II.

Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal

genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier

dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd

weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf

onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem

scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te

storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi

met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe

was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één

spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, die hem gedaan werden

over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat

er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te

laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was

en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten.

"Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul," zeide zij tegen den dichter;

"zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust

haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door

achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn,

want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de

schermschool bezocht."

"Zoo!" antwoordde Rodolphe; "zij kan rustig slapen; ik heb heelemaal

geen lust azijn in het suikerwater van haar wittebroodsweken te

gieten. En wat haar jeugdigen minnaar betreft, die kan gerust zijn

degen aan den spijker laten hangen evenals Gastibelza, den man met

den karabijn. [46]"

Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede

haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant

verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden:

"Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!"

Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die

plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van

droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste

stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. De

vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo

langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij

nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze

onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts,

zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe's hart

ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had

liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te

vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan

dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied

waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang

geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden,

bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier

dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn

vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna

gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls

ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij

herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen

van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten.

Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn

echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve

gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen.

"Zoo, ben jij daar!" zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand

toestak en hem nieuwsgierig opnam.

Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij

hem wat moed te moeten inspreken:

"Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn,

maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En

binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!"

"Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?" zeide Rodolphe;

"ik ben niet ziek."

"Kom," antwoordde de ander, "houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken

de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch

op je gezicht kunnen lezen."

"Pas op, kerel, je vergist je!" zeide Rodolphe; "weliswaar ben ik

vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft,

sla je de plank heelemaal mis."

"Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel

natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je

niet zoo maar zonder kleerscheuren af."

"Dat zeggen jullie allemaal!" zeide Rodolphe ongeduldig; "maar jullie

hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en

zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen

maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen

en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land."

"Grappenmaker, grappenmaker!" zeide de ander lachend.

"Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar

mijn redeneering."

"Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo'n bedroefd

gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd

heeft. Ga je gang, en laat eens hooren."

"Je weet toch," zeide Rodolphe, "dat kleine oorzaken groote gevolgen

kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen

en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp

je het nu?"

"Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende

motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat

..... kort en goed, je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te

willen spelden. Dat is mijn meening."

"Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het

land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje

misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want

het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: "Ik zal het een

anderen keer wel inhalen!" Maar om kort te gaan, ik had vanavond een

rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis,

vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben,

als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel,

al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven,

een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok,

mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus

kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje

niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar

mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander

gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of

een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit,

alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk."

"Nou goed dan," zeide de vriend. "Derhalve ben je nauwelijks met je

eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe;

maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het

toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen."

"Dat deed ik ook," antwoordde Rodolphe.

"Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het

stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij,

dat je niet op haar wacht?"

"Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij

genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna

buren, toch zijn we even ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich

aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn

vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en

neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel

van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve

Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de

hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer

dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn

oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben,

die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal,

want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan,

en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het

eens zijn."

"Ben je dus werkelijk alweer verliefd?" vroeg de dichter.

"Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur," antwoordde Rodolphe; "mijn

hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de

bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang

ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien

prettig om te bewonen en pas gerepareerd."

"En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?"

"Laat ik het je regelmatig vertellen," zeide Rodolphe. "Toen Mimi

me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van

mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst,

dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt

gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer

goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood,

dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die

gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele

van mijn intieme vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd

gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals."

"En waarom heb je mij niet gevraagd?"

"Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je

troont, niet."

"Nou enfin, vertel maar verder!"

"Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort

geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel

goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn

geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden

van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven,

en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige

rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: "Integendeel, ik drink op

zijn voortdurende gezondheid!" En bij die woorden wierp zij mij een

blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en

hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast

uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding

begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?"

"Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?"

"Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons

contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige

menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb,

maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik

wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de

gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van

het lichaam is, zal medebrengen."

"Is zij knap?"

"Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij

zich 's ochtends met het palet van Watteau schminkt.

Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument

l'incendie aux quatre coins des coeurs.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 65 / 77 题