Een schotel kaas.
In den schoorsteen brandden twee blokjes hout, zoo groot als een vuist.
Buiten viel nog steeds de sneeuw.
De vier bohémiens gingen aan tafel en legden hun servetten op hun
knieën.
"Het is vreemd," zeide Marcel; "maar die haring smaakt naar fazant."
"Dat ligt aan de manier, waarop ik hem klaargemaakt heb," antwoordde
Colline; "tot nu toe is de haring miskend."
Op dat oogenblik kwam een vroolijk gezang de trap op en klopte aan
de deur. Marcel, die bij de eerste tonen al opgesprongen was, vloog
naar de deur, om open te doen.
Musette sloeg haar armen om hem heen en zoende hem wel vijf minuten
lang. Marcel voelde hoe zij in zijn armen beefde.
"Wat heb je?" vroeg hij haar.
"Ik heb het koud," zeide zij en liep naar den schoorsteen.
"Hè," zeide Marcel, "we hebben zoo'n lekker vuurtje gehad."
"Ja," zeide Musette met een blik op de overblijfselen van het
vijfdaagsche feestmaal; "ik kom te laat."
"Waarom?" vroeg Marcel.
"Waarom?" zeide Musette .... en kreeg een kleur. In plaats van antwoord
te geven ging zij op Marcels knieën zitten; zij beefde nog steeds en
haar handen waren blauw van de kou.
"Was je niet vrij?" vroeg Marcel haar fluisterend.
"Ik niet vrij!" riep Musette uit. "O Marcel, al zat ik midden tusschen
de sterren of in het paradijs van den goeden God, en jij gaf me een
teeken, ik zou naar beneden komen. Ik niet vrij!...."
En zij begon weer te rillen.
"Er zijn hier vijf stoelen," zeide Rodolphe; "dat is een oneven getal,
en bovendien heeft de vijfde een allerbelachelijksten vorm."
En hij sloeg den stoel tegen den muur kapot en wierp de stukken in
de haard. Het vuur flikkerde plotseling tot een heldere en vroolijke
vlam op. Dan gaf hij Colline en Schaunard een wenk en ging met hen weg.
"Waar gaan jullie heen?" vroeg Marcel.
"Tabak halen!" antwoordden zij.
"Ja, in Havana!" voegde Schaunard er aan toe en gaf Marcel een teeken
van verstandhouding, waarop deze met een dankbaren blik antwoordde,
"Waarom ben je niet eerder gekomen?" vroeg hij opnieuw aan Musette,
toen zij alleen waren.
"Ja, het is zoo, ik ben wat laat ...."
"Vijf dagen om over den pont Neuf te komen. Heb je misschien een
omweg over de Pyreneeën gemaakt?"
Musette sloeg haar oogen neer en bleef zwijgen.
"O jou slecht meisje!" zeide Marcel op droefgeestigen toon, terwijl
hij zacht met zijn hand op den corsage van zijn vriendinnetje sloeg;
"wat heb je daar toch onder zitten?"
"Dat weet je heel goed," antwoordde zij snel.
"Maar wat heb je gedaan, nadat ik je geschreven heb?"
"Vraag het me niet!" smeekte zij en sloeg haar armen om hem heen;
"vraag me niets. Laat ik me naast je warmen, zoo lang het koud is. Je
ziet, ik had mijn mooiste japon aangetrokken, om naar je toe te gaan
..... Die arme Maurice kon zich maar niet begrijpen, dat ik naar je
toe wilde .... maar ik kon mijn verlangen niet bedwingen .... ik ben
op weg gegaan .... Lekker, dat vuur!" voegde zij eraan toe, terwijl
zij haar handjes dichter bij de vlammen hield. "Ik blijf tot morgen
bij je. Goed?"
"Het zal hier leelijk koud worden," zeide Marcel, "en eten is er ook
niet meer. Je bent te laat gekomen."
"Och, wat!" antwoordde Musette; "dan lijkt het des te meer op vroeger!"
Rodolphe, Colline en Schaunard bleven vier-en-twintig uur uit, om
hun tabak te halen. Toen zij weer terugkwamen, was Marcel alleen.
Vicomte Maurice zag Musette na een afwezigheid van zes dagen eerst
terug.
Hij maakte haar geen enkel verwijt, vroeg alleen waarom zij zoo
bedroefd was.
"Ik heb ruzie gehad met Marcel," antwoordde zij; "we zijn kwaad van
elkaar weggegaan!"
"En toch zal je misschien weer naar hem terugkeeren?"
"Wat zal ik je zeggen?" zeide Musette; "ik heb behoefte om van
tijd tot tijd de lucht van dat leven in te ademen. Mijn dol bestaan
gelijkt op een lied; ieder van mijn amourettes is een couplet ervan;
maar Marcel is het refrein."