Men zal zich herinneren hoe Marcel zijn beroemd doek "De Doortocht door
de Roode Zee", dat later als uithangbord voor een comestibleswinkel
dienen zou, aan Médicis verkocht had. Den dag na den verkoop, die
gevolgd was door een schitterend souper, hetwelk de Jood als toegift op
den koop aan de bohémiens had aangeboden, ontwaakten Marcel, Schaunard,
Colline en Rodolphe eerst diep in den ochtend en konden zich, nog
onder den invloed als zij waren van de wijnen van den vorigen avond,
eerst niet goed herinneren wat er eigenlijk gebeurd was. Toen van een
kerk in de buurt het middag-Angelus klepte, keken zij elkaar met een
melancholiek glimlachje aan.
"Dat is het klokje, dat met zijn vrome klanken de geloovigen naar de
eetzaal roept," zeide Marcel.
"Zeker," antwoordde Rodolphe, "dit is het plechtige uur, waarop alle
fatsoenlijke menschen naar het refectorium opgaan."
"Dan zullen we toch moeten zien fatsoenlijke menschen te worden,"
bromde Colline, voor wien iedere dag op den kalender St. Appetitus
[41] was.
"O, melkinrichting van mijn min; o, gezegende vier maaltijden van mijn
jeugd, wat is er van u geworden?" voegde Schaunard eraan toe. En op
een melancholiek, droomerig en zacht motief herhaalde hij: "Wat is
er van u geworden?"
"En te moeten denken, dat er op dit uur in Parijs alleen meer dan
honderd coteletten in de pan liggen!" zeide Marcel.
"En evenveel biefstukjes!" zuchtte Rodolphe.
En als een tegenstelling vol bittere ironie schreeuwden, terwijl de
vier vrienden elkaar voor het vreeselijke, dagelijks terugkeerende
probleem van het dejeuner stelden, de kellners uit het restaurant
beneden in het huis de bestellingen der gasten de keuken in.
"Zullen die lummels nooit hun mond houden?" vroeg Marcel; "ieder
woord geeft me een steek in mijn maag."
"De wind zit in het Noorden!" zeide Colline ernstig en wees daarbij
op een weerhaantje, dat op een dak in de buurt vroolijk heen en
weer zwaaide; "wij zullen dus vandaag niet dejeuneeren, de elementen
verzetten zich er tegen."
"Hoe dat?" vroeg Marcel.
"Dat is een atmospherologische waarneming, die ik gedaan heb," legde
de wijsgeer uit: "een Noordenwind beteekent bijna altijd onthouding,
evenals de Zuidenwind gewoonlijk pleizier en goed eten voorspelt. De
philosophie noemt dat: wenken van uit den hooge."
Als Gustave Colline een leege maag had, hadden zijn geestigheden
iets grimmigs.
Op hetzelfde oogenblik stiet Schaunard, die een van zijn armen in den
afgrond, die als zak dienst deed, had gestoken, een gil van angst uit.
"Hulp! Hulp! Er zit iemand in mijn jas," brulde hij, terwijl hij
trachtte zijn hand uit de scharen van een levende kreeft te bevrijden.
Op den angstkreet van Schaunard volgde onmiddellijk een andere
gil. Marcel had werktuigelijk zijn hand in zijn zak gestoken en daarin
een Amerika ontdekt, waaraan hij in het geheel niet meer dacht:
d.w.z. de honderdvijftig francs, die de Jood Médicis hem voor zijn
"Doortocht door de Roode Zee" betaald had.
"Salueert, heeren!" zeide Marcel, terwijl hij een stapeltje daalders,
waartusschen vijf of zes nieuwe louis schitterden, neerzette.
"Je zoudt zeggen, dat ze leven!" vond Colline.
"En wat een prachtige stemmen!" merkte Schaunard, die de goudstukken
liet rinkelen, op.
"Wat een mooie medailles!" voegde Rodolphe eraan toe; "precies stukjes
uit de zon. Als ik koning was, zou ik geen andere munten in mijn rijk
dulden en er de beeltenis van mijn vriendinnetje op laten slaan."
"Kan je eigenlijk wel gelooven, dat er een land is, waar die dingen
evenveel waard zijn als kiezelsteenen?" vroeg Schaunard. "De Amerikanen
gaven er vroeger vier voor twee sous. Een van mijn voorouders heeft
indertijd Amerika bezocht; hij heeft zijn graf gevonden in de maag
der Wilden. Dat heeft den bloei der familie veel kwaad gedaan."
"Maar vertel toch eens even," zeide Marcel met een blik op den kreeft,
die een wandeling door de kamer was gaan maken; "waar komt dat beest
vandaan?"
"Nou begin ik me te herinneren," antwoordde Schaunard, "dat ik
gisteren een ontdekkingsreis gemaakt heb in de keuken van Médicis;
ik moet wel aannemen, dat dit reptiel, zonder het zelf te willen,
in mijn zak gevallen is--die dieren zijn zoo bijziende. En nu ik het
beest eenmaal heb, zal ik het maar houden ook; ik zal het temmen
en rood verven, dat is een vroolijker kleur. Sinds Phémie weg is,
ben ik melancholiek; nu heb ik tenminste gezelschap."
"Heeren," riep Colline uit; "kijkt als het je blieft eens, de wind
is naar het Zuiden gedraaid: we zullen dejeuneeren."
"Dat geloof ik graag," zeide Marcel, terwijl hij een goudstuk van
de tafel nam; "hier heb je er een, dat we eens lekker zullen laten
braden, en met veel jus ook."
De vaststelling van het menu werd lang en ernstig besproken. Iedere
schotel gaf aanleiding tot een levendige discussie en werd daarna met
meerderheid van stemmen vastgesteld. De door Schaunard voorgestelde
omelette soufflée werd na zorgvuldig onderzoek afgestemd, evenals
de witte wijnen, waartegen Marcel in verzet kwam in een krachtige
improvisatie, die zijn oinologische kennis duidelijk aan het licht
bracht.
"De eerste plicht van een wijn is rood te zijn," riep de kunstenaar
uit; "laat me met rust met jullie witte wijnen."
"En de Champagne dan?" merkte Schaunard op.
"Onzin! Een elegante appelwijn! Een epileptische coco [42]! Ik zou alle
kelders van Epernay en Aï [43] voor één vat Bourgogne geven. Bovendien
behoeven we vandaag geen grisettes te verleiden of vaudevilles te
dichten. Ik stem tegen Champagne."
Toen het programma definitief vastgesteld was, gingen Schaunard en
Colline in het restaurant beneden het dejeuner bestellen.
"Wat zou je er van zeggen als we wat vuur aanlegden?" vroeg Marcel.
"Dat zou geen halsmisdaad zijn, de thermometer noodigt ons daar reeds
lang toe uit," antwoordde Rodolphe. "Laten we wat vuur maken. Wat
zal de kachel een kleur van verbazing krijgen!"
En hij liep naar de trap en schreeuwde Colline na, dat hij hout moest
laten boven brengen.
Enkele oogenblikken later kwamen Schaunard en Colline, gevolgd door
een kolendrager met een zware bos hout, weer boven.
Toen Marcel in een lade naar waardelooze papieren zocht, om de kachel
aan te maken, kreeg hij toevallig een brief in handen, waarvan het
handschrift hem deed beven en dien hij heimelijk begon te lezen.
Het was een door Musette met potlood geschreven brief uit den tijd,
dat zij nog met Marcel samenwoonde; op den dag af was hij een jaar
oud. De inhoud der weinige regels luidde:
"Lieveling,
Wees niet ongerust over mij, ik kom dadelijk weer terug. Ik ga
wat uit, om door het loopen wat warmer te worden: het vriest in
de kamer en de kolenhandelaar is voor ons dood. Ik heb de twee
laatste pooten van den stoel kapot geslagen, maar ze hebben niet
lang genoeg gebrand, om er een ei bij te koken. Bovendien fluit
de wind door het raam alsof hij hier thuis is, en blaast mij een
hoop slechte raadgevingen in, die je, wanneer ik ze zou opvolgen,
verdriet zouden doen. Ik vind het daarom beter een oogenblikje in
de buurt te gaan winkelen. Er moet fluweel zijn van tien francs
den meter. Het is ongelooflijk, dat moet ik zelf zien. Voor het
eten ben ik weer terug.