Getuige het mijne!"

"Een blondine? Dat verwondert me van jou!"

"Ja ik heb genoeg van ivoor en ebbenhout, ik ga over tot de blondines."

En al luchtsprongen makend, begon Rodolphe te zingen:

"Et nous chanterons à la ronde,

Si, vous voulez,

Que je l'adore, et qu'elle est blonde

Comme les blés."

"Arme Mimi!" zeide de vriend; "zoo gauw vergeten!"

Deze naam deed Rodolphe's uitbundigheid dadelijk verstommen en gaf aan

het gesprek plotseling een andere wending. Rodolphe gaf zijn vriend

een arm en vertelde hem uitvoerig de oorzaken van zijn breuk met Mimi;

den angst, die zich van hem meester had gemaakt, toen zij hem had

verlaten; hoe ontroostbaar hij geweest was, omdat hij meende, dat zij

al zijn levenskracht en liefde met zich medegenomen had; en hoe hij

twee dagen later tot de ontdekking gekomen was, dat hij zich vergist

had, toen hij voelde, hoe het kruit van zijn hart, dat door zooveel

snikken en tranen nat geworden was, onder den eersten van jeugd en

hartstocht fonkelenden blik voor de eerste vrouw, die hij ontmoette,

weer warm geworden was, vuur had gevat en ontploft was. Hij schilderde

hem den plotselingen en geweldigen ommekeer, dien de vergetelheid,

zonder dat hij die te hulp had geroepen, in hem veroorzaakt had,

en hoe de smart in hem gestorven en in die vergetelheid begraven was.

"Is het geen wonder?" vroeg hij aan den dichter.

Doch deze, die alle smartelijke hoofdstukken van een ongelukkige

liefde uit eigen ervaring kende, antwoordde:

"Welneen, beste kerel, er gebeuren geen wonderen meer, noch voor jou

noch voor anderen. Wat jou nu overkomt is mij ook overkomen. Wanneer

de vrouwen, die wij liefhebben, onze maîtressen worden, houden zij

op voor ons te zijn wat zij in werkelijkheid zijn. Wij zien ze dan

niet alleen meer met de oogen van den minnaar, maar ook met die van

den dichter. Zooals de schilder om een ledepop het keizerlijke purper

of den met sterren bezaaiden sluier van een heilige jonkvrouw hangt,

hebben wij altijd magazijnen vol schitterende mantels en verblindend

witte gewaden, die we onverstandige, onbevallige of kwaadaardige

schepselen om de schouders werpen; en wanneer zij dan zoo gekleed

zijn in het kostuum, waarin onze ideale geliefden ons in het azuur

van onze droomen verschenen, dan laten wij ons door deze vermomming

om den tuin leiden. Wij belichamen onzen droom in de eerste de beste

vrouw, tegen wie wij onze taal spreken, en die ons niet begrijpt.

"En wanneer dan zoo'n schepsel, dat wij aanbidden en aan wiens voeten

wij nederknielen, zichzelf het goddelijk omhulsel, waaronder wij het

verborgen hadden, afrukt, om ons des te beter haar lage natuur en haar

gemeene instincten te laten zien; wanneer zoo'n vrouw onze hand op haar

hart legt, waarin niets meer klopt en misschien nooit iets geklopt

heeft; wanneer zij haar sluier wegslaat en ons haar doffe oogen,

haar bleeke lippen en haar verwelkte trekken zien laat, dan hullen

wij haar weer in dien sluier en roepen uit: "Gij liegt, gij liegt! Ik

heb je lief en gij hebt mij lief! Die witte boezem is het omhulsel

van een hart, dat nog in de volle kracht van zijn jeugd is; ik heb je

lief en gij hebt mij lief! Gij zijt mooi, gij zijt jong! Onder in al

je gebreken leeft nog de liefde. Ik heb je lief en gij hebt mij lief!

"Ten slotte echter--o, heelemaal ten slotte--bemerken wij, nadat wij

ons vergeefs een driedubbele blinddoek voor de oogen gebonden hebben,

dat wij zelfs de slachtoffers van onze dwalingen geworden zijn en

jagen wij de ellendige weg, die den dag tevoren nog onze afgod was

geweest; wij nemen dan den gouden sluier van onze poëzie terug, om

ze den volgenden dag weer te werpen over de schouders van een nieuwe

onbekende, die onmiddellijk haar plaats als stralenomkranst afgodsbeeld

inneemt. En zoo zijn wij allen--vreeselijke egoisten bovendien, die de

liefde liefhebben ter wille van de liefde; je begrijpt, wat ik bedoel;

en wij drinken dien goddelijken nektar uit het eerste het beste glas,

getrouw aan de spreuk:

"Qu'importe le flacon, pourvu qu'on ait l'ivresse!"

"Wat je daar zegt is even waar, als tweemaal twee vier is," zeide

Rodolphe tot den dichter.

"Ja," antwoordde deze, "het is waar en treurig, zooals bijna alle

waarheden. Bonsoir."

Twee dagen later hoorde mademoiselle Mimi, dat Rodolphe een nieuw

vriendinnetje had. Zij informeerde echter verder slechts naar één ding,

n.l. of hij haar even dikwijls de hand kuste als haarzelf vroeger.

"Even dikwijls!" antwoordde Marcel. "En bovendien kust hij ook haar

haren, het eene na het andere, en zij zullen zòò lang bij elkaar

blijven, tot hij ze alle gekust heeft."

"Hè!" antwoordde Mimi, terwijl ze met beide handen door haar haar

streek; "gelukkig maar, dat hij zich niet in zijn hoofd gehaald heeft

met mij hetzelfde te doen, anders waren we ons leven lang bij elkaar

gebleven. Geloof je overigens werkelijk, dat hij heelemaal niet meer

van me houdt?"

"Ach!.... En houdt jij nog van hem?"

"Ik heb nooit van hem gehouden!"

"Dat is wel waar, Mimi, je hebt van hem gehouden op het oogenblik,

dat het hart van een vrouw op zijn goede plaats zit. Je hebt van

hem gehouden--spreek dat niet tegen, want juist daarin ligt je

rechtvaardiging."

"Bah!" zeide Mimi; "hij houdt nu van een ander!"

"Dat is zoo!" zeide Marcel, "maar dat doet aan de andere zaak niets

af. Later zal de herinnering aan jou voor hem zijn als die bloemen,

welke men frisch en geurend tusschen de bladeren van een boek legt,

en die men veel, heel veel later terugvindt, verwelkt, verkleurd en

dood, maar toch nog altijd met een onbestemden geur van haar eerste

frischheid."

Op een avond, dat Mimi zacht een melodie neuriede, vroeg vicomte

Paul haar:

"Wat zing je daar, lieveling?"

"De lijkrede van onze liefde, die mijn vroegere minnaar Rodolphe

onlangs gedicht heeft."

En zij zong:

"Je n'ai plus le sou, ma chère, et le Code,

Dans un cas pareil, ordonne l'oubli;

Et sans pleurs, ainsi qu'une ancienne mode,

Tu vas m'oublier, n'est-ce pas, Mimi?

C'est égal, vois-tu, nous aurons, ma chère,

Sans compter les nuits, passé d'heureux jours,

Ils n'ont pas duré longtemps; mais qu' y faire?

Ce sont les plus beaux qui sont les plus courts."

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 66 / 77 题