoede op te lossen door

de armen in het leven te houden, of door, volgens de allernieuwste

richting, de armen te vermaken. Maar dit is geen oplossing: het is een

verzwaring der moeilijkheid. Het eigenlijke doel moet het pogen zijn de

maatschappij herop te bouwen op zulke grondslagen, dat armoede onmogelijk

zal wezen. De deugden van het altruïsme hebben de uitvoering van dit

streven aanmerkelijk belemmerd. Evenals indertijd die slaveneigenaars het

grootste kwaad stichtten, die welwillend voor hun slaven waren, omdat zij

voorkwamen dat de afschuwelijkheid der instelling beseft werd door hen

die er onder leden, en ingezien door hen die haar bespiegelden, zoo zijn,

bij den tegenwoordigen stand van zaken in Engeland, die menschen het

schadelijkst, die meest goed trachten te doen, en ten slotte hebben wij

beleefd dat mannen die in de werkelijkheid het vraagstuk hebben

bestudeerd en op de hoogte zijn van zijn levensverschijnselen--academisch

gevormde mannen die in Oost-Londen leven--de gemeenschap met klem van

rede hebben aangezocht, haar altruïstische aandriften van weldadigheid,

welwillendheid en dergelijke te beteugelen. Zij doen dit op grond dat

weldadigheid van dien aard verlaagt en veronzedelijkt. Zij hebben

volkomen gelijk. Weldadigheid schept een sleep van zonden. Men kan ook

nog hierop wijzen, dat het onzedelijk is om den bijzonderen eigendom te

gebruiken met de bedoeling om de euvels die van de instelling van den

bijzonderen eigendom gevolg zijn, te verlichten. Het is evenzeer

onzedelijk als valsch.

Onder het socialisme zal dit alles natuurlijk gewijzigd worden. Er zullen

dan geen menschen zijn, die leven in vunze krotten en vunze vodden, en

die ongezonde, hongergekwelde kinderen trachten groot te brengen te

midden van onmogelijke allerterugstootendste omgevingen. De veiligheid

der samenleving zal niet, als nu, afhankelijk zijn van den staat van het

weder. Als de vorst invalt, zullen wij niet een honderdduizend werkloozen

hebben, die in een toestand van walgelijke ellende de straten afloopen of

kermen tot hun buren om een aalmoes, of zich verdringen aan de deuren van

walgingwekkende toevluchten om zich een homp brood of een onreine

slaapgelegenheid voor den nacht te verzekeren. Elk lid der maatschappij

zal deelen in het algemeen welvaren en het algemeene geluk der

maatschappij, en als de vorst invalt, zal niemand er feitelijk slechter

aan toe zijn.

Aan den anderen kant zal het socialisme als zoodanig zijn waarde hebben

om de eenvoudige reden dat het voeren zal tot een hooger individualisme.

Het socialisme, of communisme, of hoe men het belieft te noemen, zal den

bijzonderen eigendom omzetten in staatsvermogen, en samenwerking in de

plaats stellen van concurrentie, en zoodoende de maatschappij herstellen

in haar zuiveren staat van door-en-door gezond organisme, en den

materiëelen welstand van elk lid der gemeenschap waarborgen. Het zal

feitelijk aan het leven zijn natuurlijken grondslag en zijn natuurlijke

ontwikkelingssfeer geven. Maar voor de volle ontwikkeling des levens tot

zijn hoogsten staat van volmaaktheid is meer noodig. Wat noodig is, is

individualisme. Indien het socialisme gezagmatig zal zijn; indien er

regeeringen zullen zijn, gewapend met oekonomische macht, zooals zij dat

nu zijn met politieke; indien wij, in éen woord, bestemd zijn onder

nijverheidstyranieën te leven, dan zal het laatste van den mensch erger

zijn dan zijn eerste. Op het oogenblik, ten gevolge van het bestaan van

den bijzonderen eigendom, worden een groot getal menschen in staat

gesteld een zekere zeer begrensde mate van individualisme te ontwikkelen.

Zij zijn òf niet onder de noodzakelijkheid te werken voor hun onderhoud,

òf zijn in staat in een bepaalde sfeer zulk een werkzaamheid te kiezen

als werkelijk met hun aard overeenkomt en hun genot geeft. Dit zijn de

dichters, de wijsgeeren, de mannen der wetenschap, de mannen der cultuur--in

éen woord, de wezenlijke menschen, de menschen die zich-zelf

verwezenlijkt hebben, en in wie de geheele menschheid een gedeeltelijke

verwezenlijking behaalt. Daartegenover staan een groot aantal menschen

die, omdat zij geen persoonlijken eigendom hebben en onder voortdurende

bedreiging van den hongerdood staan, er toe gedreven worden het werk van

lastdieren te doen, d.i. werk te doen, dat geheel met hun aard in strijd

is en waartoe zij gedwongen worden door de gebiedende, onredelijke en

verlagende tyrannie van het gebrek. Dit zijn de armen, en bij hen vindt

men geen gratie van manieren, geen adel van woord, geen beschaving, geen

cultuur, geen verfijning inzake genot, geen levensvreugde. Van hun

gezamenlijke werkkracht behaalt de menschheid groote voordeelen van

materiëelen voorspoed. Maar deze materiëele winst blijft de eenige, en de

arme telt als persoon op zich-zelf volstrekt niet mede. Hij is enkel het

oneindig kleine atoom van een kracht die, verre van hem te ontzien, hem

fnuikt; een kracht die hem liever gefnuikt ziet dan niet, daar hij in het

eerste geval veel en veel meegaander is.

Natuurlijk zoû men kunnen opmerken dat individualisme, geteeld onder de

voorwaarden van den bijzonderen eigendom, niet altijd, zelfs niet door de

bank, van een mooie of verrukkelijke soort is, en dat de armen, al hebben

zij geen cultuur of gratie, toch vele deugden bezitten. De éene opmerking

is al even waar als de andere. Het bezit van bijzonderen eigendom is zeer

vaak bovenmate veronzedelijkend, en dit is zeker een der redenen waarom

het socialisme de instelling van de baan wil hebben. Feitelijk is

eigendom een onmiskenbare hinder. Enkele jaren terug gingen er alom in

den lande stemmen op dat eigendom zijn plichten heeft. De menschen zeiden

het zoo vervelend dikwijls, dat ten slotte de Kerk het is gaan

verkondigen. Men kan het nu van iederen kansel hooren. Het is in allen

deele waar. Eigendom heeft niet alleen plichten, maar heeft zoo vele

plichten, dat zijn bezit op eenigszins groote schaal een lastpost is. Hij

brengt eindelooze verplichtingen mede, eindelooze zakenzorg, eindelooze

kwelling. Indien eigendom enkel genoegens gaf, zoûden wij er vrede mee

hebben; maar zijn plichten maken hem ondragelijk. In het belang der

rijken moeten wij er van verlost worden.--De deugden der armen kan men

reede erkennen, en haar bestaan is grootelijks te betreuren. Men vertelt

ons vaak dat de armen dankbaar zijn voor liefdadigheid. Enkelen zijn dat

ook ongetwijfeld, maar de besten onder de armen zijn nooit dankbaar. Zij

zijn ondankbaar, ontevreden, weêrspannig, opstandig. En zij zijn volkomen

in hun recht. Zij voelen dat liefdadigheid een belachelijk onevenredige

poging van gedeeltelijke vergoeding is of een sentimenteele

bedeelingszucht, die gemeenlijk samengaat met een onbeschaamden aanslag

van de zijde van den sentimenteele om over hun bijzonder leven den baas

te spelen. Waarom behooren zij dankbaar te zijn voor de kruimels die

vallen van de tafel des rijken? Hun zelf komt een plaats aan den disch

toe, en zij beginnen dat te beseffen. Wat hun ontevredenheid aangaat: een

mensch, niet ontevreden met dergelijke omgevingen en zulk een laag

levenspeil, zoû ongevoelig als een redeloos dier moeten zijn.

Weêrspannigheid--zooals elk die wat van de geschiedenis afweet, moet

inzien--is des menschen erfdeugd. Aan weêrspannigheid hebben wij allen

vooruitgang te danken, aan weêrspannigheid en opstandigheid. Men prijst

de armen ook wel om hun spaarzaamheid. Maar om arme menschen

spaarzaamheid aan te bevelen is even belachelijk als hoonend. Men kan

evengoed iemand die aan 't verhongeren is, aanraden minder te eten. Dat

een stadswerkman of een veldarbeider zich toe zoû leggen op

spaarzaamheid, zoû hoogst onzedelijk in hem wezen. Een mensch mag zich

niet leenen tot de vertooning hoe hij leven kan als een slecht gevoed

dier. Met hand en tand moet hij zich daartegen verzetten, en in het

uiterste geval nog liever stelen of armlastig worden, wat velen enkel

voor een vorm van diefstal aanzien. Wat bedelen aangaat, het is

misschien veiliger te bedelen dan te nemen, maar het is flinker en

mooier te nemen dan te bedelen. Neen, een arme die niet dankbaar is,

niet zuinig, niet tevreden, opstandig, heeft alle kans een heusche

persoonlijkheid te wezen, en een kerel waar wat in zit. Hij is in elk

geval een voorbeeld van gezond verzet. Met de armen, die bovengenoemde

deugden hebben, kan men natuurlijk medelijden gevoelen, maar men kan hen

onmogelijk bewonderen. Zij heulen met den gemeenen vijand en hebben hun

geboorterecht verkocht voor een erg dun soepje. Zij moeten ook

buitengewoon stompzinnig zijn. Ik kan best begrijpen dat iemand vrede

houdt met wetten die den bijzonderen eigendom beschermen en zijn

opeenhooping toelaten, zoolang hij onder deze omstandigheden zelf bij

machte is zich geestelijk schoon uit te leven. Maar ik kan er niet in

komen, hoe een man, wiens leven bedorven en leelijk gemaakt wordt door

zulke wetten, bij mogelijkheid in haar standhouden zoû berusten.

Toch is de verklaring niet zoo heel moeilijk te vinden. Het is eenvoudig

deze. Ellende en armoede zijn zoo onontkoombaar verlagend en oefenen zulk

een verlammende uitwerking op de menschelijke natuur, dat geen klasse

zich haar eigen lijden ooit werkelijk bewust is. Zij moeten door andere

menschen ingelicht worden, en dikwijls gelooven zij geen woord van wat

men hun zegt. Wat de groote werkgevers beweren tegen agitatoren, is

onmiskenbaar waar. Agitatoren zijn een bende stokers en bemoeials, die

afkomen op een volmaakt tevreden klasse der gemeenschap en daaronder de

zaden der ontevredenheid strooien. Daarom juist zijn agitatoren zoo

beslist onmisbaar. Zonder hen zoû er, in onzen onvolledigen staat, geen

voorwaartsche beweging in de richting der beschaving mogelijk zijn. Zoo

werd de slavernij in Amerika afgeschaft niet ten gevolge van eenige

beweging van den kant der slaven of ook maar een uitgedrukt verlangen van

hun zijde om vrij te zijn, maar enkel en alleen door het grovelijk

onwettig optreden van bepaalde agitatoren in Boston en elders, menschen

die zelf geen slaven waren, en ook geen slaveneigenaars, en die in

werkelijkheid niets met de zaak hadden uitstaan. Het waren ongetwijfeld

de Abolitionisten, die den bal aan het rollen brachten toen er nog geen

begin van beweging was. En het is opmerkenswaardig dat zij van de zijde

der slaven zelven niet alleen heel weinig bijstand, maar nauwelijks

eenige sympathie ondervonden; en toen na den oorlog de slaven zich vrij

zagen, met de daad zoo volkomen vrij dat men hun vrij liet te verhongeren,

beklaagden zich velen van hen bitterlijk over de verandering in hun staat.

Voor iemand die nadenkt, is het meest tragische feit in de gansche

Fransche Revolutie niet dat Marie Antoinette werd omgebracht omdat zij

koningin was, maar dat de uitgehongerde boeren in de Vendée vrijwillig

optrokken om te sterven voor de afschuwelijke zaak van het feodalisme.

Het is dan duidelijk dat geen gezagmatige vorm van socialisme voor ons

deugt. Want onder de tegenwoordige instellingen kan tenminste een zeer

groot aantal menschen een leven leiden, dat een zeker peil van vrijheid

en zelf-verwezenlijking en geluk bereikt, maar onder een systeem van

nijverheidskazernes of een ander soort oeconomische tyrannie zoû het

niemand mogelijk wezen zelfs zulk een beperkte vrijheid te genieten. Men

kan het betreuren, dat op het oogenblik een deel onzer gemeenschap

eigenlijk in slavernij leeft, maar om het vraagstuk te willen oplossen

door de geheele gemeenschap tot slaven te maken, is een kinderachtig

voorstel. Ieder mensch behoort geheel en al vrij gelaten te worden in de

keus van zijn eigen arbeid. Geen dwang in welken vorm ook mag over hem

uitgeoefend worden. Want indien dat gebeurt, is zijn arbeid niet loonend

op zich-zelf, en niet loonend voor hem, en niet loonend voor anderen. En

met arbeid bedoel ik hier eenvoudig bezigheid van elken aard.

Ik kan moeilijk denken, dat er op het oogenblik nog socialisten zoûden

zijn, die in ernst voorstellen dat opzichters elken morgen alle huizen

zoûden rondgaan om toe te zien, dat iedere burger opstond en zijn acht

uur handenarbeid verrichtte. De menschheid is dat standpunt voorbij, en

wil zulk een levenswijze beperken tot de wezens die zij met een zeer

willekeurige benaming misdadigers belieft te heeten. Maar ik moet

toegeven dat vele socialistische beschouwingen, die mij onder de oogen

kwamen, mij aangestoken lijken met denkbeelden, zooal niet van

daadwerkelijken dwang, dan toch van gezagmatigheid. Nu vallen natuurlijk

gezagmatigheid en dwang buiten bespreking. Elke menschenbond behoort

geheel vrijwillig te zijn. Alleen in een vrijwilligen bond komt de

menschheid schoon tot haar recht.

Maar men zoû kunnen vragen, hoe het individualisme, dat nu voor zijn

ontwikkeling min of meer afhankelijk is van het bestaan van den

bijzonderen eigendom, voordeel zal kunnen hebben bij de afschaffing van

den bijzonderen eigendom. Het antwoord is heel eenvoudig. Het is waar,

dat onder de nu heerschende voorwaarden eenige enkele menschen die een

eigen vermogen hadden, als Byron, Shelley, Browning, Victor Hugo,

Baudelaire en anderen, in staat zijn geweest hun persoonlijkheid min of

meer volkomen te verwerkelijken. Niemand van hen heeft ooit een enkelen

dag gewerkt voor loon. Zij waren gevrijwaard voor armoede. Zij hadden een

onberekenbaar gunstige positie. De vraag is dus of het in het voordeel

van het individualisme zoû wezen, indien zulk een gunstige kans zoû zijn

weggenomen. Laat ons dat dan een oogenblik veronderstellen, en nagaan wat

het gevolg zoû zijn voor het individualisme en hoe het er voordeel van

zoû kunnen trekken.

Welnu, onder de nieuwe voorwaarden zal het individualisme verreweg vrijer,

veel mooier, en oneindig intenser kunnen zijn dan tegenwoordig. Ik spreek

nu niet van het hooge, in de verbeelding verwerkelijkte individualisme

als van de dichters die ik zooeven vermeldde, maar van het breede

daadwerkelijke individualisme, waarvan de mogelijkheid schuilt in het

menschdom in het algemeen. Want de erkenning van den bijzonderen eigendom

heeft in werkelijkheid het individualisme geschaad en verduisterd,

doordat men den mensch is gaan verwarren met wat hij bezit. Het heeft het

individualisme volkomen op een dwaalspoor gevoerd. Het heeft materiëele

winst inplaats van eigen groei tot zijn doel gemaakt. Zoodat de mensch is

gaan denken dat het ding waar het op aankomt, is te hebben, en vergat dat

het is te zijn. De ware vervolmaking van den mensch ligt niet in wat hij

heeft, maar in wat hij is. De bijzondere eigendom heeft het waarachtige

individualisme vernield en er een valsch individualisme voor in de plaats

gesteld. Hij heeft het éene deel van de gemeenschap afgesloten van de

mogelijkheid zich individueel te ontwikkelen, door hen uit te hongeren,

het andere deel door hen op den verkeerden weg te brengen en te overladen.

Ja, zoo volkomen is der menschen persoonlijkheid verdrongen door zijn

bezittingen, dat de Engelsche wet steeds beleedigingen tegen iemands

eigendom veel strenger gestraft heeft dan beleedigingen tegen zijn

persoon, en eigendom is altijd nog de eerste voorwaarde voor volkomen

burgerschap. De inspanning, noodig voor het maken van fortuin, is ook

zeer veronzedelijkend. In een gemeenschap als de onze, waar eigendom

meêbrengt onbeperkte onderscheiding, maatschappelijken stand, eer,

aanzien, titels en andere dergelijke aangename zaken, maakt de mensch die

van nature eerzuchtig is, het zijn doel dezen eigendom op te stapelen, en

gaat daar rust-en vreugdeloos meê door, al heeft hij sinds lang veel meer

dan hij noodig heeft of gebruiken kan of genieten of mogelijk zelfs

berekenen. De mensch is bereid zich dood te werken om zich eigendom te

verzekeren, en als men de matelooze voordeelen overweegt, die eigendom

aanbrengt, kan ons dat moeilijk verwonderen. Betreuren moet men dat de

maatschappij op zulke grondslagen is opgebouwd, dat des menschen leven in

kanalen wordt gestuwd, waarin hij niet vrijelijk ontwikkelen kan wat

wonderdadig en aandachtboeiend en vreugdewekkend in hem is, waarin hij

feitelijk alle waarachtige levensvreugde en levensgenot moet verzaken.

Ook is hij, onder de heerschende voorwaarden, weinig zeker van zijn

bestaan. Een schatrijk koopman is soms, of liever vaak, van oogenblik tot

oogenblik overgeleverd aan de willekeur van dingen die hij niet voorkomen

kan. Als de wind een streek of wat te fel blaast, als het weêr plotseling

omslaat, of door een ander nietig toeval, kan zijn schip vergaan, zijn

berekeningen falen, en hij zelf is opeens een arm man, vervallen van zijn

maatschappelijke stelling. Welnu, niets mag een mensch kunnen schaden dan

hij zelf. Niets behoort bij mogelijkheid een mensch te kunnen uitschudden.

Wat een mensch in werkelijkheid bezit, is binnen in hem. Wat buiten hem

is, behoort een ding van geen belang voor hem te zijn.

Met de afschaffing van den bijzonderen eigendom zullen wij dan een

waarachtig, schoon en gezond individualisme krijgen. Niemand zal zijn

leven verdoen met de opstapeling van doode dingen of den schijn daarvan.

De mensch zal leeren leven. En leven is het uitgelezenste ter wereld. De

meeste menschen doen niet meer dan bestaan.

Het is de vraag of wij ooit de volle uitleving eener persoonlijkheid

hebben gezien behalve op de verbeeldingsvelden der kunst. In het

handelend leven hebben wij dat zeker nooit. Caesar, zegt Mommsen, was de

volledige en volkomen mensch. Maar hoe noodlottig gevaarlijk was Caesar's

stelling! Overal waar een mensch gezag oefent, verzet zich een tweede

mensch tegen dat gezag. Caesar was zeer volkomen, maar zijn volkomenheid

bewandelde te onveilige wegen. Marcus Aurelius was de volkomen mensch,

zegt Renan. Toegegeven: de groote keizer was een volkomen mensch. Maar

hoe onduldbaar waren zijn eindelooze verplichtingen. Hij waggelde onder

den last van de wereldheerschappij. Hij was zich bewust dat geen eenling

opgewassen was tegen den druk van dien Titanischen, overgeweldigen

rijksbal. Wat ik versta onder een volkomen mensch is iemand die zich

ontwikkelen kan onder volmaakt gunstige omstandigheden; iemand die niet

bloot staat aan verwonding, aan kwelling, of krenking, iemand voor wien

geen gevaar bestaat. De meeste groote persoonlijkheden zijn gedwongen

opstandelingen geweest. De helft van hun kracht is verkwist in wrijving.

Byron's persoonlijkheid, bijvoorbeeld, werd schrikkelijk geteisterd door

zijn strijd met de stompzinnigheid en huichelarij en Philistijnschheid

der Engelschen. Zulk een strijd verhoogt niet altijd iemands kracht, vaak

brengt hij tot overdrijving van zwakheden. Byron was nooit bij machte ons

te geven wat hij ons had kunnen schenken. Shelley kwam er beter af.

Evenals Byron ging hij zoo gauw hij kon Engeland uit. Maar hij was niet

zoo algemeen bekend. Als de Engelschen hadden kunnen denken welk een

groot dichter hij in werkelijkheid was, zoûden zij hem met hand en tand

te lijf zijn gegaan en zijn leven zoo ondragelijk mogelijk hebben gemaakt.

Maar hij was geen opvallende figuur in de samenleving, en daarom kwam hij

er heel wat beter af. Toch is zelfs bij Shelley de toon van opstandigheid

van tijd tot tijd te sterk. De toon van de volmaakte persoonlijkheid is

niet een van opstandigheid, maar van vrede.

Het zal iets wonderbaarlijks zijn, de waarachtige persoonlijkheid der

menschen, als wij haar te zien krijgen. Zij zal natuurlijk en eenvoudig

opgroeien, als een bloem of een boom groeit. Zij zal met niets in

tweedracht zijn. Zij zal nooit betoogen of betwisten. Zij zal niets

trachten te bewijzen. Zij zal alles weten. Toch zal zij zich niet druk

maken met kennis. Zij zal in het bezit zijn van de wijsheid. Haar waarde

zal niet gemeten worden naar materiëelen maatstaf. Zij zal niets bezitten.

En toch zal alles het hare zijn, en wat men haar ook ontneemt, haar

rijkdom zal onvervreemdbaar blijken. Zij zal zich niet voortdurend

bemoeien met anderen, of dien anderen vragen aan haar gelijk te zijn. Zij

zal hen liefhebben om hun verscheidenheid. En toch, al zal zij zich niet

met de anderen bemoeien, zij zal allen steunen en helpen, zooals iets

schoons ons helpt door te zijn wat het is. De persoonlijkheid des

menschen' zal wonderwerkend zijn, even wonderwerkend als de

persoonlijkheid eens kinds.

In hare ontwikkeling zal zij bijgestaan worden door het Christendom, als

de menschen het verlangen; maar mochten de menschen dat niet begeeren,

dan zal zij zich daarom niet minder ontwikkelen. Want zij zal niet tobben

over het verleden, en zich niet bezorgd maken of bepaalde dingen

werkelijk gebeurd zijn of niet. Ook zal zij geen wetten dulden dan haar

eigen wetten, en geen gezag dan haar eigen gezag. Maar wel zal zij

diegenen beminnen, die haar trachtten op te kweeken en te versterken. En

van dezen is Christus éen geweest.

"Ken u-zelf," stond geschreven boven de poorten der oude wereld. Boven

die der nieuwe wereld zal men schrijven: "Wees u-zelf." En ook de

boodschap van Christus aan den mensch was eenvoudig: "Wees u-zelf." Dat

is de geheimspreuk van Christus.

Wanneer Christus van de armen spreekt, bedoelt hij eenvoudig

persoonlijkheden, zooals hij met de rijken van wie hij spreekt, enkel

menschen aanduidt, die hun persoonlijkheden nog niet hebben ontwikkeld.

Jezus bewoog zich in een gemeenschap, die de opeenhooping van den

bijzonderen eigendom toeliet, evenals de onze, en het evangelie dat hij

predikt, was niet dat het in zoo een gemeenschap een voordeel voor iemand

is van karig ongezond voedsel te leven, voddige ongezonde kleêren te

dragen, in afschuwelijke ongezonde behuizingen te slapen, en een nadeel

om onder gezonde, aangename en voegzame voorwaarden te leven. Zulk een

beschouwing zoû door en door verkeerd geweest zijn, evenals zij

natuurlijk nu in Engeland nog verkeerder wezen zoû. Want hoe meer de

mensch zich in Noordelijke richting beweegt, worden de materiëele

behoeften van des te grooter levensbelang, en onze samenleving is

oneindig verwikkelder en vertoont veel grooter uitersten van weelde en

verarming dan eenige samenleving der oude wereld. Wat Jezus bedoelde was

dit. Hij zeide tot de menigte: "Gij bezit een wonderdadige

persoonlijkheid. Ontwikkel haar. Wees u-zelf. Verbeeld u niet, dat uw

vervolmaking ligt in het opstapelen of bezitten van uitwendige dingen.

Wat gij zoekt is binnen in u. Als gij dit slechts kondt beseffen, zoûdt

gij niet begeeren rijk te zijn. Wat men gewoonlijk onder rijkdom verstaat,

kan iemand ontstolen worden. Werkelijke rijkdom kan dat niet. In de

schatkamer uwer ziel zijn oneindig kostbare dingen die u niet ontvreemd

kunnen worden. Beproef daarom uw leven zoo in te richten, dat uitwendige

dingen u niet kunnen schaden. En beproef ook u te ontslaan van

persoonlijken eigendom. Want persoonlijke eigendom brengt minderwaardige

beslommering mede, eindelooze bezigheid, onophoudelijk onrecht, en

belemmert het individualisme bij elken stap." Het verdient de aandacht

dat Jezus nooit zegt dat verarmde menschen noodzakelijk goed zoûden zijn,

of welgestelde menschen noodzakelijk slecht. Dat zoû niet de waarheid

zijn geweest. Welgestelde menschen zijn, als klasse, beter dan verarmde

menschen, zedelijker, intellectueeler, beter van gedragingen. Er is maar

éen klasse in de gemeenschap, die meer om geld denkt dan de rijken, en

dat zijn de armen. De armen kunnen nergens anders om denken. Dat is de

ellende van het arm-zijn. Wat Jezus wel zegt, is, dat de mensch zijn

vervolmaking niet bereikt door wat hij heeft, zelfs niet door wat hij

doet, maar enkel en alleen door wat hij is. Zoo wordt de rijke jongeling

die tot Jezus komt, voorgesteld als een door en door goed burger, die

zich tegen geen der wetten van den staat bezondigd heeft, tegen geen der

voorschriften van zijn godsdienst. Hij is volkomen "achtenswaardig," in

de gewone beteekenis van dat buitengewone woord. Jezus zegt tot hem:

"Geef den bijzonderen eigendom op. Het belemmert u uwe vervolmaking te

verwezenlijken. Hij is een blok aan uw been, een overlast. Uw

persoonlijkheid heeft hem niet van noode. Binnen in u, en niet buiten u

zult gij vinden wat gij in werkelijkheid zijt en wat gij werkelijk

behoeft." Tot zijn jongeren zegt hij hetzelfde. Hij vermaant hen zich-

zelf te zijn, en zich niet voortdurend af te geven met andere duigen. Wat

komen andere dingen er op aan? De mensch is volledig in zich-zelven. Als

zij de wereld ingaan, zal de wereld met hen overhoop liggen. Dit is

onvermijdelijk. De wereld haat alle individualisme. Maar dat mag hen niet

storen. Zij moeten rustig blijven en bij zich-zelf bepaald. Als iemand

hun rok neemt, moeten zij hem ook hun mantel geven, enkel om te toonen

dat materiëele dingen van geen belang zijn. Als de menschen hen honen,

mogen zij hun niet antwoorden. Wat beteekent hoon? Wat de menschen van

iemand zeggen, verandert hem niet. Hij blijft wat hij is. De openbare

meening is van niet de minste waarde. Zelfs wanneer de menschen

handtastelijk geweld gebruiken, mogen zij niet op hun beurt gewelddadig

zijn. Dat zoû afdalen zijn tot dezelfde laagte. Wel beschouwd, kan iemand

zelfs in de gevangenis volkomen vrij zijn. Zijn ziel kan vrij zijn. Zijn

persoonlijkheid onverstoord. Hij kan in vrede zijn. En bovenal mogen zij

niet bemoeizuchtig zijn tegenover anderen of dezen in het minst

veroordeelen. Persoonlijkheid is een zeer geheimzinnig iets. Een mensch

kan niet steeds geschat worden naar wat hij doet. Het is mogelijk dat hij

de wet betracht en toch een onwaardige is. Hij kan de wet overtreden en

toch een edele natuur zijn. Hij kan slecht zijn zonder ooit iets slechts

te doen. Hij kan zondigen tegen de maatschappij, en toch door die zonde

zijn waarachtige vervolmaking verwezenlijken.

Daar was een vrouw die betrapt werd op overspel. Men verhaalt ons haar

liefdesgeschiedenis niet, maar haar liefde moet zeer groot geweest zijn;

want Jezus zeide dat haar zonden haar vergeven waren niet omdat zij

berouw toonde, maar omdat haar liefde zoo sterk en zoo wonderbaarlijk was.

Een tijd later, kort vóor Jezus' dood, toen hij aanzat aan een feestmaal,

kwam die vrouw binnen en stortte kostelijk reukwerk op zijn haren. Zijn

jongeren trachtten haar terecht te wijzen en zeiden dat het een

buitensporigheid was, en dat de prijs van het reukwerk beter besteed ware

geweest aan weldadigen onderstand van behoeftigen, of aan iets dergelijks.

Jezus deelde hun opvatting niet. Hij wees er op dat de stoffelijke

behoeften van den mensen wel groot waren en onafgebroken, maar dat de

geestelijke behoeften der menschen nog grooter waren, en dat in een enkel

goddelijk oogenblik en door haar eigen wijze van uiting te kiezen een

persoonlijkheid haar volmaaktheid kon bereiken. De wereld aanbidt nog

altijd deze vrouw als een heilige.

Ja, daar schuilen groote mogelijkheden in het individualisme. Zoo

ontneemt, bijvoorbeeld, het socialisme aan het familieleven zijn

beteekenis. Met de afschaffing van den bijzonderen eigendom moet het

huwelijk in zijn huidigen vorm verdwijnen. Het behoort tot het program.

Het individualisme neemt het over en verwerkt het tot iets schoons. Het

zet de afschaffing van den wettelijken band om in een vrijheid die de

volle ontwikkeling der persoonlijkheid slechts zal kunnen baten, en die

de liefde van man en vrouw wonderdadiger, schooner, veredelender maken

zal. Jezus wist dit al. Hij verwierp de verplichtingen van het

familieleven, ofschoon zij in de gemeenschap van zijn dagen sterk op den

voorgrond traden.

"Wie is mijn moeder? Wie zijn mijne broeders?" vroeg hij, toen men hem

zeide dat zij hem zochten. Toen iemand, die hem volgen wilde, hem

vergunning vroeg om eerst zijn vader te gaan begraven, was zijn

vreeselijk antwoord: "Laat de dooden hunne dooden begraven." Hij kon er

niet inkomen dat eenig beslag zoû gelegd worden op iemands

persoonlijkheid.

Zoo dan is hij die een leven leiden wil in den geest van Christus, de man

die volkomen en volstrekt zich-zelf is. Hij kan een groot dichter zijn,

of een man van wetenschap, of een jong student aan de hoogeschool, of een

die schapen hoedt op de heide; of een schepper van drama's als

Shakespeare, of een peinzer over God als Spinoza; of een kind dat speelt

in een tuin, of een visscher die zijn net uitwerpt in de zee. Het komt er

niet op aan wat hij is, als hij maar de vervolmaking verwezenlijkt van de

ziel die in hem is. Alle navolging zoowel op zedelijk gebied als in het

leven is verkeerd. Door de straten van Jerusalem kruipt op den huidigen

dag een krankzinnige rond met een houten kruis op zijn schouders. Hij is

een voorbeeld van de levens die door navolging worden verdorven.

Toen le Père Damien[1] uitging om onder de melaatschen te leven, handelde

hij in den geest van Christus, omdat hij in zulk een dienst het beste wat

in hem was, ten volle verwezenlijkte. Maar niet méer in den geest van

Christus dan Wagner toen hij zijn ziel verwezenlijkte in muziek, of dan

Shelley toen hij zijn ziel verwezenlijkte in gezang.

Er bestaat niet éen enkele typos voor den mensch. Er zijn evenveel

volmaaktheden als er onvolmaakte menschen zijn. Aan de eischen der

liefdadigheid kan men toegeven en toch vrij man blijven, maar voor de

eischen der eenvormigheid kan niemand zwichten zonder zijn vrijheid

algeheel te verliezen.

Het is dus individualisme, waartoe wij door het socialisme zullen moeten

geraken. Als een natuurlijk gevolg moet de staat alle denkbeeld van

bestuur opgeven. Dit is noodzakelijk, omdat, zooals eens een wijsman

eeuwen voor Christus zeide, het bestaanbaar is de menschheid aan zich-

zelf over te laten, maar onbestaanbaar de menschheid te besturen. Alle

wijzen van bestuur zijn mislukkingen. Despotisme is onrechtvaardig

tegenover iedereen, den despoot meegerekend, die waarschijnlijk voor iets

beters geschapen was. Oligarchieën zijn onrechtvaardig tegenover de

meerderheid, ochlokratieën tegenover de minderheid. Groote verwachtingen

koesterde men eens van de demokratie, maar de demokratie bedoelt niets

anders dan het afbeulen van het volk door het volk voor het volk. Ook

daar is men achtergekomen. Het werd tijd ook; want alle gezag is

volstrekt vernederend. Het vernedert hen die het uitoefenen, evengoed als

hen over wie het wordt uitgeoefend. Wanneer men het gewelddadig, grof en

wreed aanwendt, heeft het éen goede uitwerking, dat het schept, of in elk

geval aan den dag brengt, den geest van verzet en het individualisme dat

bestemd is het te dooden. Wanneer het aangewend wordt met een zekere

mate van zachtzinnigheid, en er prijzen en beloonigen bijkomen, werkt

het schrikkelijk veronzedelijkend. De menschen zijn zich in dat geval

minder bewust welk een afschuwelijke druk op hen wordt gelegd, en gaan

hun leven door in een soort grofzinnige gemakzucht, als vertroetelde

huisdieren, zonder ooit te beseffen dat zij waarschijnlijk andermans

gedachten denken, leven naar andermans maatstaf, eigenlijk andermans af

gelegde kleêren dragen, en nooit een enkel oogenblik zich-zelf zijn.

"Wie vrij wil zijn," zegt een beproefd denker, "moet zich niet

aanpassen." En gezag koopt de menschen om tot aanpassen en brengt zoo

een zeer bruut soort barbarendom onder ons voort.

Samen met gezag zal straf verdwijnen. Dit zal een groote winst zijn, een

winst van onberekenbare waarde. Wanneer men de geschiedenis leest, niet

in de gecastreerde uitgaven voor schoolkinderen en leeken, maar in de

oorspronkelijke bronnen van elk tijdvak, walgt men niet van de misdaden

die de slechten hebben bedreven, maar van de straffen, die de deugdzamen

hebben toegepast, en een gemeenschap wordt oneindig meer verbruut door

de geregelde toepassing van straf dan door het mogelijke voorkomen van

misdaad. Klaarblijkelijk volgt hieruit, dat hoe meer men straf toepast,

des te meer misdaad in 't leven wordt geroepen, en de moderne wetgeving

heeft meerendeels dit helder ingezien en het haar taak gemaakt de straf

te verminderen voorzoover zij dat mogelijk oordeelt. Overal waar zij

strafvermindering heeft doorgevoerd, is men tot uitnemende gevolgen

gekomen. Hoe minder straf, hoe minder misdaad. Wanneer er heelemaal geen

straf meer zal zijn, zal de misdaad òf ophouden te bestaan, òf, als zij

voorkomt, zal zij door geneesheeren behandeld worden als een zeer

bedroevende vorm van waanzinnigheid, die men met zachtzinnige verzorging

moet trachten te genezen. Want wat men tegenwoordig misdadigers noemt,

zijn in 't geheel geen misdadigers. Uithongering, en niet zonde, is de

moeder der moderne misdaad. Dat is in den grond de reden waarom onze

misdadigers, als klasse, uit geen enkel psychologisch oogpunt eenigszins

belangwekkend zijn. Het zijn geen verbazingwekkende of verschrikkelijke

persoonlijkheden als een Macbeth of een Vautrin. Zij zijn enkel wat

gewone, fatsoenlijke, alledaagsche menschen zouden zijn, als zij niet

genoeg te eten hadden. Wanneer de bijzondere eigendom zal zijn

afgeschaft, zal er geen noodzakelijkheid tot misdaad bestaan, er zal

geen vraag naar zijn, en zij zal dus ophouden voor te komen. Natuurlijk

zijn niet alle misdaden vergrijpen tegen den eigendom, hoewel dit de

misdaden zijn, die de Engelsche wet, welke hooger schat wat een mensch

heeft dan wat hij is, met de wreedste en afschuwelijkste strengheid

straft (met uitzondering van moord, indien wij tenminste de doodstraf

als iets ergers beschouwen dan dwangarbeid, waarover de gevoelens onzer

misdadigers, meen ik, uiteenloopen). Maar een misdaad behoeft niet

onmiddellijk tegen den eigendom gericht te zijn om toch te kunnen

voortkomen uit ellende en blinde woede en neêrgedruktheid, verwekt door

ons verkeerd systeem van vermogensbezit, en ook die soort zal dus, als

het systeem wordt afgeschaft, verdwijnen. Wanneer een lid der

gemeenschap zijn behoeften zal kunnen bevredigen, en niet door zijn

buurman wordt lastig gevallen, kan hij er geen belang bij hebben om

iemand anders lastig te vallen. Naijver, die bij uitstek een bron van

misdaad is in het moderne leven, is een aandoening die in nauw verband

staat met onze opvattingen van den eigendom en zal onder de heerschappij

van socialisme en individualisme van-zelf uitsterven. Het is

opmerkenswaardig dat bij communistische stammen naijver volslagen

onbekend is.

Men kan vragen wat de staat, nu hij niet zal behoeven te regeeren, dan

zal te doen hebben. De staat behoort een vrijwillige bond te zijn ter

organisatie van den arbeid en op te treden als fabrikant en leverancier

der noodzakelijke gebruiksartikelen. De staat krijgt te maken wat nuttig

is, het individu wat schoon is. En nu ik het woord arbeid genoemd heb,

kan ik niet nalaten er op te wijzen hoe tegenwoordig een hoop onzin

geschreven en verkondigd wordt over de waardigheid van handenarbeid. Daar

is volstrekt niets noodzakelijk waardigs in handenarbeid en meerendeels

is hij beslist vernederend. Het is geestelijk en zedelijk krenkend voor

den mensch om iets te doen, waarin hij geen vreugde vindt, en vele vormen

van handenarbeid zijn volkomen vreugdelooze bezigheden, en behooren als

zoodanig te worden beschouwd. Acht uur lang op een dag een modderigen

verkeersweg aan te bezemen, onder het blazen van den Oostenwind, is een

walgingwekkende bezigheid. Dat te doen met geestelijke, zedelijke of

physieke waardigheid komt mij onmogelijk voor. Het met blijdschap te zien

doen zoû verbijsterend zijn. De mensch is voor iets beters geschapen dan

het opjagen van vuilnis. Alle dergelijk werk behoort door machines te

geschieden.

En ik twijfel er niet aan of het zal zoo komen. Tot nu toe is de mensch

in zekere mate de slaaf der machine geweest, en daar is iets noodlottigs

in het feit, dat, zoodra de mensch een machine had uitgevonden om zijn

werk te doen, hij zelf begon gebrek te lijden. Dit is echter een

natuurlijk gevolg van ons eigendomssysteem en ons concurrentiesysteem.

Eén mensch bezit een machine die het werk doet van vijfhonderd andere

menschen. Deze vijfhonderd worden als gevolg op straat gezet, en daar zij

geen werk vinden, krijgen zij honger en vervallen tot stelen. De éene man

verzekert zich de opbrengst van de machine en houdt die voor zich, en

heeft dan vijfhonderd maal zooveel als hij behoorde te hebben, en

waarschijnlijk, wat belangrijker is, heel wat meer dan hij in

werkelijkheid gebruiken kan. Indien die machine de eigendom van allen was,

zoû iedereen er voordeel van hebben. Alle niet-intellectueele arbeid,

alle eentonige, vervelende arbeid, alle arbeid die te maken heeft met

weêrzinwekkende dingen en onaangename toestanden meêbrengt, moet door

machines verricht worden.

Machines moeten voor ons werken in de kolenmijnen, en den geheelen

sanitairen dienst verrichten, en stokers zijn op stoombooten, en de

straten reinigen, en boodschappen doen op regendagen en alle werk

bedrijven, dat vervelend en naargeestig is. Op het oogenblik concurreeren

de machines met den mensch. Onder behoorlijke omstandigheden zullen zij

den mensch dienen. Het valt niet te betwijfelen of dit is haar toekomst,

en volkomen als de boomen groeien terwijl de landeigenaar slaapt, zoo

zullen de machines alle noodzakelijke en onaangename werk doen, terwijl

de menschheid zich vermaakt of door cultuur verfijnde ontspanning geniet

(wat meer dan eenige arbeid het doel behoort te zijn van den mensch), of

bezig is schoone zaken te vervaardigen of schoone dingen te lezen of

eenvoudig de wereld met bewondering en genot te aanschouwen. Het feit is

dat beschaving slaven noodig maakt. De Grieken hadden op dit punt een

juist inzicht. Als er geen slaven voorhanden zijn om het terugstootende,

afschuwwekkende, oninteressante werk te doen, wordt cultuur en

levensbespiegeling zoo goed als onmogelijk. Slavernij van menschen is

verkeerd, gevaarlijk en veronzedelijkend. Van de mechanische slavernij,

de slavernij der machines, hangt de toekomst der wereld af. En wanneer

wetenschappelijke mannen niet langer opgeroepen worden om in een

naargeestig East End slechte cacao te gaan uitdeelen en nog slechtere

dekens aan uitgehongerde menschen, zullen zij een genotvollen vrijen tijd

winnen om wonderdadige en verbazingwekkende dingen uit te denken tot hun

eigen verheuging en die van al de anderen. Er zullen groote

stapelplaatsen van kracht zijn in elke stad, voor elk uur waarop men

kracht noodig heeft, en deze kracht zal de mensch omzetten in warmte,

licht of beweging, overeenkomstig zijn behoeften. Luidt dit utopisch? Een

wereldkaart die Utopia niet in zich sluit, is het bekijken niet waard,

want zij laat het eenige land weg, waar de menschheid telkens weêr landt.

En na de landing kijkt men weder uit, en ziet weer een beter land en gaat

daarheen onder zeil. De vooruitgang is de bemachtiging van het éene

Utopia na het andere. Zooals ik dan gezegd heb, zal de gemeenschap door

middel van een georganiseerden machinedienst gebruiksartikelen leveren,

en zullen de schoone dingen gemaakt worden door het individu. Dit is

behalve de noodzakelijke, tevens ook de eenig mogelijke weg om aan beide

of van éen van beide te geraken. Een individu dat dingen te maken krijgt

voor het gebruik van anderen en op dezer behoeften en wenschen te letten

heeft, kan zijn werk niet vervullen met die belangstelling waardoor hij

het beste dat hij in zich heeft in zijn werk leggen kan. Zoo vaak, aan

den anderen kant, een gemeenschap of een machtig deel daarvan of een of

andere regeering aan den kunstenaar tracht voor te schrijven wat hij te

doen heeft, dan gaat de kunst of geheel teloor, of verstart in vormen, of

ontaardt tot een lagen en onedelen vorm van handwerk. Een kunstwerk is

een op zich-zelf eenige uitkomst van een op zichzelf eenigen

gemoedsaanleg. Zijn schoonheid komt voort uit het feit, dat zijn maker is

wat hij is. Het heeft niets te maken met het feit dat andere menschen

behoeven wat zij behoeven. Van het oogenblik af dat een kunstenaar gaat

letten op wat andere menschen behoeven, en de navraag tracht tegemoet te

komen, houdt hij feitelijk op kunstenaar te zijn, en wordt een vervelend

of vermakelijk handwerksman, een eerlijk of een oneerlijk koopman. Hij

verliest zijn recht als kunstenaar te worden aangemerkt. De kunst is de

meest felle uitingswijze van het individualisme die de wereld tot nu

beleefd heeft, bijna zoû ik zeggen: de eenige wezenlijke uitingswijze. De

misdaad, die onder bepaalde omstandigheden een schijn van

individualistisch scheppingsvermogen vertoont, moet kennis nemen van

anderen en zich met hen bemoeien. Zij behoort tot de sfeer der handeling.

Maar alleen, buiten verband met zijn buren, zonder zich met iemand in te

laten, kan de kunstenaar schoonheid beelden; als hij het niet uitsluitend

voor zijn eigen genot doet, is hij volstrekt geen kunstenaar.

Het verdient de aandacht dat de kunst juist zulk een felle vorm van

individualisme is, dat het publiek niet na kan laten te beproeven een

gezag over haar uit te oefenen, dat even onzedelijk als belachelijk is,

en even verderfelijk als verachtelijk. Het is niet geheel de schuld van

het publiek. Men heeft het publiek steeds in alle eeuwen slecht opgevoed.

Het vraagt voortdurend van de kunst populair te zijn, zijn gebrek aan

smaak te streelen, zijn ongerijmde ijdelheid te vleien, het te vertellen

wat het al duizendmaal gehoord heeft, het te vertoonen wat het al lang

moede behoorde te zijn om te zien, het te vermaken wanneer het zich

bezwaard gevoelt door een te rijkelijk maal, zijn gedachten te

verstrooien als het beu is van zijn eigen stompzinnigheid. Maar de kunst

behoort nooit naar populariteit te streven. Het publiek behoort te

trachten zelf kunstzinnig te worden. Dat maakt een groot verschil. Indien

men een wetenschappelijk man zoû aanzeggen dat de uitkomsten zijner

onderzoekingen en de gevolgtrekkingen waar hij toe komt, van dien aard

behoorden te zijn, dat zij de eenmaal aangenomen volksbegrippen

dienaangaande niet zoûden omverwerpen, of het volksvooroordeel niet

aantasten, of de gevoeligheden niet kwetsen van menschen die niets van de

wetenschap afwisten; of indien men bij een wijsgeer met het verhaal

aankwam dat hij volkomen vrijheid had in de hoogste sferen der gedachte

zijn stelselen op te bouwen, op voorwaarde dat hij tot dezelfde

uitkomsten geraken zoû als die gelden bij hen die nooit in eenige sfeer

hebben nagedacht, dan geloof ik dat tegenwoordig de man der wetenschap en

de wijsgeer daar hartelijk om zoûden lachen. Toch is het nog niet eens

zooveel jaren geleden dat zoowel wijsbegeerte als wetenschap onderworpen

waren aan een bruut-optredend toezicht van het publiek, met andere

woorden aan gezag: gezag van de heerschende onwetendheid der gemeenschap,

gezag van de vrees en machtzucht van een of andere kerkelijke of

regeerende klasse. Als elk weet, zijn wij thans grootendeels gevrijwaard

voor elken aanslag van de zijde van gemeenschap, kerk of regeering om het

individualisme der speculatieve gedachte te hinderen, maar de zucht om

het individualisme der verbeeldingskrachtige kunst te dwarsboomen hangt

nog steeds in de lucht. Of liever, zij gaat verder, zij treedt aanvallend,

beleedigend en bruut-hinderlijk op.

Individualisme en socialisme · 第 1 / 3 段