Met heel veel kussen, Marcel."

Toen deze brief af was, schreef Marcel een tweeden aan madame

Sidonie, de vriendin van Musette, waarin hij haar verzocht den

ingesloten brief zoo spoedig mogelijk aan het juiste adres te doen

toekomen. Vervolgens ging hij naar den concierge, die de twee epistels

moest wegbrengen. Daar hij hem vooruitbetaalde, zag de concierge

in de hand van den schilder een goudstuk schitteren, waarom hij,

alvorens zijn boodschap te doen, den huiseigenaar, aan wien Marcel

nog achterstallige huur schuldig was, ging waarschuwen.

"Mijnheer," zeide hij buiten adem van het trappen klimmen, "de

kunstenmaker van de zesde etasie heit geld. U weet wel, die groote,

die me altijd in m'n gezicht uitlacht, als ik met de kietansie kom!"

"Ja, ik weet het wel!" zeide de huisheer; "die kerel, die zoo brutaal

is geweest geld van me te willen leenen, om een gedeelte van de huur

te kunnen afdoen. Ik heb hem de huur al opgezegd."

"Juist, mijnheer. Maar nou zit-ie stikvol met geld; m'n oogen doen

nog pijn van al het geschitter. Hij geeft nu een feest ..... het is

een prachtig oogenblik."

"Je hebt gelijk," viel de eigenaar hem in de rede; "ik zal straks

zelf even naar boven gaan."

Madame Sidonie was thuis, toen de brief van Marcel kwam, en liet haar

kamermeisje dadelijk het ingesloten briefje naar Musette brengen.

Musette woonde toen in een mooi appartement op de Chaussée

d'Antin. Toen zij den brief van Marcel kreeg, was zij niet alleen en

had bovendien voor dienzelfden avond een groot aantal uitnoodigingen

voor een groot diner rondgezonden.

"Dat is ook een wonder!" riep zij, lachend als een bezetene, uit.

"Wat is er?" vroeg een knappe, jonge man, die stijf als een standbeeld

voor haar stond.

"Een invitatie voor een diner," antwoordde de jonge vrouw. "Hoe vindt

je het?"

"Ik vind het vervelend," zeide de jongeman.

"Waarom?"

"Waarom? Je denkt er toch zeker niet aan naar dat diner te gaan."

"Daar denk ik zeker wel aan ..... Zie jij maar hoe jij het alleen

klaar speelt!"

"Maar beste kind, dat geeft toch heelemaal geen pas! Je moet een

anderen keer maar eens gaan."

"Die is goed, een anderen keer! Het is een invitatie van mijn ouden

vriend Marcel en het is zoo'n zeldzaam geval, dat ik het zelf zien

moet. Een anderen keer! Maar echte diners komen daar nog minder voor

dan zonsverduisteringen!"

"Wat! Je wilt ons in den steek laten, om naar dien kerel te gaan,

en dat zeg je me zoo maar in mijn gezicht!"

"Aan wien moet ik het anders zeggen? Aan den sultan van Turkije

soms? Maar die heeft met de zaak niets te maken."

"Maar dat is een buitengewone openhartigheid."

"Je weet wel, dat ik anders ben dan de anderen," antwoordde Musette.

"Maar wat zou je wel van mij denken, als ik je liet gaan, nu ik weet

waarheen je gaat. Bedenk toch eens Musette, zoowel voor jou als voor

mij zou dat in het geheel geen pas geven. Je moet je maar excuseeren

bij dien jongen man."

"Mijn beste Maurice," antwoordde Musette op vastberaden toon; "je

wist wat je aan me hadt voor je me nam, je wist, dat ik vol grillen

zit en dat niemand er zich op beroemen kan er één uit mijn hoofd

gepraat te hebben."

"Vraag me wat je wilt .... maar dat niet," zeide Maurice. "Er zijn

grillen ..... en grillen."

"Maurice, ik wil naar Marcel gaan ..... en ik ga," zeide Musette,

terwijl zij haar hoed opzette. "Verlaat me, als je wilt, maar ik kan

niet anders: Marcel is de beste jongen van de wereld en de eenige,

waar ik ooit van gehouden heb. Als zijn hart van goud geweest was,

zou hij het hebben laten smelten, om er ringen van voor mij te laten

maken. Arme jongen!" voegde zij eraan toe, terwijl zij Maurice den

brief liet zien, "zoodra hij wat vuur heeft, vraagt hij me me te komen

warmen. O, als hij maar niet zoo lui en er geen fluweel en zijde in

de winkels geweest was. Ik was echt gelukkig met hem; hij had het

talent mij nu en dan werkelijk verdriet te doen, en hij heeft mij

om al mijn liedjes den naam Musette gegeven. Als ik naar hem toe ga,

kan je er tenminste zeker van zijn, dat ik bij je terugkom ..... als

je tenminste de deur niet voor mijn neus dicht gooit."

"Openhartiger zou je me moeilijk kunnen zeggen, dat je niet van me

houdt," zeide de jonge man.

"Kom nou, mijn beste Maurice, je bent te veel man van geest om ons in

zoo'n ernstige discussie te verdiepen. Je hebt me net zoo als je een

mooi paard in stal hebt, en ik houd van je ..... omdat ik houd van

luxe, van drukke feesten, van alles wat straalt en schittert. Laten

we niet sentimenteel worden: dat zou belachelijk en nutteloos zijn."

"Maar laat ik dan tenminste met je mee gaan."

"Maar je zou je daar volstrekt niet amuseeren," zeide Musette,

"en je zou ons maar beletten het ook te doen. Je begrijpt toch,

dat die jongen mij noodwendig zoenen zal."

"Musette," vroeg Maurice; "heb je ooit iemand ontmoet, die zoo

inschikkelijk is als ik?"

"Mijnheer de vicomte," antwoordde Musette; "toen ik onlangs met

lord*** op de Champs Elysées een wandelrit maakte, heb ik Marcel

daar ontmoet met zijn vriend Rodolphe: ze waren te voet, zaten

slecht in hun kleeren en rookten hun neuswarmertjes. In geen drie

maanden had ik Marcel gezien; ik had het gevoel, alsof mijn hart

door het portier wou springen. Ik heb het rijtuig laten stil houden

en een half uur lang met Marcel gepraat, terwijl geheel Parijs in

equipages voorbij reed. Marcel heeft me toen een taartje gegeven en

een ruikertje viooltjes van een sou, die ik dadelijk in mijn ceintuur

gestoken heb. Toen hij wegging, wilde lord**** hem terugroepen, om

hem te vragen met ons te gaan dineeren. Voor die vriendelijkheid heb

ik hem een zoen gegeven. Dat is nu eenmaal mijn karakter; en als je

dat niet bevalt, dan moet je het maar dadelijk zeggen, dan neem ik

mijn pantoffels en mijn nachtmuts mee."

"Het heeft toch ook zijn goede zijde, om arm te zijn!" zeide Maurice

met iets van afgunst en droefheid in zijn stem.

"O neen," antwoordde Musette; "als Marcel rijk was, zou ik hem nooit

verlaten hebben."

"Ga dan maar," zeide de jonge man en gaf haar de hand. "Die nieuwe

japon staat je heel goed!"

"Inderdaad het is of ik er vanochtend een voorgevoel van gehad

heb. Marcel zal de eerste zijn, die me in mijn nieuwe japon een zoen

zal geven. Nou, adieu, ik ga een beetje van het gewijde brood der

vroolijkheid eten."

Musette had dien dag een bekoorlijk toilet aan: nooit had het gedicht

van haar jeugd en van haar schoonheid in een verleidelijker band

gezeten. Bovendien bezat Musette van nature een goeden smaak. Toen

zij op de wereld kwam, moet het eerste, wat zij met haar blikken

zocht, een spiegel geweest zijn, om zich in haar luiers een mooie

houding te kunnen geven; en voor zij gedoopt werd, had zij reeds de

zonde der coquetterie begaan. Reeds in den tijd, dat zij nog in zeer

behoeftige omstandigheden leefde en zich nog met japonnetjes van

gedrukt katoen, hoedjes met pompons en geitenleeren laarsjes moest

tevreden stellen, droeg zij die eenvoudige grisette-toiletjes met

elegance en coquetterie. Deze knappe meisjes, half bijen, half mieren,

die zingend de geheele week door werkten en den Goeden God slechts om

mooi weer op Zondag smeekten, hadden gewoonlijk slechts lief met haar

hart en zetten nu en dan de bloemetjes buiten. Nu is die soort geheel

verdwenen, dank zij de tegenwoordige generatie van jonge mannen: een

verdorven en verderfelijke, maar boven alles aanmatigende, opgeblazen

en brutale generatie. Alleen uit genoegen voor minne paradoxen hebben

zij die arme meisjes om haar door de heilige litteekenen van het

werk geschonden handen gehoond en bespot, zoodat die handen weldra

niet genoeg meer konden verdienen, om de uitgaven voor amandelzeep

te bestrijden. Langzamerhand is het dien jongelingen gelukt haar hun

opgeblazenheid en dwaasheid in te enten, en sedert is de grisette

verdwenen. Toen werd de lorette geboren, een bastaardgeslacht,

impertinente schepsels van middelmatige schoonheid, half vleesch,

half schmink, wier boudoir een toonbank is, waarop zij stukken van

haar hart, alsof het sneedjes roastbeef waren, te koop aanbieden. Het

meerendeel van die meisjes, die het pleizier onteeren en een schande

zijn voor de moderne galanterie, heeft dikwijls niet eens den geest

van de dieren, wier veeren zij op haar hoeden dragen. En wanneer

het door een groot toeval nog eens gebeurt, dat zij niet een liefde,

zelfs niet een verliefdheid, maar een geile begeerte hebben, dan is

het nog voor den een of anderen alledaagschen potsenmaker, dien de

dwaze menigte op openbare bals toejuicht en voor wien de couranten,

die vleiende hovelingen van al wat belachelijk is, reclame maken.

Hoewel Musette gedwongen was in die wereld te leven, had zij toch

niet de gewoonten noch de allures ervan; zij had niet die tot slavin

zijn vernederende hebzucht, zooals die maar al te veel voorkomt bij

die schepsels, welke alleen maar Bartjens lezen en cijfers schrijven

kunnen. Zij was een intelligent, geestig meisje, dat in haar aderen

het bloed van Manon Lescaut had, en, wars van elken dwang, zich nooit

tegen een enkele gril had kunnen of willen verzetten, wat de gevolgen

ervan ook mochten zijn.

Marcel was de eenige man geweest, van wien zij werkelijk gehouden

had. In ieder geval was hij de eenige geweest voor wien zij inderdaad

geleden had, en al de hardnekkigheid van die instincten, welke haar

trokken naar "alles wat schittert en straalt", was noodig geweest,

om haar ertoe te kunnen brengen hem te verlaten. Zij was twintig jaar

en luxe was voor haar bijna een levensbehoefte. Zij kon er wel eenigen

tijd buiten, maar geheel afstand ervan doen kon zij niet. Haar eigen

wispelturigheid maar al te goed kennende, had zij nooit het hangslot

van een eed van trouw voor haar hart willen doen. Verscheidene jonge

mannen, voor wie zij zelf veel voelde, hadden haar waarachtig lief

gehad; en altijd had zij tegenover dezen met een openhartigheid, die

gepaard ging met voorzichtigheid, gehandeld. De verbintenissen, die zij

aanging, waren eenvoudig, eerlijk en waar als de liefdesverklaringen

van Molière's boeren. "Jij hebt zin in mij, en ik zin in jou; top,

laten we bruiloft vieren!" Wel tienmaal had Musette als zij gewild

had, een "vaste positie", een zoogenaamde toekomst kunnen hebben;

maar zij geloofde nauwlijks in de toekomst; ten opzichte daarvan was

zij het scepticisme van Figaro toegedaan.

"Morgen," zeide zij dikwijls, "morgen is een dwaasheid van den

kalender, een dagelijksch voorwendsel, dat de menschen uitgevonden

hebben, om hun zaken vandaag niet behoeven te doen. Morgen is er

misschien een aardbeving--en vandaag staat de aarde nog vast!"

Op een goeden dag deed een gentleman, met wien zij bijna zes maanden

samengeleefd had en die intusschen tot over zijn ooren verliefd

op haar geworden was, haar in allen ernst het voorstel met haar te

trouwen. Musette had hem in zijn gezicht uitgelachen.

"Ik mijn vrijheid door een huwlijkscontract aan banden leggen? Nooit

in der eeuwigheid!"

"Maar dag in dag uit sidder ik van angst, dat ik je verliezen zal."

"Je zoudt me nog veel eerder verliezen, wanneer ik je vrouw was,"

antwoordde Musette. "Laten we er niet verder over spreken. Trouwens

ik ben niet vrij meer ook," voegde zij eraan toe en dacht bij die

woorden ongetwijfeld aan Marcel.

Zoo ging haar jeugd voorbij, terwijl zij zich op alle winden

van het toeval liet medevoeren en velen, ja bijna ook zichzelf

gelukkig maakte. Vicomte Maurice, met wien zij op dat oogenblik

leefde, kostte het niet weinig moeite om zich aan dat ontembare,

naar vrijheid snakkende karakter te wennen, en met een met jalousie

sterk geoxydeerd ongeduld wachtte hij op den terugkeer van Musette,

die hij naar Marcel had zien gaan.

"Zal ze bij hem blijven?" vroeg de jonge man zich den geheelen avond

af, terwijl hij zich dat vraagteeken als een dolk in zijn hart boorde.

"Die arme Maurice!" zeide Musette van haar kant tot zichzelf; "hij

vindt dat een beetje kras. Maar ach, de jeugd moet opgevoed worden."

Toen sloeg haar gedachtengang plotseling een heel andere richting

in; zij dacht aan Marcel, naar wien ze toeging; en terwijl zij alle

herinneringen, die de naam van haar aanbidder in haar wakker riep,

de revue liet passeeren, vroeg zij zich nieuwsgierig af, welk wonder

bij hem de tafel gedekt had. Al loopende las zij den brief, dien de

schilder haar geschreven had, nog eens over, en onwillekeurig maakte

een gevoel van droefheid zich van haar meester. Doch dat duurde

slechts een oogenblik. Musette overwoog terecht, dat zij nu minder

dan ooit reden had om bedroefd te zijn, en toen er op dat oogenblik

een sterke wind opstak, riep zij uit:

"Het is toch gek; als ik niet naar Marcel zou willen gaan, zou de

wind mij nu naar hem toe blazen."

En haar pas versnellend liep zij verder, blij als een vogeltje,

dat naar zijn eerste nest terugkeert.

Plotseling begon het hard te sneeuwen. Musette keek rond of zij geen

rijtuig zag, maar er was geen te bekennen. Daar zij juist in de straat

was, waar haar vriendin Sidonie woonde, die Marcel's brief naar haar

doorgestuurd had, kwam zij op het denkbeeld even bij haar binnen te

gaan en daar te wachten, tot het weer wat beter zou zijn.

Bij madame Sidonie vond zij een groot gezelschap bijeen. Er werd een

partij lansquenet gespeeld, die drie dagen tevoren reeds begonnen was.

"Laat ik jullie niet storen," zei de Musette; "ik blijf maar even."

"Heb je den brief van Marcel gekregen?" fluisterde madame Sidonie

haar in het oor.

"Ja, dank je," antwoordde Musette, "ik ben op weg naar hem toe, hij

heeft me te dineeren gevraagd. Ga je mee? Je zult je best amuseeren!"

"Tot mijn spijt kan ik niet," zeide Sidonie, op de speeltafel

wijzend. "En hoe staat het?" vroeg zij den bankhouder.

"Er staan zes louis," antwoordde deze, terwijl hij de kaarten schudde.

"Ik zet er twee," riep Sidonie.

"Goed, ik ben niet trotsch, ik begin ook met twee," antwoordde de

bankhouder, die reeds verscheidene malen gepast had. "Koning en aas;

ik ben naar de maan," ging hij voort, terwijl hij de kaarten liet

vallen; "alle koningen zijn dood!"

"Hier mag niet over politiek gesproken worden," zeide een journalist.

"En het aas is de vijand van mijn familie," merkte de bankhouder op,

die nog een koning keerde. "Leve de koning!" riep hij uit; "lieve

Sidonie, geef mij twee louis d'or."

"Schrijf ze maar in je memorie pro memorie," zeide Sidonie woedend,

dat zij verloren had.

"Dat maakt dan vijfhonderd francs, kleintje," zeide de bankhouder." Je

zult de duizend wel bereiken. Ik geef."

Sidonie en Musette praatten zachtjes met elkaar. Het spel ging door.

Ongeveer op hetzelfde uur gingen de bohémiens aan tafel. Gedurende

het geheele dejeuner was Marcel opvallend onrustig. Iederen keer,

dat men op de trap stappen hoorde, zagen de anderen hem opschrikken.

"Wat heb je toch?" vroeg Rodolphe; "het is net, of je nog iemand

wacht. Zijn we niet compleet?"

Maar uit een blik, dien de schilder hem toewierp, begreep de dichter,

welke gedachten zijn vriend bezig hielden.

"Hij heeft gelijk," dacht hij bij zichzelf; "we zijn niet compleet."

De blik van Marcel beteekende: Musette, die van Rodolphe: Mimi.

"Er ontbreken vrouwen," zeide Schaunard plotseling.

"Wil jij voor den duivel je losbandige taal wel eens voor je houden? We

hadden toch afgesproken, dat er niet over liefde gesproken zou

worden!" brulde Colline. "Daar schift de jus van."

En terwijl buiten de sneeuw nog viel en in de haard het hout vroolijk

vlamde en een vuurwerk van vonken afstak, begonnen de vier vrienden

weer hun tot den rand gevulde glazen te ledigen.

Terwijl Rodolphe met luide stem het refrein van een lied begon te

zingen, dat hij onder in zijn glas gevonden had, werd er verscheidene

malen op de deur geklopt.

Als een duiker, die door een krachtigen afzet tegen den bodem weer naar

de oppervlakte van het water komt, vloog Marcel, die reeds eenigszins

onder den invloed was, haastig van zijn stoel op om open te maken.

Musette was het niet.

Op den drempel vertoonde zich een man, die een klein stukje papier

in zijn hand hield. Zijn uiterlijk was niet onaangenaam, maar zijn

chambercloak zag er onooglijk uit.

"Ik vind u hier in nog al goeden welstand," zeide hij met een blik

op de tafel, op het midden waarvan een groote lamsbout prijkte.

"De huisbaas!" zeide Rodolphe; "laten wij hem de verschuldigde eer

bewijzen!"

"En hij begon met zijn mes en vork den generaalsmarsch op zijn bord

te slaan.

Colline gaf hem een stoel en Marcel riep uit:

"Schaunard, geef mijnheer een glas!"

En zich tot den huiseigenaar wendende, zeide hij:

"U komt juist op het goede oogenblik! Wij waren juist op het

punt een toast uit te brengen op den eigendom. Mijn vriend hier,

mijnheer Colline, zeide precies eenige treffende dingen omtrent

dat onderwerp. Maar nu u hier bent, zal hij, om u genoegen te doen,

opnieuw beginnen. Vooruit, Colline!"

"Pardon, heeren!" antwoordde de huisheer; "ik zou u niet graag

verder storen."

En hij ontvouwde het kleine papiertje, dat hij in zijn hand hield.

"Wat is dat voor drukwerk?" vroeg Marcel.

De huisheer, die inmiddels onderzoekend de kamer rondkeek, had het

goud en zilver, dat nog op den schoorsteen was blijven staan, gezien

en zeide:

"De quitantie, die ik reeds de eer had u te laten presenteeren."

"Precies," viel Marcel hem in de rede; "mijn trouw geheugen heeft die

bijzonderheid niet vergeten; het was Vrijdag 8 October des namiddags

te 12 uur."

"Ik heb de quitantie reeds, als voldaan geteekend, en als het u niet

derangeert, dan ....."

"Mijnheer," zeide Marcel, "het lag in mijn bedoeling u te komen

bezoeken. Ik moet eens ernstig met u praten."

"Geheel tot uw dienst."

"Doe mij dan eerst het genoegen een kleine verfrissching te nemen,"

ging Marcel voort, terwijl hij hem een glas wijn opdrong. "Welnu,

mijnheer, u hebt mij onlangs een papiertje thuis gestuurd met de

beeltenis van een dame, die een weegschaal in haar hand houdt. De

inhoud was onderteekend: "Godard.""

"Dat is mijn deurwaarder," zeide de huisheer.

"Hij heeft al een heel leelijk pootje," zeide Marcel. "Mijn vriend

hier"--en hij wees op Colline--"die alle talen kent, is zoo goed

geweest deze depeche, die mij vijf francs gekost heeft, voor mij te

vertalen ...."

"Het was een opzegging van de huur," viel de huisheer hem in de rede;

"een voorzorgsmaatregel .... dat is zoo de gewoonte."

"Ja juist, een opzegging," antwoordde Marcel. "Ik wilde u juist komen

opzoeken, om over die zaak te spreken; ik zou n.l. die opzegging graag

in een huurceel veranderd zien. Het huis bevalt me, de trap is netjes,

de straat vroolijk en bovendien ben ik om familieredenen en andere

oorzaken zeer aan deze woning gehecht".

"Maar de laatste termijn huur moet nog betaald worden," zeide de

huiseigenaar en liet opnieuw zijn quitantie zien.

"Wij zullen die betalen, mijnheer, dat is ons vaste voornemen."

Intusschen had de huisheer geen oog afgewend van den schoorsteen,

waarop het geld lag, en de aantrekkingskracht van zijn hebzuchtige

blikken was zòò groot, dat de geldstukken schenen te bewegen en naar

hem toe te komen.

"Ik vind het zeer aangenaam, dat ik juist op een oogenblik kom, dat

wij deze kleine zaak kunnen regelen, zonder dat het u derangeert,"

zeide hij en bood de quitantie aan Marcel aan, die de attaque niet

anders pareeren kon dan door uit te wijken en met zijn schuldeischer

nogmaals de scène tusschen don Juan en Dimanche [44] te spelen.

"U hebt, geloof ik, ook nog eigendommen in de provincie?" vroeg hij.

"O," antwoordde de huisheer; "niet noemenswaard: een klein landhuis

in Bourgondië, een boerderij, weinig zaaks ..... de pachters betalen

niet ..... Deze kleine vereffening," voegde hij eraan toe, terwijl

hij nogmaals de quitantie aan Marcel trachtte te geven, "komt mij

dan ook zeer van pas ..... Het is zestig francs, zooals u weet."

"Zestig francs, precies!" zeide Marcel en nam van den schoorsteen

drie goudstukken af. "Zestig francs, zeiden we," en hij legde de drie

louis op eenigen afstand van den huisheer op de tafel.

"Eindelijk!" mompelde deze; en zijn gelaat helderde op.

En op zijn beurt legde hij de quitantie op tafel.

Schaunard, Colline en Rodolphe volgden de ontwikkeling van het drama

met gespannen aandacht.

"Maar lieve Hemel," zeide Marcel; "daar u een Bourgondiër bent,

zult u toch zeker niet weigeren een paar woordjes met een landgenoot

te spreken."

En hij trok een flesch ouden Mâcon open en schonk den huisheer een

glas in.

"Heerlijk!" zeide deze; "ik heb nooit beteren gedronken."

"Ach, een oom van me, die in die streken woont, stuurt me zoo nu en

dan een mandje."

De huisheer was opgestaan en strekte zijn hand naar het voor hem

geplaatste geld uit, maar Marcel hield hem tegen.

"Ja, maar op één been kunt u niet loopen," zeide hij en dwong zijn

schuldeischer nogmaals met hem en de drie andere bohémiens te klinken.

De huisheer durfde niet weigeren. Hij dronk zijn glas leeg, zette

het neer en wilde weer het geld nemen, toen Marcel uitriep:

"Maar daar valt me nog iets in, mijnheer. Ik ben op het oogenblik nogal

ruim bij kas. Mijn oom uit Bourgondië heeft me een supplement op mijn

jaargeld gezonden. Ik ben bang dat geld er door te lappen. U weet,

niet waar, de jeugd haalt wel eens dolle streken uit .... Wanneer ik

u er niet mede beleedig, zou ik graag een termijn vooruit betalen."

En opnieuw nam hij zestig francs in zilver van den schoorsteen en

legde die bij de louis op tafel.

"Ik zal u daar dadelijk een quitantie voor maken," zeide de eigenaar;

"ik heb blanco formulieren in mijn zak"--en hij haalde zijn

portefeuille te voorschijn--"ik zal die invullen en antidateeren."

"Een aardige huurder," dacht hij bij zichzelf en wierp verliefde

blikken naar de honderd-twintig francs.

Bij dit voorstel stonden de drie bohémiens, die toch al niets van

Marcel's diplomatie begrepen, gewoonweg "paf",

"Maar de schoorsteen rookt," begon nu de schilder, "dat is erg

onaangenaam."

"Maar waarom hebt u me dat niet eerder gezegd? Dan had ik den

schoorsteenveger laten komen," zeide de eigenaar, die voor den schilder

niet onder wilde doen. "Morgen zal ik werklui sturen."

En nadat hij de tweede quitantie ingevuld had, legde hij die bij de

eerste, schoof ze toen beide naar Marcel toe en stak zijn hand weer

naar het stapeltje geld uit.

"U kunt u niet voorstellen, hoe gelegen die som mij op het oogenblik

komt," zeide hij; "ik moet een paar rekeningen voor reparaties aan

het huis betalen en ik was werkelijk om geld verlegen."

"Het spijt mij, dat ik u wat heb moeten laten wachten!" viel Marcel

hem in de rede.

"O, zoo erg is het niet ..... Heeren, ik heb de eer ...." En weer

stak hij zijn hand uit.

"O, o, neem me niet kwalijk," zeide Marcel vlug; "zoover zijn we nog

niet. Wie a zegt," en hij schonk opnieuw in, "moet ook b zeggen."

"Dat is zoo," zeide deze en ging uit beleefdheid weer zitten.

Ditmaal begrepen de bohémiens uit een blik, dien Marcel hun toewerp,

wat zijn doel was.

Intusschen begon de huisheer al op een vreemde manier met zijn

oogen te draaien. Hij balanceerde op zijn stoel heen en weer, begon

dubbelzinnige taal uit te slaan en beloofde Marcel, die hem een paar

reparaties vroeg, fabelachtige verfraaiingen.

"En nu de zware artillerie voor het front!" fluisterde de schilder

Rodolphe in en wees op een flesch rhum.

Na het eerste glaasje zong de huisheer een schuin liedje, dat Schaunard

deed blozen.

Na het tweede glaasje vertelde hij zijn huiselijke onaangenaamheden;

en daar zijn vrouw Helena heette, vergeleek hij zich bij Menelaus.

Na het derde glaasje kreeg hij een philosophische vlaag en gaf de

volgende aphorismen ten beste:

"Het leven is een stroom."

"Geld maakt niet gelukkig."

"De mensch is een ééndagsvlinder."

"O, hoe lieflijk is de liefde!"

Dan maakte hij Schaunard tot zijn vertrouweling en vertelde hij hem

van zijn heimelijke liaison met een jong meisje, Euphémie geheeten,

aan wie hij een mahoniehouten ameublement gegeven had. Daarbij gaf

hij zoo'n nauwkeurig portret van dit jonge meisje, dat Schaunard een

vreemd vermoeden in zich voelde opkomen, dat onmiddellijk daarna een

zekerheid werd, toen de huisheer hem een brief, dien hij uit zijn

portefeuille haalde, liet zien.

"O, hemel!" riep Schaunard uit, toen hij de onderteekening zag;

"hardvochtige, gij boort mij een dolk door het hart."

"Wat heeft hij toch?" riepen de bohémiens, over die taal verwonderd,

uit.

"Kijk maar," zeide Schaunard; "deze brief is van Phémie. Dat is haar

onderteekening."

Schaunard liet den brief van zijn vroegere maîtresse circuleeren. Deze

begon met de woorden:

"Mijn lief, dik beertje,"

"Dat lief, dik beertje ben ik," zeide de huisheer, die vergeefsche

pogingen deed om op te staan.

"Prachtig!" zeide Marcel, die dit zag, "hij heeft zijn anker

uitgeworpen."

"Phémie, hardvochtige Phémie!" zuchtte Schaunard; "wat heb je me

aangedaan!"

"Ik heb voor haar in de rue Coquenard No. 12 een entresol laten

meubileeren," stamelde de huisheer; "het is er heel aardig, heel

aardig ..... maar het heeft me een aardige duit gekost .... Doch de

ware liefde ziet niet op geld ..... en bovendien heb ik twintigduizend

francs rente ..... Zij vraagt mij geld ...." ging hij voort, terwijl

hij den brief weer in zijn zak stak; "Arme kleine! ... Ik zal haar

dit geld geven ..... dat zal haar plezier doen."

En hij strekte weer zijn hand naar het geld uit.

"Wat is dat?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij op de tafel rond tastte,

"waar is het gebleven?"

Het geld was verdwenen.

"Een fatsoenlijk man mag zich onder geen voorwaarden tot zulk een

misdadigen minnehandel leenen," had Marcel gezegd. "Mijn geweten en

de moraal verbieden mij de huur aan dezen wellustigen kerel in handen

te geven. Ik zal mijn huur niet betalen. Maar mijn ziel zal tenminste

geen wroeging hebben. Wat een zeden! Een man met zoo weinig haren op

zijn hoofd!"

Intusschen was de huiseigenaar stomdronken geworden en sloeg met

luide stem allerlei onzin tegen de flesschen uit.

Daar hij nu al twee uur weg was, stuurde zijn vrouw, die ongerust

begon te worden, eindelijk het dienstmeisje naar boven; toen zij haar

meester in zoo'n toestand zag, stiet zij een gil van schrik uit.

"Wat hebt u met hem uitgevoerd?" vroeg zij aan de bohémiens.

"Niets," antwoordde Marcel; "hij is daarnet hierboven gekomen,

om de huur te halen, en daar we geen geld hadden, hebben we hem

uitstel gevraagd."

"Maar hij is stom bezopen," zeide het dienstmeisje.

"Dat was hij al grootendeels, toen hij hier kwam," antwoordde Rodolphe;

"hij vertelde ons, dat hij zijn wijnkelder opgeruimd had."

"Hij was al zòò in den lorem," voegde Colline eraan toe, "dat hij

zijn quitanties zonder betaling hier wou laten."

"Geef ze maar aan zijn vrouw," zeide ten slotte de schilder, terwijl

hij de quitanties aan het dienstmeisje overhandigde, "wij zijn eerlijke

jongens en willen geen misbruik maken van zijn toestand."

"Lieve God, wat zal mevrouw wel zeggen?" zuchtte het dienstmeisje,

dat haar meester, die nauwelijks op zijn beenen staan kon, meetrok.

"Eindelijk!" riep Marcel verlicht uit.

"Hij zal morgen wel terugkomen," zeide Rodolphe; "nu hij eenmaal geld

gezien heeft."

"Als hij terugkomt," zeide de kunstenaar, "dan dreig ik hem zijn

vrouw zijn liaison met de jonge Phémie te zullen vertellen, dan zal

hij wel uitstel geven."

Toen de huisheer weg was, begonnen de vier vrienden weer te drinken

en te rooken. Marcel was niettegenstaande zijn roes de eenige, die

nog eenig besef had van wat er om hem gebeurde. Bij het minste leven

op de trap vloog hij op, om de deur open te maken. Maar degenen, die

naar boven kwamen, bleven altijd op een lagere verdieping. Langzaam

ging de schilder dan weer in het hoekje bij de haard zitten. Het

sloeg middernacht, en nog was Musette er niet.

"Misschien was ze niet thuis, toen mijn brief kwam," dacht hij. "Ze

zal hem dan vanavond bij haar thuiskomst vinden en morgen komen. Morgen

hebben we ook nog vuur. Want komen zal zij. Tot morgen dus."

En in zijn hoekje sliep hij in.

Op hetzelfde oogenblik, dat Marcel van haar droomde, verliet Musette

het huis van madame Sidonie, bij wie zij tot zoo lang gebleven

was. Musette was niet alleen, een jong mensch was met haar; een

rijtuig wachtte beneden voor de deur; zij stapten er samen in; het

rijtuig reed in grooten vaart weg.

De partij lansquenet duurde bij madame Sidonie voort.

"Waar is Musette toch?" vroeg plotseling een der spelers.

"En de kleine Séraphin?" een tweede.

Madame Sidonie begon te lachen.

"Die zijn er samen stil vandoor gegaan," zeide zij. "Een typische

geschiedenis! Wat een zeldzaam exemplaar is die Musette toch! Stel

je voor ...."

En zij begon te vertellen hoe Musette, na bijna ongenoegen met vicomte

Maurice gekregen en zich op weg naar Marcel begeven te hebben, heel

toevallig even bij haar opgeloopen was en hier den jongen Séraphin

aangetroffen had.

"Ik had er dadelijk wel vermoeden op," zeide Sidonie, zichzelf in

de rede vallend; "ik heb ze den geheelen avond in het oog gehouden,

en waarachtig de jonge man is zoo kwaad niet. Kort en goed, zij zijn,

zonder een woord te zeggen, weggegaan, en een kraan, die ze vinden

kan. Doch hoe het zij; het is eigenlijk te gek om los te loopen,

wanneer je bedenkt, dat Musette dol op Marcel is."

"Maar als ze dol is op Marcel, wat wil ze dan eigenlijk met den

kleinen Séraphin, die nog bijna een kind is? Hij heeft nooit een

maîtresse gehad," merkte een der aanwezigen op.

"Zij wil hem leeren lezen," antwoordde de journalist, die altijd heel

"geestig" was, als hij verloren had.

"Dat is goed en wel," meende Sidonie. "Waarom gaat ze met Séraphin,

als ze van Marcel houdt? Dat gaat boven mijn petje."

"Ja, waarom?"

Vijf dagen lang leidden de bohémiens, zonder hun kamer ook maar

één oogenblik te verlaten, het vroolijkste leventje, dat men zich

denken kan. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zaten zij aan

tafel. Een bewonderenswaardige wanorde heerschte in het vertrek,

waarin een Pantagruelistische atmospheer hing. Op een bijna geheel uit

oesterschalen bestaande bank lag een leger van de meest verschillende

flesschen. De tafel was bedekt met allerlei etensrestjes, en in de

haard brandde een formeel bosch.

Ook op den ochtend van den zesden dag maakte Colline als

opper-ceremoniemeester het menu voor het dejeuner, het diner en het

souper op, zooals hij dat iederen morgen deed, en onderwierp het

dan aan de goedkeuring van zijn vrienden, die het als teeken van

instemming met hun handteekening voorzagen.

Maar toen Colline de lade, die als schatkist dienst deed, opentrok,

om het voor dien dag noodige geld te krijgen, deed hij verschrikt

twee pas achteruit en werd bleek als de schim van Banquo. [45]

"Wat is er?" vroegen de anderen onverschillig.

"Wat er is? Ik heb nog maar dertig sous," zeide de philosoof.

"Alle duivels!" riepen de anderen uit; "dat zal een heele verandering

in het menu veroorzaken. Enfin, wanneer we die dertig sous goed

gebruiken ..... Maar de truffels zullen er wel bij moeten inschieten."

Eenige oogenblikken later was de tafel gedekt. Er stonden in volkomen

symmetrie drie schotels op, n.l.:

Een schotel haring;

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 60 / 77 题