Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal
genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier
dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd
weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf
onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem
scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te
storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi
met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe
was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één
spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, die hem gedaan werden
over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat
er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te
laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was
en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten.
"Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul," zeide zij tegen den dichter;
"zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust
haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door
achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn,
want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de
schermschool bezocht."
"Zoo!" antwoordde Rodolphe; "zij kan rustig slapen; ik heb heelemaal
geen lust azijn in het suikerwater van haar wittebroodsweken te
gieten. En wat haar jeugdigen minnaar betreft, die kan gerust zijn
degen aan den spijker laten hangen evenals Gastibelza, den man met
den karabijn. [46]"
Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede
haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant
verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden:
"Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!"
Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die
plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van
droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste
stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. De
vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo
langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij
nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze
onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts,
zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe's hart
ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had
liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te
vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan
dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied
waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang
geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden,
bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier
dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn
vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna
gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls
ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij
herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen
van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten.
Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn
echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve
gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen.
"Zoo, ben jij daar!" zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand
toestak en hem nieuwsgierig opnam.
Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij
hem wat moed te moeten inspreken:
"Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn,
maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En
binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!"
"Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?" zeide Rodolphe;
"ik ben niet ziek."
"Kom," antwoordde de ander, "houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken
de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch
op je gezicht kunnen lezen."
"Pas op, kerel, je vergist je!" zeide Rodolphe; "weliswaar ben ik
vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft,
sla je de plank heelemaal mis."
"Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel
natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je
niet zoo maar zonder kleerscheuren af."
"Dat zeggen jullie allemaal!" zeide Rodolphe ongeduldig; "maar jullie
hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en
zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen
maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen
en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land."
"Grappenmaker, grappenmaker!" zeide de ander lachend.
"Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar
mijn redeneering."
"Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo'n bedroefd
gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd
heeft. Ga je gang, en laat eens hooren."
"Je weet toch," zeide Rodolphe, "dat kleine oorzaken groote gevolgen
kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen
en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp
je het nu?"
"Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende
motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat
..... kort en goed, je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te
willen spelden. Dat is mijn meening."
"Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het
land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje
misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want
het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: "Ik zal het een
anderen keer wel inhalen!" Maar om kort te gaan, ik had vanavond een
rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis,
vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben,
als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel,
al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven,
een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok,
mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus
kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje
niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar
mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander
gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of
een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit,
alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk."
"Nou goed dan," zeide de vriend. "Derhalve ben je nauwelijks met je
eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe;
maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het
toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen."
"Dat deed ik ook," antwoordde Rodolphe.
"Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het
stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij,
dat je niet op haar wacht?"
"Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij
genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna
buren, toch zijn we even ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich
aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn
vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en
neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel
van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve
Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de
hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer
dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn
oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben,
die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal,
want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan,
en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het
eens zijn."
"Ben je dus werkelijk alweer verliefd?" vroeg de dichter.
"Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur," antwoordde Rodolphe; "mijn
hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de
bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang
ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien
prettig om te bewonen en pas gerepareerd."
"En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?"
"Laat ik het je regelmatig vertellen," zeide Rodolphe. "Toen Mimi
me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van
mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst,
dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt
gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer
goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood,
dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die
gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele
van mijn intieme vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd
gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals."
"En waarom heb je mij niet gevraagd?"
"Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je
troont, niet."
"Nou enfin, vertel maar verder!"
"Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort
geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel
goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn
geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden
van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven,
en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige
rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: "Integendeel, ik drink op
zijn voortdurende gezondheid!" En bij die woorden wierp zij mij een
blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en
hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast
uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding
begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?"
"Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?"
"Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons
contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige
menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb,
maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik
wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de
gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van
het lichaam is, zal medebrengen."
"Is zij knap?"
"Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij
zich 's ochtends met het palet van Watteau schminkt.
Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument
l'incendie aux quatre coins des coeurs.