en de erkenning daarvan zijn ook hier noodlottig. Thackeray's "Esmond" is
een schoon kunstwerk, omdat hij het boek schreef voor zijn eigen genoegen.
In zijn andere romans, in "Pendennis," in "Philip," zelfs in "Vanity
Fair," is hij zich bijwijlen te zeer bewust van zijn publiek, en bederft
zijn werk door zich onmiddellijk te richten tot de sympathieën zijner
lezers of door onmiddellijk met hen den draak te steken. Een waarachtig
kunstenaar neemt volstrekt geen notitie van het publiek. Het publiek
bestaat voor hem niet. Hij heeft geen opium- of honingkoekjes bij de hand
om een monster in slaap of zoet te houden. Hij laat dat aan den
populairen romanschrijver. Eén onvergelijkelijken romanschrijver hebben
wij op het oogenblik in Engeland, George Meredith. Er zijn in Frankrijk
mogelijk beter artisten, maar Frankrijk bezit er geen wiens blik op het
leven zoo breed, zoo afwisselend, zoo verbeeldend waarachtig is. Er zijn
in Rusland vertellers die een levendiger zin hebben voor levensleed als
grondstof ter verbeelding. Maar aan hem behoort de tot verbeelding
geworden wijsbegeerte. Zijn menschen leven niet alleen, zij leven in en
door de gedachte. Men kan hen zien van myriaden kanten. Zij zijn vol
levenswerking. Daar is ziel in hen en om hen. Zij zijn tolken en symbolen.
En hij die hen geschapen heeft, deze wonderbaarlijke snelbewegende
verschijningen, maakte ze voor zijn eigen genot en heeft nooit het
publiek gevraagd wat het wenschte, heeft nooit de moeite gedaan
daarachter te komen, heeft nooit het publiek toegestaan hem iets voor te
schrijven of eenigen invloed op hem uit te oefenen, maar is steeds
voortgegaan zijn eigen persoonlijkheid te verkrachtigen en zijn eigen
individueel werk voort te brengen. Eerst kwam niemand tot hem. Dat maakte
niets uit. Toen kwamen de weinigen. Dat bracht geen verandering. Nu zijn
de velen gekomen. Hij is nog altijd dezelfde. Hij is een onvergelijkelijk
romankunstenaar.
Met de sierkunsten is het evenzoo gegaan. Het groote publiek klemde zich
met waarlijk aandoenlijke vasthoudendheid aan wat men zoû kunnen noemen
de onvervalschte overleveringen van de wereldtentoonstelling van
internationale smakeloosheid, met een zoo ontstellend gevolg dat de
huizen waarin de menschen leefden, enkel voor blinden bewoonbaar waren.
Maar op een goeden dag begonnen er mooie dingen gemaakt te worden, mooie
tinten verschenen uit de handen van den verver, mooie patronen uit de
scheppende verbeelding der kunstenaars, en de aanwending van het schoone
voorwerp in zijn waarde en levensbelangrijkheid nam een aanvang. Het
groote publiek was in hooge mate gebelgd. De menschen maakten zich kwaad.
Zij zeiden onwijze dingen. Niemand lette er op. Niemand voelde zich maar
eenigszins uit het veld geslagen. Niemand aanvaardde het gezag der
openbare meening. En op het oogenlik is het zoo goed als onmogelijk
eenige moderne woning binnen te komen zonder in zekere mate de erkenning
gewaar te worden van den goeden smaak, van de waarde eener aangename
omgeving, een of ander teeken van de waardeering der schoonheid. In éen
woord, de woningen der menschen zijn in den laatsten tijd over 't
algemeen alleszins bekoorlijk. De menschen hebben zich een heel eind
laten opvoeden. Toch moet men om eerlijk te zijn verklaren, dat het
buitengewone slagen der omwenteling in huisversiering, meubileering en
wat daarbij behoort, in den grond niet te danken is aan de meerderheid
van het publiek dat een bijzonder goeden smaak in dergelijke zaken zoû
ontwikkeld hebben. Wij danken het in hoofdzaak aan het feit dat de
vervaardigers van gebruiksvoorwerpen zoo zeer het genot waardeerden van
iets schoons te maken, en tot een zoo felle bewustheid ontwaakten van de
leelijkheid en platheid van wat het publiek hun vóor dien tijd te leveren
vroeg, dat zij zijn smakeloosheid eenvoudig uithongerden. Het zoû op het
oogenblik niet mogelijk blijken een vertrek te meubelen zooals dat enkele
jaren terug geschiedde, zonder voor het minste ding naar een uitverkoop
te gaan van tweedehands-meubelen, afkomstig uit een of ander derderangsch
pension. Zulke zaken worden niet meer vervaardigd. Al hebben zij er nog
zooveel op tegen, de menschen zijn tegenwoordig gedwongen iets
bekoorlijks in hun omgeving te hebben. Tot hun geluk is hun aanmatiging
van gezag op dit kunstterrein op een volslagen fiasco uitgeloopen.
Het is dus klaarblijkelijk dat alle gezag op dergelijk gebied slecht is.
De menschen vragen iemand wel eens welke regeeringsvorm aanpassend is
voor een kunstenaar om onder te leven. Op deze vraag is maar éen antwoord.
De regeeringsvorm die het best aanpassend is voor den kunstenaar, is
volstrekt geen regeering. Gezagsoefening over hem en zijn kunst is
belachelijk. Men heeft wel beweerd dat kunstenaars juist onder het bewind
van despoten verrukkelijk werk hebben voortgebracht. Dat is geen zuivere
bewering. Kunstenaars hebben despoten wel bezocht, niet als onderdanen,
over wie dezen geweld oefenden, maar als rondreizende scheppers van
wonderen, als vagebonden van een betooverende persoonlijkheid, die zij
onthaalden en voor zich trachtten te winnen en wien zij ongestoorde rust
bezorgden om te kunnen scheppen. Ten gunste van den despoot kan men
aanvoeren dat hij een individu is en dus cultuur kan bezitten, terwijl de
menigte een monster zonder is. Iemand die keizer of koning is, kan zich
bukken om een penseel op te rapen voor een schilder, maar wanneer de
menigte neêrbukt is het enkel om met vuil te gooien. En toch behoeft zij
zich niet zoo diep te bukken als een keizer, of liever, om met vuil te
gooien behoeven zij zich heelemaal niet te bukken. Maar het is niet
noodig scheiding te maken tusschen alleenheerscher en menigte: alle gezag
is gelijkelijk slecht.
Ik onderscheid drie soorten despoten: den despoot die den baas speelt
over het lichaam, den despoot die den baas speelt over de ziel, en den
despoot die over ziel en lichaam den baas wil spelen. De eerste heet
vorst, de tweede paus, de derde het volk. De vorst kan beschaving hebben.
Daar zijn vele voorbeelden van geweest. Toch schuilt er gevaar in den
vorst. Denk aan Dante en het bittere feest in Verona, aan Tasso en de
krankzinnigencel in Ferrara. Het is beter voor den kunstenaar niet met
vorsten te doen te hebben. Een paus kan een man van beschaving zijn. Veel
pausen bewijzen het, de slechte pausen waren het zeker. De slechte pausen
beminden de schoonheid bijna even hartstochtelijk, ja met even veel
hartstocht, als de goede pausen de gedachte haatten. Aan de verdorvenheid
van verscheiden pausen is het menschdom veel verschuldigd. De
deugdelijkheid van vele pausen is tegenover het menschdom schrikkelijk in
schuld gebleven. Al heeft het Vaticaan enkel de rhetoriek van zijn
donderslagen behouden en zijn bliksemschichten prijs moeten geven, toch
is het beter voor den kunstenaar niet met pausen van doen te hebben. Wel
was het een paus, die tot een conclave van kardinalen van Cellini zeide,
dat gemeene wetten en gemeen gezag niet bedoeld waren voor menschen als
hij, maar het was ook een paus, die denzelfden Cellini in de gevangenis
wierp en hem daar hield tot hij ziek werd van machtelooze woede, en zich
onwezenlijke vizioenen schiep, en droomde dat de gulden zon binnenkwam in
zijn cel, en zoo verliefd op haar werd dat hij trachtte te ontsnappen en
kroop van ringmuur naar ringmuur, en viel door de duizelige morgenlucht
en zich verminkte, en na vele avonturen weêr gevangen genomen werd,
totdat het eindelijk aan een beminnaar der schoonheid gelukte hem te
bevrijden en in zijn hoede te nemen. Daar schuilt gevaar in pausen. En
wat zal ik zeggen van het volk en zijn gezag? Daar is misschien al meer
over gezegd dan goed is. Volksgezag is blind, doof, wanschapen,
noodlottig, vermakelijk, aandoenlijk en liederlijk tegelijkertijd. Het is
den kunstenaar onmogelijk met het volk te leven. Alle despoten doen aan
omkooperij, maar het volk koopt om en schent meteen. Wie leerde hun gezag
te willen oefenen? Zij waren geschapen om te leven, te luisteren en lief
te hebben. De een of ander heeft hun groot kwaad berokkend. Zij hebben
zich-zelf verdorven door hun minderen na te apen. Zij hebben den staf van
den vorst genomen. Hoe zoûden zij daarmeê kunnen omgaan? Zij hebben de
drievoudige tiara van den paus genomen. Hoe zoûden zij haar last kunnen
torsen? Zij zijn als een clown met een gebroken hart. Als een priester
met een nog ongeboren ziel. Laat al wie de schoonheid beminnen,
medelijden met hen hebben. En hoewel zij zelf de schoonheid niet beminnen,
laat hen medelijden hebben met zich-zelven. Wie onderwees hun het
spelletje der tyrannie?
Daar zijn nog veel andere feiten waarop ik de aandacht zoû kunnen
vestigen. Ik zoû kunnen betoogen hoe de Renaissance groot was, omdat zij
niet naar de oplossing van eenig maatschappelijk vraagstuk streefde en
zich met dergelijke zaken niet afgaf, maar toeliet dat het individu zich
vrij, schoon en natuurlijk ontwikkelde, en dat zij daarom groote en
individueele kunstenaars bezat en groote en individueele mannen. Ik zoû
kunnen nagaan hoe Lodewijk XIV door het scheppen van den modernen staat
het individualisme der kunstenaars verwoestte, en alle dingen monsterlijk
leelijk maakte onder de eentonigheid der herhaling, en verachtelijk in
hun gelijkvormigheid aan voorschriften, en overal in Frankrijk
vernietigde al die schoone vrijheden van uiting, die tot nog toe de
overlevering verjongden met nieuwe schoonheid, en nieuwe levenswijzen
vereenzelvigden met overoude vormen. Maar het verleden is van geen belang.
Evenmin als het heden. Met de toekomst hebben wij te doen. Want het
verleden is wat de mensch niet had moeten zijn. Het heden is wat de
mensch niet behoort te zijn. De toekomst is wat kunstenaars zijn.
Men zal natuurlijk zeggen dat zulk een plan als hier is opgezet, volkomen
onuitvoerbaar is en in strijd met de menschelijke natuur. Dat is volmaakt
waar. Het is onuitvoerbaar en in strijd met de menschelijke natuur. Juist
daarom verdient het uitgevoerd te worden, en daarom juist wordt het
voorgesteld. Want wat is een uitvoerbaar plan? Òf een plan dat reeds
verwezenlijkt is, òf een dat zoû kunnen verwezenlijkt worden onder de
bestaande toestanden. Maar het zijn juist de bestaande toestanden waar
men tegen opkomt, en elk plan dat deze toestanden zoû kunnen aanvaarden,
is verkeerd en dwaas. De toestanden zullen worden uit den weg geruimd, en
de menschelijke natuur zal zich wijzigen. Want het eenige ding dat wij in
werkelijkheid van de menschelijke natuur weten, is dat zij zich steeds
wijzigt. Verandering is de eenige eigenschap die wij haar kunnen
toekennen. De stelsels die mislukken, zijn degenen die op de
standvastigheid der menschelijke natuur bouwen, en niet op haar groei en
ontwikkeling. De dwaling van Lodewijk XIV was dat hij meende dat de
menschelijke natuur steeds dezelfde zoû blijven. Het gevolg van zijn
dwaling was de Fransche Revolutie. Het was een bewonderenswaardig gevolg.
Alle gevolgen van regeeringsfouten zijn bij uitstek bewonderenswaardig.
Het verdient de aandacht dat het individualisme niet tot den mensch komt
met eenig ziekelijk geleuter over plichtsbetrachting, wat niet veel
anders bedoelt dan dat men doen zal wat anderen graag hebben omdat het in
hun kraam te pas komt, of eenig weêrzinwekkend gekwezel over
zelfopoffering, wat niet meer is dan een overleefsel van de
zelfverminking der wilden. Het stelt inderdaad geen enkelen eisch aan den
mensch. Het komt natuurlijk en onvermijdelijk uit den mensch zelf voort.
Het is het punt waar alle ontwikkeling heenstreeft. Het is de
verschilsontplooiing waarheen alle organismen groeien. Het is de
vervolmaking die eiken vorm van leven is ingeboren, en waarheen elke vorm
van leven opdringt. Daarom oefent het individualisme geen dwang op den
mensch. Integendeel, het zegt den mensch dat hij niet behoort te dulden
dat eenige dwang over hem wordt geoefend. Het tracht de menschen niet te
dwingen goed te zijn. Het weet dat de menschen goed zijn wanneer men hen
ongemoeid laat. De mensch zal het individualisme uit zich-zelf
ontwikkelen. Hij is er nu al mede bezig. De vraag of het individualisme
practisch mogelijk is, staat gelijk met de vraag of de evolutie der
menschen dat is. De evolutie is de levenswet, en daar is geen evolutie
dan in de richting van het individualisme. Waar dit streven niet tot
uiting komt, staat men voor een geval van kunstmatig tegengehouden groei,
of ziekte, of dood.
Het nieuwe individualisme zal ook onzelfzuchtig zijn en het tegendeel van
gemaakt of gekunsteld. Ik heb er al op gewezen, dat éen der gevolgen van
de bovenmatige tyrannie van het gezag is dat woorden en benamingen
volkomen ontwricht zijn uit hun eigenlijke eenvoudige bedoeling en
gebruikt worden om het tegendeel uit te drukken van hun juiste beteekenis.
Wat geldt voor de kunst, geldt ook voor het leven. Men noemt bijvoorbeeld
iemand opzettelijk gemaakt, als hij zich kleedt naar zijn eigen voorkeur.
Maar door zoo te doen handelt hij juist volkomen natuurlijk. Gemaaktheid
op dat gebied bestaat in het zich kleeden naar de inzichten van zijn
buurman, welke, als die der meerderheid, waarschijnlijk uiterst dom
zullen zijn. Een anderen keer noemt men iemand zelfzuchtig als hij leeft
op de wijze die hem meest gepast voorkomt voor de volle verwezenlijking
van zijn eigen persoonlijkheid, aangenomen dat zelfontwikkeling het
hoofddoel van zijn leven is. Maar op deze wijze behoorde juist iedereen
te leven. Zelfzuchtigheid is niet zelf te leven zooals men dat begeert,
het is veeleer van anderen vragen dat zij leven zullen zooals wij dat
begeeren. En onzelfzuchtigheid bestaat in het ongemoeid laten van de
levens van anderen door anderen niet te bedillen. Zelfzuchtigheid heeft
steeds het doel een volstrekte eenvormigheid van typos om zich in 't
leven te roepen. Onzelfzuchtigheid erkent de oneindige verscheidenheid
van typos als een heuchelijke vondst, aanvaardt haar en geniet haar. Het
is niet zelfzuchtig voor zich-zelf te denken. Iemand die niet voor zich
denkt, denkt heelemaal niet. Het is grof zelfzuchtig om van zijn buurman
te eischen dat hij op onze wijze zoû denken en dezelfde meeningen zoû
hebben als wij. Waarom zoû hij? Als hij tot denken in staat is, zal hij
waarschijnlijk anders denken. Als hij daar niet toe in staat is, is het
een monsterlijke eisch gedachte van welken aard ook van hem te vragen.
Een roode roos is niet zelfzuchtig doordat zij een roode roos begeert te
zijn. Zij zoû schrikkelijk zelfzuchtig zijn indien zij begeerde dat al de
andere bloemen in den tuin rood en rozen waren. Onder het individualisme
zullen de menschen volkomen natuurlijk zijn en volstrekt onzelfzuchtig,
en zullen de bedoelingen der woorden weten en die in hun vrije schoone
leven verwerkelijken. Ook zullen de menschen niet egoïstisch zijn zooals
nu. Want de egoïst is de man die eischen aan anderen stelt, en de
individualist zal dat niet begeeren. Hij zal er geen genot in vinden. Als
de mensch het individualisme zal behaald hebben, zal hij ook het
medegevoel behalen en het vrij en spontaan te pas brengen. Tot op het
oogenblik heeft de mensch het medegevoel nauwelijks ook maar beoefend.
Hij heeft enkel medegevoel met leed, d.i. niet den hoogsten vorm van
medegevoel. Alle medegevoel is schoon, maar medegevoel met lijden is de
minst schoone uiting. Zij wordt ontsierd door egoïsme. Zij heeft neiging
om ziekelijk te worden. Er is een bepaald bestanddeel van vrees voor onze
eigen veiligheid in. Wij worden bang dat wij zelf als de melaatsche of de
blinde zoûden kunnen zijn en dat niemand dan voor ons zorgen zoû. Dit
medegevoel is ook eigenaardig beperkend. Men behoorde medegevoel te
hebben met de algeheelheid des levens, niet enkel met 's levens zeere en
zieke plekken, maar met zijn vreugde en schoonheid en geestkracht en
gezondheid en vrijheid. Hoe ruimer het medegevoel, hoe moeilijker het
natuurlijk wordt. Het eischt hoe langer hoe meer onzelfzuchtigheid. De
eerste de beste kan medegevoel hebben met de ongelukken van zijn vriend,
maar men moet een bijzonder mooien aanleg hebben--den aanleg inderdaad
van een waarachtig individualist--om mede te voelen met zijns vriends
welslagen.
In de overspanning van den modernen wedijver en den worstelstrijd om zich
een plaats te verzekeren is zulk medegevoel van-zelf zeldzaam, en wordt
ook zeer vaak verstikt door het onzedelijk streven naar eenvormigheid van
typos en gelijkvormigheid met den regel, dat overal zoo zeer de bovenhand
heeft en misschien in Engeland meer kwaad sticht dan ergens anders.
Medegevoel met leed zal er natuurlijk altijd zijn. Het is een der eerste
instincten van den mensch. De dieren die individualiteit vertoonen, de
hooger aangelegde dieren, hebben het met ons gemeen. Maar men moest
bedenken dat, terwijl medegevoel met vreugd de som van vreugde op de
wereld verhoogt, medegevoel met leed in werkelijkheid de hoeveelheid leed
niet vermindert. Mogelijk maakt het den mensch beter in staat het euvel
te verduren, maar het euvel blijft. Medegevoel met tering geneest de
tering niet; dat moet de wetenschap doen. En wanneer het socialisme het
vraagstuk der armoede zal hebben opgelost, en de wetenschap dat der
lichamelijke kwalen, zal het gebied der sentimenteele philanthropie hoe
langer hoe meer inkrimpen, en het medegevoel van den mensch zal wijd,
gezond en spontaan zijn. De mensch zal zijn vreugde vinden in de
aanschouwing van het vreugdevolle leven van anderen.
Want door vreugde zal het individualisme van de toekomst zich ontwikkelen.
Christus deed geen poging om de maatschappij herop te bouwen, en
dientengevolge kon het individualisme dat hij aan den mensch predikte,
slechts door leed en door eenzaamheid worden verwezenlijkt. De idealen
die wij aan Christus danken, zijn de idealen van den mensch die de
maatschappij den rug toedraait, of den mensch die met de maatschappij in
beslisten strijd leeft. Doch de mensch is van nature maatschappelijk.
Zelfs de Thebaïde werd ten slotte bevolkt. En hoewel de kloosterling zijn
persoonlijkheid kon verwezenlijken, werd het vaak een verarmde
persoonlijkheid. Toch oefent de verschrikkelijke waarheid dat het leed
een middel is waardoor de mensch zich-zelf verwezenlijken kan, nog altijd
een wonderbaarlijke bekoring over de wereld. Oppervlakkige redenaars en
oppervlakkige denkers op kansels en spreekgestoelten praten vaak over de
aanbidding van het genot door de wereld en gaan daar huilend tegen te
keer. Maar zeldzaam is het in de wereldgeschiedenis, dat het wereldideaal
er een van vreugde en schoonheid is geweest. De aanbidding van het leed
heeft veel vaker de wereld beheerscht. De geest der middeleeuwen, met
zijn heiligen en martelaren, zijn liefde voor zelfkastijding, zijn wilden
hartstocht voor zelfverwonding, zijn messteken en geeselslagen, is de
ware geest van het Christendom; de middeleeuwsche Christus is de
waarachtige Christus. Toen de Renaissance opging over de wereld en haar
nieuwe idealen medebracht van levensschoonheid en levensvreugde, konden
de menschen Christus niet meer begrijpen. Zelfs de kunst bewijst ons dit.
De schilders der Renaissance stelden Christus voor als een kleinen knaap,
spelende met een anderen knaap in een paleis of een tuin, of achterover
in zijn moeders armen, glimlachende naar haar of naar een bloem of naar
een glanzenden vogel, of als een edele statige gestalte die zich op edele
wijze beweegt door de wereld, of als een wonderbaarlijke gedaante in een
soort extase uit den dood verrijzend tot het leven. Zelfs als zij hem aan
het kruis maakten, gaven zij hem als een schoonen God wien door booze
menschen leed wordt aangedaan. Maar hij nam hen niet volledig in beslag.
Wat hen verrukte was de mannen en vrouwen te schilderen, die zij
bewonderden, en de liefelijkheid dezer liefelijke aarde aan den dag te
heffen. Zij schilderden vele religieuze onderwerpen, eigenlijk veel te
veel, en de eentonigheid der typen en motieven is vermoeiend, en schaadde
de kunst. Het was het gevolg van het gezag van het algemeen op
kunstgebied, en is zeker te betreuren. Maar hun ziel was niet in het
onderwerp. Rafaël was een groot kunstenaar toen hij het portret van den
Paus schilderde. Wanneer hij zijn Madonna's en Christuskinderen schildert,
is hij verre van een groot kunstenaar. Christus' boodschap was niet voor
de Renaissance, welke bewonderenswaardig was omdat zij een ideaal bracht
verschillend van het zijne, en om den werkelijken Christus voorgesteld te
vinden moeten wij tot de middeleeuwsche kunst gaan. Daar is hij een die
gekneusd is en geschonden, een die niet lieflijk is om aan te zien, omdat
schoonheid een vreugde is, een die niet gaat in heerlijke kleedij, omdat
ook dat een vreugde wezen kan--hij is een bedelaar met een
wonderbaarlijke ziel, een melaatsche wiens innerlijk wezen goddelijk is,
eigendom en gezondheid zijn dingen die hij niet behoeft, hij is een God
die zijn vervolmaking verwezenlijkt door lijden.
De evolutie der menschen gaat langzaam; de ongerechtigheid der menschen
is groot. Het was noodwendig dat leed op den voorgrond werd gesteld als
een wijze van zelfverwezenlijking. Zelfs nu nog is in sommige streken der
wereld Christus' boodschap onmisbaar. Niemand die in het huidige Rusland
zoû leven, kan bij mogelijkheid zijn vervolmaking tot stand brengen dan
door leed. Enkele Russische kunstenaars hebben zichzelf in de kunst
verwezenlijkt, in een verbeeldingskunst die middeleeuwsch van karakter is,
omdat de hoofdtoon de verwezenlijking der menschen is door lijden. Maar
voor wie geen kunstenaars zijn en voor wie dus geen levensvorm bestaat
buiten het leven van den dag, is leed de eenige deur ter vervolmaking.
Een Rus die gelukkig zoû leven onder het huidige regeeringsstelsel in
Rusland, moet òf niet gelooven in het bestaan eener menschelijke ziel, òf
als hij dat wel doet, overtuigd zijn dat zij niet waard is ontwikkeld te
worden. Een nihilist die alle gezag verwerpt, omdat hij weet dat gezag
slecht is, en alle leed welkom heet, omdat hij daardoor zijn
persoonlijkheid verwezenlijkt, is een waarachtig Christen. Voor hem is
het Christelijk ideaal waar en levend.
En toch kwam Christus niet in opstand tegen het gezag. Hij aanvaardde het
keizerlijk gezag van het Romeinsche Rijk en betaalde schatting. Hij
duldde het kerkelijk gezag der Joden, en wilde zijn gewelddadigheid door
geen enkele gewelddadigheid van zijn zijde weren. Hij had, zooals ik al
zeide, geen vastgesteld plan ter wederopbouwing der maatschappij. Maar de
moderne wereld heeft dat wel. Zij stelt zich voor de armoede af te
schaffen en het lijden dat uit armoede voortkomt. Zij verlangt zich te
bevrijden van lichamelijk leed en het lijden dat daarvan gevolg is. Zij
vertrouwt op het socialisme en de wetenschap als haar methoden. Haar doel
is een individualisme dat zijn uitdrukking vindt door vreugde. Dit
individualisme zal ruimer zijn, vollediger en liefelijker dan eenig
individualisme ooit geweest is. Leed is niet de opperste wijze van
vervolmaking. Het is enkel een voorloopig verzet. Het houdt verband met
ongewenschte, ongezonde, onrechtmatige levensomgevingen. Als het ongelijk
en het physieke lijden en de onrechtvaardigheid zal weggenomen zijn, zal
er voor het leed geen plaats overblijven. Het is een groot werk geweest,
maar het is vrij wel voorbij. Zijn sfeer neemt af van dag tot dag.
Ook zal de mensch het niet missen. Want wat de mensch gezocht heeft, is
in werkelijkheid noch leed noch genot, maar eenvoudig het leven. De
mensch heeft gezocht intens, volledig en volmaakt te leven. Wanneer hij
dat zal kunnen doen zonder anderen aan banden te leggen en zonder die te
dulden, zal hij gezonder zijn van geest en lichaam, meer beschaafd, meer
zich-zelf. Vreugde is de proef der natuur, haar teeken van goedkeuring.
Wanneer de mensch gelukkig is, is hij in harmonie met zich-zelf en zijn
omgeving. Het nieuwe individualisme in welks dienst het socialisme, of
het dat begeert of niet, aan het werk is, zal volmaakte harmonie zijn.
Het zal datgene zijn wat de Grieken zochten, maar niet volledig konden
verwezenlijken behalve in de gedachte, omdat zij slaven hielden en hun te
eten gaven; wat de Renaissance zocht, maar niet volledig kon
verwezenlijken behalve in de kunst, omdat zij slaven hielden en hen
lieten verhongeren. Het zal volledig zijn, en elk mensch zal er zijn
vervolmaking door bereiken. Het nieuwe individualisme is het nieuwe
Hellenisme.
[Voetnoot 1: Joseph de Veuster (1840--1889), geboren te Tremeloo bij
Leuven, missionaris op de eilanden in den Grooten Oceaan. Hij sticht een
nederzetting voor melaatschen op Molokai (1873); wordt zelf melaatsch
(1885).]