Reeds bij het aanwerven der koelies op Java speelt bedrog, i. c. het
voorspiegelen van valsche feiten, een hoofdrol. De praktijken der
ronselaars zijn ieder min of meer bekend. Ik moet erkennen, niet van
alle finesses van het ronselvak op de hoogte te zijn—het onderwerp is
niet uitlokkend—, doch ik durf gerust te beweren, dat bij de werving op
Java het verschil in beteekenis van het woord ringgit aldaar en in Deli
velen een contract doet sluiten. Onder ringgit verstaat men n.l. op
Java een rijksdaalder en ter Oostkust een Mexicaanschen dollar.
De laatste heeft eene afwisselende koerswaarde, welke gedurende het
laatste viertal jaren niet hooger steeg dan ƒ 1.30 en niet lager daalde
dan ƒ 1.01. Als gemiddelde koers voor dat tijdperk zou men ongeveer ƒ
1.15 kunnen aannemen. Nu behoeft niet verteld te worden, dat de
ronselaar wel en de onnoozele Javaan niet op de hoogte is van dit niet
onbelangrijk verschil. Waar den laatsten dus een maandloon van zes
ringgit wordt beloofd, ziet hij in het vooruitzicht ƒ 15.—. doch
ontdekt later dat hij ± ƒ 7.— ontvangt.
Wel leest men in de contracten, dat de dollar tegen den koers van ƒ 2.—
berekend wordt, doch wat helpt dit het slachtoffer, dat in dollars en
niet in Nederlandsche munt wordt uitbetaald?
Een bedrog, waaraan de Delische planters niet schuldig staan, meent
gij? Niet schuldig; maar medeplichtig? Waarom dan niet aan de
tusschenpersonen last gegeven, de werkelijke waarde in het contract te
vermelden, daar men niet bij aankomst der koelies den schijn wil hebben
in hun oog, hen te hebben bedrogen? En waarom, als het werkelijk met
dien aangenomen koers van ƒ 2.— ernst is, een schip met
contract-koelies uit Java terug gestuurd, [31] in wier contract niet de
dollar als betaalmiddel stond opgegeven, doch het aequivalent ad ƒ 2.—
in Hollandsch geld?
Het schijnt mij toe, dat over deze praktijk de scrupuleuze planter
zijne handen niet in onschuld kan wasschen.
Men zal mij tegenwerpen, dat de lage koers van den dollar van geen
belang is voor den Javaan, daar de dollar in Deli het geregelde
ruilmiddel is, en dus verlaging van koers nog geen vermindering van
koopkracht medebrengt. Dit zou dan echter hoogstens kunnen gelden voor
die waren, welke òf in het land zelf geproduceerd worden, òf afkomstig
zijn uit landen, waar de Mexicaansche dollar het uitsluitend ruilmiddel
is, dus voornamelijk China en de Straits. Dit zelfs echter is niet
juist, doch bepaald misgezien blijkt de bewering, wanneer er sprake is
van goederen, uit Europa en Java ingevoerd. De importeurs berekenen hun
prijzen in Nederlandsch Courant en verlaging van den dollarkoers brengt
dus ten opzichte dezer goederen terstond en onvermijdelijk vermindering
van koopkracht van den dollar mede. En onder deze goederen vallen om
maar iets te noemen, alle kleedingstukken van den Javaan.
Bij de Deli Maatschappij en misschien ook bij sommige andere
ondernemingen worden bij terugkeer van koelies naar Java, doch ook
alleen aan dezen, de spaarpenningen—s’il y en a—uitgekeerd in
N.-Indisch Courant tegen den koers van ƒ 2.— Een weinig wol wordt het
schaap gelaten... voor reclame.
En kreeg nu nog maar altijd de koelie het hem toekomend loon in
dollars, d. i. in zilver of in gangbaar papier. Maar op hoeveel
ondernemingen ziet de koelie zich niet op den dag der uitbetaling
afgescheept, meestal gedeeltelijk, soms geheel, met estate-bons of bons
op de kedei! [32] In de Deli-Courant van 5 Mei 1902 lezen wij, hoe op
Ramboeng-Estate eenige koelies den administrateur hadden aangevallen,
omdat ze „sakit hati” waren [33] over die $ 2.60 papieren geld (lees:
bons op de kedei) in plaats van $ 1.— zilver en $ 1.50 bons zooals
gewoonlijk.
„Wat een tuig toch, niet waar, om zulk eene daad te volvoeren wegens
eene dergelijke kleinigheid!”, vervolgt de gevoelvolle schrijver.
Eene kleinigheid! In het zweet zijns aanschijns heeft de werkman
veertien dagen achtereen, van des morgens zes tot elf en des middags
van een tot zes, het land bewerkt. Gedurende al die dagen mocht hij die
onderneming niet verlaten, doch op den vijftienden dag, den dag der
uitbetaling, die tevens rustdag is, zal hij vrij zijn en een bezoek
gaan brengen aan een ouden kennis, een dessagenoot, die een kleine
warong bezit in de naburige kampong. Op zijn verzoek heeft deze het
feest der besnijdenis van zijnen oudsten zoon gesteld op dien dag. Van
den dollar, dien hij in zilver ontvangt, zal hij twee koepang [34]
geven als zijn bijdrage tot het feest....
Of wel, hij wil tabak en strootjes koopen bij een ander dan bij den
kedeihouder op de onderneming die te duur is, of wiens artikelen hem
niet bevallen....
Of hij wil—het doet er niet toe, wat hij wil. Hij is één dag vrij, los
van den knellenden band der slavernij en dien dag wil hij vieren naar
zijn genoegen, het komt er niet op aan, welk dat genoegen is, al hopen
wij, dat het een geoorloofd genot zij. Misschien zelfs wil hij de
onderneming niet eens verlaten, maar eens echt uitrusten van zoo lang
een arbeid, en het geld, de contanten, die hij ontvangt, sparen, ten
minste een koepang of vijf centen...
Ik tracht in de verste verte geen romannetje te schrijven, of door
sentimentaliteit op het gevoel mijner lezers te werken. Mij dunkt, dat
in alles wat ik veronderstelde, niets buitengewoons, niets minder
dagelijks wordt gevonden.
Maar wie onzer gevoelt niet, hoe diep de teleurstelling van den arme
moest zijn, toen hij in plaats van het hem toekomend geld, den dollar
in zilver, waar hij recht op had, te ontvangen, zich zag afgescheept
meteen bonnetje op den winkel der onderneming?
De Deli-Courant moge deze zaak eene kleinigheid noemen, zij blijft eene
daad van schandelijke willekeur van de zijde van den administrateur.
Nog sterker voorbeeld van willekeur, dat ten duidelijkste bewijst, hoe
onrechtmatige macht van den mensch over den mensch leidt tot verdorring
van de ziel en verharding van het gemoed van den meester, vinden wij in
den afschuwelijken toestand, waarin een tweetal jaren geleden de
Javaansche vrouwen verkeerden op eene der ondernemingen in Padang en
Bedagei.
Volgens het werkcontract wordt aan de vrouwen geen loon uitgekeerd voor
de dagen, dat zij niet werken.
Nu was er voor de vrouwen op die onderneming gedurende eene zekere
maand geen werk. Werk elders gaan zoeken, mochten zij niet, natuurlijk
niet, want zij waren niet vrij. Nu zou, indien er bij den beheerder der
onderneming nog een vonkje menschelijk gevoel had gegloord, ten minste
levensonderhoud aan die vrouwen gegeven zijn, wier schuld het toch
waarlijk niet was, dat er niet gewerkt werd. Zij wilden immers werken,
indien de meester maar zoo genadig wilde zijn, haar wat te doen te
geven. En hoe licht, ik zou zeggen, immers altijd, kan er op eene
onderneming van landbouw werk worden gevonden, al zij het dan ook
minder noodzakelijk werk. Maar neen, deze ellendeling, op het feit der
werkeloosheid der Javaansche vrouwen door zijn assistent opmerkzaam
gemaakt, antwoordde cynisch:
„Laat ze d’r centen maar op d’r eigen manier verdienen, er zijn genoeg
Chineezen op de estate.”
Kan het lager, kan het weerzinwekkender?
Wat soms het lot is der vrouwelijke contractanten, die door hare
schoonheid den meester behagen, ligt voor de hand. Een enkel
voorbeeld—uit tallooze—worde hier vermeld. Een administrateur had in
het kantoor der onderneming een separaat kamertje voor hem zelf, waarin
eene rustbank, tafel, spiegel en waschgerei. Daarin keurde hij van de
aangekomen vrouwen degene, die hem, laat mij zeggen, het beminnelijkst
toescheen, na, gelijk hij het euphemistisch noemde.
Het walgt mij, verder over dit onderwerp uit te weiden. Ieder, die met
de toestanden in Deli bekend is, weet het en wie het niet weet, moge
uit dit voorbeeld zijn conclusies trekken.
Maar zijn er dan geen rechters in Deli?
Hoe ongelooflijk het moge klinken, het antwoord op deze vraag luidt
ontkennend... In Deli zijn geen rechters! Ten minste niet voor
Europeanen. De rechter, die den Europeaan zal straffen ingeval van
gepleegd misdrijf, zetelt te Batavia. De kleinste kleinigheid—sedert
ruim een jaar met eene geringe uitzondering—moet voor den Raad van
Justitie te Batavia behandeld worden. Dat is ongeveer hetzelfde, of een
misdrijf, gepleegd in Amsterdam, zou worden berecht in Madrid. Deze
wijze van rechtspleging heeft voor den Europeaan een groot nadeel: de
kosten van het geding, waarin de beklaagde, indien hij schuldig
bevonden wordt, wordt veroordeeld, worden buiten verhouding hoog. Deze
toch beloopen, indien er een paar Europeesche getuigen worden
opgeroepen, minstens ƒ 1000.—.
Men ziet in, hoe onevenredig drukkend deze kosten zijn, indien—zooals
meer dan eens is voorgekomen—de beklaagde b. v. tot eene geldstraf van
ƒ 25.— wordt veroordeeld.
Toch hoort men weinig of geen klachten over deze abnormaliteit. En dat
met reden. Immers, de verre afstand van den rechter brengt twee groote
voordeelen met zich:
a. het groeien en bloeien van het verderfelijk toetoepstelsel;
b. de gelegenheid tot het verduisteren van getuigen.
Over het toetoepstelsel werd reeds het een en ander door mij gezegd.
Alsnu eenige inlichting omtrent