I.

"Neen, neen, neen, ge zijt niet meer Lisette. Neen, neen, ge zijt

niet meer Mimi!

"Ge zijt nu mevrouw de vicomtesse, overmorgen zult ge misschien

mevrouw de hertogin zijn, want ge hebt den voet op den ladder, die tot

hoogheid leidt, bestegen; de deur van uw droomen heeft zich eindelijk

voor uw schreden geopend en overwinnend en triompheerend zijt gij

binnengetreden. Ik heb vooruit geweten, dat gij den een of anderen

nacht daarin slagen zoudt. Het moest trouwens zoo gaan: uw kleine,

blanke handjes waren voor niets doen geschapen en verlangden reeds

lang naar den ring van een aristocratische verbintenis. Eindelijk

hebt ge een blazoen! Maar wij zien toch nog altijd liever dat, hetwelk

de jeugd aan uw schoonheid gaf: uw bleek gelaat, welks leliënveld uw

blauwe oogen in vier kwartieren scheen te verdeelen. Doch edele vrouwe

of grisette, bekoorlijk zijt gij altijd; en ik herkende u dadelijk,

toen ge me onlangs op een avond op straat snel in uw mooie laarsjes

voorbij liept, terwijl uw gehandschoend handje den wind hielp om

de volants van uw robe op te houden, eensdeels om die niet vuil te

laten worden, anderdeels om uw geborduurde onderrokken en à-jour

kousen te laten zien. Ge hadt een hoed van een bewonderenswaardigen

vorm en het kwam me voor, dat ge in groote verlegenheid verkeerde ten

gevolge van een kostbaren kanten voile, die van dien kostbaren hoed

neergolfde. Inderdaad een moeilijk geval: het gold immers de vraag, wat

beter en voor uw coquetterie voordeeliger was, die voile neergelaten

of opgeslagen te dragen. Wanneer ge hem voor uw gezicht zoudt dragen,

dan liept ge kans niet herkend te worden door uw vrienden, die ge

tegen zoudt kunnen komen, want die zouden zeker tienmaal langs u

gegaan kunnen zijn, zonder ook maar te vermoeden, dat die prachtige

enveloppe mademoiselle Mimi verborg. Sloegt ge hem daarentegen terug,

dan liep de voile gevaar niet gezien te worden--en waartoe diende

het anders dien te hebben? Doch ge wist die moeilijkheid op zeer

geestrijke wijze te overwinnen, door den voile om de tien pas neer

te doen en weer terug te slaan, dezen voile, dit kostbare weefsel,

dat ongetwijfeld bewerkt is in het spinnewebbenland, dat Vlaanderen

genoemd wordt en dat alleen zeker meer gekost heeft dan uw geheele

vroegere garderobe samen .... Ach, Mimi! .... Pardon .... Ach, mevrouw

de vicomtesse! Ik had, zooals ge nu ziet, wel gelijk, toen ik zeide:

"Geduld, wanhoop niet: de toekomst gaat zwanger van kaschmir-sjaals,

brillanten en intieme soupers. Ge wildet me toen niet gelooven,

ongeloovige. Welnu, mijn voorspellingen zijn toch werkelijkheid

geworden, en ik sta bij u thans zeker even hoog in aanzien als uw

Oracles des Dames, die kleine heksenmeester in 18°, dien ge voor

vijf sous aan een boekenstalletje op den pont Neuf gekocht hebt en

dien ge met uw eeuwigdurende ondervragingen lastig vielt? Nogmaals,

had ik geen gelijk met mijn prophetieën en zult ge me nu gelooven,

wanneer ik u zeg, dat ge op deze trede niet zult blijven staan;

als ik u zeg, dat ik, als ik aandachtig luister, in de diepte van

uw toekomst, reeds het getrappel en gehinnik hoor van paarden,

gespannen voor een blauwen coupé, bestuurd door een gepoederden

koetsier, die de trede voor u neerslaat met de eerbiedige vraag:

"Waar gaat mevrouw heen?" En zult ge me ook gelooven, als ik u zeg,

dat ge later .... God geve, zoo laat mogelijk!... het doel van een

lang gekoesterde eerzucht zult bereiken en een table d'hôte zult

houden te Belleville of in Batignolles en u het hof gemaakt zal worden

door oude militairen en gepensionneerde smachtende aanbidders, die

in het geheim lansquenet en baccaraat bij u komen spelen. Maar voor

dit tijdstip, waarop de zon van uw jeugd reeds ter kimme zal dalen,

komt, zult ge nog heel wat ellen zijde en fluweel gebruiken; zullen

nog heel wat vaderlijke erfdeelen in de smeltkroes van uw grillen en

luimen wegsmelten, zal nog menige bloem in uw haar, nog menige bloem

onder uw voet ontbladerd worden, zult ge zelf nog dikwijls van blazoen

veranderen. Beurtelings zal op uw hoofd de parelsnoer der baronessen,

de kroon der gravinnen en de diadeem der markiezinnen schitteren;

als devies zult ge in uw wapen het woord: "Onbestendigheid" voeren;

gij zult, al naar luim of behoefte, al die talrijke aanbidders op hun

beurt of allen tegelijk weten te bevredigen, welke queue zullen komen

maken in de anti-chambre van uw hart, zooals men queue maakt voor

den ingang van een schouwburg, waar een trekstuk gegeven wordt. Ga

dus voorwaarts, schud al uw herinneringen van u af, om ruimte te

hebben voor uw eerzucht; voorwaarts dus: de weg, die voor u ligt,

is mooi, en wij hopen, dat hij nog lang zacht voor uw voeten zijn

mag; maar vòòr alles hopen wij, dat al die luxe en pracht, al die

schitterende toiletten niet te spoedig de lijkwade zullen worden,

waarin men uw vroolijkheid inwikkelt."

Zoo sprak de schilder Marcel tot de kleine Mimi, die hij drie of vier

dagen na haar tweede echtscheiding van den dichter Rodolphe ontmoet

had. Hoewel hij getracht had op de spotternijen, die hier en daar door

zijn horoscoop heen gezaaid waren, een sourdine te zetten, was Mimi

in geen enkel opzicht het slachtoffer van Marcel's mooie woorden en

begreep zij heel goed dat hij zich zonder eenigen eerbied voor haar

nieuwen titel, vroolijk maakte over haar.

"Je bent heel onaardig tegen me, Marcel," zeide mademoiselle Mimi;

"dat is slecht van je: ik ben altijd goed voor je geweest, toen

ik met Rodolphe samenwoonde, en dat ik hem verlaten heb, is zijn

schuld. Heeft hij me niet bijna op straat gezet, en hoe heeft hij

mij de laatste dagen, dat we bij elkaar waren, behandeld? Ik was erg

ongelukkig. Jij weet niet wat voor een man Rodolphe is: een opvliegend

en jaloersch karakter, dat mij langzamerhand vermoordde. Hij hield van

me, dat weet ik heel goed, maar zijn liefde was even gevaarlijk als een

geladen pistool. En wat voor een leven heb ik die vijftien maanden bij

hem gehad? Ach, Marcel, ik wil mij niet beter voordoen dan ik ben,

maar ik heb met Rodolphe veel geleden, dat weet je trouwens zelf

ook wel! En niet omdat we het arm hadden, ben ik van hem weggegaan,

daaraan was ik van jongsaf aan gewend; neen ik zeg je het je nogmaals:

hij heeft mij weggejaagd; hij heeft mijn hart met voeten getreden;

hij heeft me gezegd, dat ik geen eergevoel had, als ik bij hem bleef;

hij heeft me gezegd, dat hij niet meer van me hield en dat ik maar een

anderen minnaar moest zoeken; ja hij is zelfs zòò ver gegaan, dat hij

mij een jongen man heeft aangewezen, die me het hof maakte; en door

zijn eeuwige uittartingen is hij, om zoo te zeggen, de trait-d'union

tusschen mij en dien jongen man geworden. Ik heb met hem slechts

uit dépit tegen Rodolphe en door den nood gedwongen geleefd, want

ik hield niet van hem; je weet zelf heel goed, dat ik niet veel op

heb met zoo heel jonge kereltjes, zij zijn bijna altijd vervelend en

sentimenteel als harmonica's. Enfin wat gebeurd is, is gebeurd en ik

heb er geen spijt van; wanneer ik weer in denzelfden toestand kwam,

zou ik hetzelfde doen. Nu ik niet meer bij hem ben en nu hij weet, dat

ik gelukkig ben, is Rodolphe woedend en voelt hij zich verongelijkt;

dat weet ik van iemand, die hem een paar dagen geleden gezien heeft:

hij had roode oogen. En dat verwondert me niets, want ik wist wel, dat

het zoo gaan zou en hij me heel gauw weer zou naloopen; maar je kunt

hem uit mijn naam zeggen, dat het vergeefsche moeite is ..... ditmaal

is het ernst geweest; het is nu voor goed tusschen ons uit ..... Heb

je hem de laatste dagen nog gezien, Marcel en is hij werkelijk zoo

veranderd?" vroeg Mimi plotseling op een heel anderen toon.

"Zeker is hij veranderd," antwoordde Marcel; "heel erg veranderd

zelfs."

"Hij is bedroefd, dat spreekt. Maar wat kan ik er aan doen? Des te

erger voor hem, het is zijn eigen schuld. Ten slotte moest er een

eind aan komen. Troost jij hem, Marcel."

"O, o," zeide Marcel kalm; "maak je daar maar niet ongerust over,

Mimi; dat is al voor de grootste helft in orde."

"Wat je daar zegt, is niet waar, beste jongen!" merkte Mimi eenigszins

ironisch op; "zoo gauw zal Rodolphe er niet over heen zijn. Hoe

was hij den avond voor mijn vertrek niet! Het was op een Vrijdag,

ik wou dien nacht niet bij mijn nieuwen minnaar blijven, omdat ik

bijgeloovig ben en de Vrijdag een ongeluksdag is."

"Daar vergis je je in, Mimi: in de liefde is de Vrijdag een geluksdag;

de Ouden noemden hem Dies Veneris."

"Latijn heb ik nooit geleerd," viel Mimi hem in de rede. "Maar

enfin; ik kwam dan bij Paul uit en vond Rodolphe beneden op straat op

schildwacht staan. Hij wachtte op me. Het was laat, al over twaalven,

en ik had honger, want ik had slecht gedineerd. Ik vroeg Rodolphe of

hij niet wat voor het souper wilde halen. Een half uur later kwam

hij terug met niet zoo veel bijzonders: brood, wijn, sardientjes,

kaas en een appelkoek, dat was alles. In dien tusschentijd was ik

onder de wol gekropen. Hij schoof de tafel bij het bed. Ik deed net,

alsof ik niet op hem lette, maar ik nam hem heel goed op: hij was

zoo bleek als een lijk, hij rilde en liep in de kamer op en neer

als iemand, die niet weet wat hij wil. In een hoekje zag hij mijn

pakjes met kleeren liggen. Dat scheen hem te hinderen en hij zette

het scherm voor die pakjes, om ze niet meer te zien. Toen alles klaar

was, begonnen we te eten; hij probeerde me te laten drinken, maar ik

had geen honger of dorst meer. Ik had net een gevoel, alsof er een

prop in mijn keel zat. Het was koud, want we hadden geen hout om vuur

aan te leggen; je hoorde den wind door den schoorsteen fluiten. Het

was wel triest. Rodolphe keek me voortdurend aan, zijn oogen stonden

strak. Dan legde hij zijn hand in de mijne; en ik voelde hoe de zijne

beefde, zij was warm en koud tegelijk.

--"Dat is het begrafenismaal van onze liefde," zeide hij heel zacht.

"Ik antwoordde niet, maar had ook niet den moed, mijn hand terug

te trekken.

--"Ik ben moe," zeide ik eindelijk; "het is laat, we moesten maar

gaan slapen."

"Rodolphe keek me aan. Ik had een van mijn dassen om mijn hoofd

gebonden, om me een beetje tegen de koude te beschermen. Zonder een

woord te zeggen nam hij die das weg.

--"Waarom doe je dat?" vroeg ik. "Ik heb het koud."

--"O, Mimi," zeide hij; "zet dezen nacht je gestreepte mutsje nog

eens op. Dat zal je zooveel moeite niet kosten."

"Hij bedoelde een bruin en wit gestreept nachtmutsje van gedrukt

katoen, dat hij mij graag op zag hebben, omdat het hem herinnerde

aan eenige gelukkige nachten. want daarnaar telden we onze gelukkige

dagen. Daar het de laatste nacht was, dat ik bij hem zou slapen,

durfde ik zijn verzoek niet te weigeren. Ik stond op en ging het

mutsje, dat onder in een van de pakjes lag, halen; ik vergat het

scherm weer op zijn plaats te zetten. Rodolphe merkte het en verborg

voor de tweede maal de pakjes.

--"Goeden nacht!" zeide hij tegen me.

--"Goeden nacht!" antwoordde ik.

"Ik dacht, dat hij mij een zoen zou geven, en ik zou mij daar niet

tegen verzet hebben, maar hij nam slechts mijn hand en drukte die aan

zijn lippen. Je weet, Marcel, hoe graag hij mijn handen kuste. Ik

hoorde hem klappertanden en voelde, dat zijn lichaam zoo koud als

marmer was. Hij hield mijn hand maar steeds vast en had zijn hoofd op

mijn schouder gelegd, die al heel gauw nat van tranen was. Rodolphe

was in een vreeselijken toestand. Hij beet in de beddelakens, om

het niet uit te schreeuwen; maar ik hoorde zijn onderdrukt gesteun

en voelde zijn tranen over mijn schouders stroomen, waarop zij eerst

brandden als vuur, dan koud werden als ijs. Op dat oogenblik had ik

al mijn moed noodig; en ik had dien noodig, dat verzeker ik je, want

ik had maar één woord behoeven te zeggen, mijn hoofd maar behoeven om

te keeren, en mijn mond zou Rodolphe's lippen aangeraakt hebben en wij

zouden ons nogmaals verzoend hebben. Een oogenblik dacht ik werkelijk,

dat hij in mijn armen sterven of minstens krankzinnig worden zou,

wat vroeger bijna reeds het geval geweest is ..... herinner je je nog

wel? Ik voelde, dat ik op het punt stond toe te geven; ik wilde den

eersten stap tot verzoening doen; ik wilde hem in mijn armen sluiten,

want je moet wel een hart van steen hebben om tegenover zoo'n smart

ongevoelig te blijven. Plotseling herinnerde ik me echter de woorden,

die hij den vorigen avond gezegd had: "Je hebt geen eergevoel, als je

bij me blijft, want ik houd niet meer van je." En bij de herinnering

aan die grofheden had ik Rodolphe naast mij hebben kunnen zien sterven,

zou ik, ook al had ik geweten, dat een kus van mij hem zou hebben

kunnen redden, mijn hoofd hebben afgewend. Uitgeput door vermoeienis

viel ik eindelijk in een lichte sluimering. Ik hoorde Rodolphe nog

steeds snikken, en ik verzeker je, Marcel, het duurde den geheelen

nacht door. Toen de dag aanbrak en ik in dat bed, waarin ik voor het

laatst sliep, keek naar mijn minnaar, dien ik ging verlaten, om in de

armen van een ander te snellen, schrok ik vreeslijk bij het zien van

de verwoestingen, die de smart op Rodolphe's gezicht had aangericht.

"Hij stond op zonder iets te zeggen. Bij de eerste stappen, die

hij deed, sloeg hij bijna tegen den grond, zoo zwak en afgemat was

hij. Toch kleedde hij zich vlug aan en vroeg mij slechts of alles

al klaar was en wanneer ik wegging. Ik antwoordde, dat ik nog niets

zekers wist. Hij ging uit, zonder afscheid te nemen, zonder me een hand

te geven. Op die manier zijn we van elkaar gegaan. Wat een steek zal

het hem in zijn hart gegeven hebben, toen hij me bij zijn thuiskomst

niet meer vond!"

"Ik was op zijn kamer, toen hij thuiskwam," zeide Marcel tot Mimi,

die buiten adem was van het lange verhaal. "Toen hij beneden om den

sleutel vroeg, zeide de vrouw van den concierge tegen hem:

--"De kleine is weg."

--"Zoo," antwoordde Rodolphe, "dat verwondert me niets, dat had ik

wel gedacht."

"Toen liep hij de trap op en ik volgde hem, omdat ook ik voor een

crisis vreesde. Maar er gebeurde niets van dien aard.

--"Daar het nu al te laat is om nog een andere kamer te huren,"

zeide hij tegen me, "zullen we het maar tot morgen uitstellen. Dan

kan je met me meegaan. En laten we nu gaan eten."

"Ik dacht, dat hij zich wilde gaan bedrinken, maar ik vergiste me. We

dineerden heel eenvoudigjes in een restaurant, waar jij ook dikwijls

met hem gezeten hebt. Om hem een beetje onder verdooving te brengen,

had ik Beaune besteld."

--"Dat was de lievelingswijn van Mimi," zeide hij tegen me;

"we hebben dien samen dikwijls gedronken aan hetzelfde tafeltje,

waaraan we nu zitten. Ik herinner me nog hoe zij op een goeden dag

haar glas, dat zij reeds verscheidene malen geledigd had, naar mij

toeschoof met de woorden: "Schenk nog eens in, met dien Beaune kom

je uit de boonen." Een vrij flauwe woordspeling, nauwelijks goed voor

een vaudeville, vindt je niet? Ja, Mimi kan goed drinken!"

"Daar ik zag, dat hij zich weer in herinneringen wilde gaan verdiepen,

begon ik over wat anders te praten, van jou was er geen sprake

meer. Hij bracht den geheelen avond in mijn gezelschap door en scheen

even kalm als de Middellandsche Zee. Wat mij het meest verwonderde,

was dat zijn kalmte niets gekunstelds had. Hij was de onverschilligheid

in eigen persoon. Tegen middernacht gingen we naar huis."

--"Je schijnt je er over te verwonderen, dat ik in mijn toestand

zoo kalm ben," zeide hij tegen me; "laat ik even een vergelijking

gebruiken, die, als is zij misschien ook wat triviaal, tenminste de

verdienste heeft juist te zijn. Mijn hart is als een fontein, waarvan

de kraan den geheelen nacht open heeft gestaan, 's morgens is er

geen droppel meer in. Zoo is het nu ook met mijn hart; al de tranen,

die ik nog had, heb ik vannacht verhuild. Het is vreemd; ik dacht,

dat ik rijker was aan smartuitingen en nu heeft één lijdensnacht

mij uitgeput, mij volkomen op het droge gezet. Ik verklaar je op

mijn eerewoord, dat het zoo is. En in hetzelfde bed, waarin ik den

afgeloopen nacht naast een vrouw, die als een blok naast me lag, uit

wanhoop bijna gestorven ben, zal ik straks, terwijl het hoofd van die

vrouw op het kussen van een ander rust, slapen als een pakjesdrager,

die een zwaren dag achter den rug heeft."

"Comedie," dacht ik bij mijzelf; "voordat ik goed en wel weg ben,

loopt hij met zijn hoofd tegen den muur."

"Toch liet ik Rodolphe alleen en ging naar mijn eigen kamer, maar

slapen deed ik niet. Om drie uur meende ik leven in de kamer van

Rodolphe te hooren; ik vloog naar beneden in de meening, dat hij aan

het ijlen was."

"En?" vroeg Mimi.

"Och, beste meid, Rodolphe sliep, het bed was in het geheel niet in

de war; alles wees erop, dat zijn slaap rustig geweest was en niet

lang op zich had laten wachten."

"Dat is heel goed mogelijk," vond Mimi; "hij was zoo moe van den

vorigen nacht ... Maar den volgenden morgen?"

"Den volgenden morgen is Rodolphe mij al heel vroeg komen halen, en

toen zijn we kamers gaan huren in een ander huis, die we denzelfden

avond nog betrokken hebben."

"En wat heeft hij gedaan, toen hij de kamer verliet, waarin we samen

gewoond hebben?" vroeg Mimi; "wat heeft hij gezegd, toen hij scheidde

van de kamer, waarin hij mij zoo heeft liefgehad?"

"Hij heeft heel kalm zijn boeltje gepakt," antwoordde Marcel; "en

daar hij in een lade een paar gehaakte handschoenen en twee of drie

brieven vond, die jij vergeten hadt mede te nemen ...."

"Dat weet ik," viel Mimi hem in de rede op een toon, die scheen te

willen zeggen: Ik heb ze exprès vergeten, om een souvenir aan me achter

te laten. "En wat heeft hij er mede gedaan?" voegde zij eraan toe.

"Ik meen me te herinneren, dat hij de brieven in de haard en de

handschoenen uit het raam gegooid heeft; maar zonder eenig theatraal

gebaar, zonder pose, op een heel natuurlijke manier, zooals je dat

doet, wanneer je iets, waar je niets meer aan hebt, weg doet."

"Beste Marcel, uit den grond van mijn hart hoop ik, dat die

onverschilligheid voortduren zal. Maar eerlijk gezegd, ik geloof niet

aan een zoo spoedige genezing, en niettegenstaande alles wat je me

zegt, ben ik er zeker van, dat mijn dichter een gebroken hart heeft."

"Het is best mogelijk," antwoordde Marcel, terwijl hij afscheid nam van

Mimi; "maar de stukken zijn nog goed, als ik mij niet sterk vergis."

Gedurende dat gesprek op de straat wachtte vicomte Paul op zijn

nieuwe maîtresse, die veel later dan afgesproken was bij hem kwam en

allesbehalve vriendelijk tegen den vicomte was. Hij knielde voor haar

neer en kirde haar zijn lievelingsromance voor: dat zij bekoorlijk

was, bleek als de maan, zacht als een lam, maar dat hij haar vooral

liefhad om de schoonheid van haar ziel.

"Ach!" dacht Mimi, terwijl zij de golven van haar bruin haar op de

sneeuw van haar schouders liet neervallen; "Rodolphe was niet zoo

exclusief."

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 64 / 77 题