"Arme meid!" mompelde Marcel in zichzelf, terwijl hij den brief in
zijn zak stak .... En met zijn hoofd in zijn handen bleef hij eenige
oogenblikken in gedachten bij de haard zitten.
In dien tijd leefden de bohémiens reeds lang in een toestand van
weduwnaarschap, uitgezonderd Colline, wiens liefje steeds onzichtbaar
en anoniem gebleven was.
Zelfs Phémie, de lieve levensgezellin van Schaunard, had een naïeve
ziel gevonden, die haar haar hart, een mahoniehouten ameublement en
een ring van haar roode lokken aangeboden had. Veertien dagen na die
schenking echter had Phémie's amant haar zijn hart en ameublement weer
willen ontnemen, omdat hij aan haar vinger een ring van haar, maar
nu zwart haar gezien had en haar daarom van verraad durfde verdenken.
Toch was Phémie niet van het pad der deugd afgeweken; zij had alleen,
omdat haar vriendinnen haar ieder oogenblik met den ring van roode
haren plaagden, dien zwart laten verven. De "mijnheer" was met die
verklaring zòò voldaan, dat hij voor Phémie een zijden japon kocht--de
eerste in haar leven! Den dag, dat zij die voor het eerst droeg,
riep de arme meid uit:
"Nu kan ik rustig sterven."
Musette was weer een bijna officieele persoonlijkheid geworden. Marcel
had haar in geen drie of vier maanden meer gezien.
En wat Mimi ten slotte betreft, Rodolphe had nooit meer iemand over
haar hooren praten, behalve zichzelf, wanneer hij alleen was.
"Nou?" vroeg plotseling Rodolphe, toen hij Marcel zoo peinzend bij
den schoorsteen zag staan; "wil de kachel niet trekken?"
"Zeker wel, zeker wel!" zeide de schilder, terwijl hij het hout
aanstak, dat knetterend begon te branden.
Terwijl de drie anderen door de voorbereidende maatregelen voor het
dejeuner hun eetlust nog prikkelden, had Marcel zich weer in een hoekje
teruggetrokken en legde het briefje, dat hij toevallig gevonden had,
bij de andere souvenirs, die Musette hem gelaten had. Plotseling viel
hem het adres in van een vrouw, met wie zijn vroegere vlam op zeer
intiemen voet stond.
"Ha!" riep hij hard genoeg, om door de anderen gehoord te worden, uit;
"nu weet ik tenminste, waar ik ze vinden kan."
"Wat vinden?" vroeg Rodolphe. "En wat voer je toch eigenlijk
uit?" voegde hij eraan toe, toen hij zag, dat Marcel wilde gaan
schrijven.
"Niets .... Een brief, die haast heeft en dien ik bijna vergeten
had. Ik ben dadelijk weer tot je beschikking."
En hij schreef:
"Lieve kind,
Door een verpletterende apoplexie van geluk heb ik geld in mijn
schrijftafel! We hebben een reuzendejeuner, dat op dit oogenblik
staat te braden, edele wijnen, ja zelfs in de haard een echt
vuur, zooals gezeten burgers dat hebben. Dat moet ik zelf zien,
zou je vroeger gezegd hebben. Kom dus een oogenblik bij ons;
je zult hier Rodolphe, Colline en Schaunard vinden, en bij het
dessert, want er is waarachtig een dessert ook, moet jij dan
wat voor ons zingen. Daar wij nu eenmaal bij elkaar zijn, zullen
we waarschijnlijk een dag of acht aan tafel blijven. Je behoeft
dus niet bang te zijn, dat je te laat komt. Het is al zoo'n tijd
geleden, dat ik je niet heb hooren lachen. Rodolphe zal je het hof
maken en wij zullen van alles drinken op onze gestorven liefde,
op gevaar of ze tot nieuw leven te wekken. Tusschen menschen
zooals wij .... is de laatste kus nooit de laatste. Ach, als het
den vorigen winter niet zoo koud geweest was, zou je me misschien
in het geheel niet verlaten hebben. Je hebt me bedrogen voor een
bos hout en omdat je bang was voor winterhanden. Je hadt gelijk,
en ik ben er voor ditmaal even min boos om als voor andere
keeren. Maar kom je nu tenminste warmen, zoolang er vuur is.