MISHANDELING EN WREEDHEID.

Het ligt niet in het plan van dit boekske, alle zonden van Deli te

ontdekken van zijn ontstaan tot op heden. Laat het verledene verleden

blijven, al kan het nooit sterven, waar de overleveringen blijven

bestaan. Ik wil spreken over den laatsten tijd, en neem daartoe een

tijdperk van vier jaren. De beschrijving, hoe eens—lang geleden—een

administrateur een koelie met de duimen tusschen de copieerpers

schroefde; hoe, om de orde te handhaven in een hospitaal, elk der

patiënten een kies werd getrokken; hoe inspecteur en beheerder in

broederlijke eensgezindheid zich verwaardigen aan tiangs [25]

opgeheschen Chineezen eigenhandig aan den lijve te tuchtigen; de

beschrijving van deze en dergelijke blijken van speelschheid zij den

lezer bespaard. De overlevering heeft om de slapen dezer helden reeds

hare kransen gewonden—zij behouden die ongerept! Wat door mij wordt

medegedeeld, wordt beschenen door het volle licht der historie en op de

akten der zaak kan nog elk oogenblik de hand worden gelegd.

Oude toestanden bestaan niet meer; de tijden zijn veranderd; de ruwheid

van den eersten pionier heeft plaats gemaakt voor het zachter beheer

van den wetenschappelijken planter. Hoe weldadig doet ons het tooneel

aan, in vergelijking bij hetgeen men vroeger zag, dat een drietal jaren

geleden het huis van een assistent van een der grootste maatschappijen

te aanschouwen gaf. Een ooggetuige verhaalt mij het volgende:

„Het was tegen elven, toen ik na een langen rit in de heete zon over

den stoffigen weg het huis van den assistent X. op de onderneming Y.

bereikte. De heer X. bleek nog niet thuis te zijn en zoo zette ik mij

op de voorgalerij, om zijne komst af te wachten. Nauwelijks gezeten,

hoorde ik eene jammerende vrouwestem, die van onder het huis scheen te

komen. [26] Ik stond op, om te gaan zien, wat er gaande was. Beneden

gekomen, zag ik eene Javaansche vrouw, naar schatting vijftien, zestien

jaar oud, vastgebonden onder het huis aan een paal, in den stand van

Christus aan het kruis. Om dit mogelijk te maken was een dwarshout over

de paal gespijkerd, waaraan hare armen waren gebonden. De zon scheen

gedeeltelijk op haar geheel naakt lijf, doch dit kon mij niet de

kreuningen en het gejammer van de vrouw—in Holland zou men ze nog een

meisje hebben genoemd—verklaren. De huisjongen lichtte mij in. Zij had

de voorkeur gegeven aan de belangelooze liefde van iemand van haar stam

boven de rijksdaalderliefde van den heer X. en daarom had de toean haar

zoo laten vastbinden. Om te beletten, dat zij bewusteloos zou worden

onder de wreede straf, had hij haar vrouwelijk deel laten inwrijven met

gestooten Spaansche peper (sambal-oelik). Dit was mij toch werkelijk te

erg en ik ben verder gereden. Naar ik hoor heeft het meisje in dien

toestand van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds doorgebracht.”

De bedrijver van deze wandaad echter is zijne rechtmatige straf niet

ontgaan, o lezer, denk dat niet! Niet, dat hij vervolgd is in rechte en

met ettelijke jaren tuchthuisstraf voor dit schandelijk misdrijf heeft

geboet. O neen, de Maatschappij, waarbij hij in dienst was en nog is,

heeft het recht genomen in eigen hand en........ hem naar eene andere

onderneming overgeplaatst. En ook zelfs dit niet als de straf, maar

omdat de Maatschappij vreesde voor een row. [27]

Na een kijkje in het leven bij eene groote maatschappij, een korten

blik op de historia intima eener kleine.

Minder dan vier jaren geleden dan lagen op eene kleine onderneming in

eene droogschuur vijf Chineezen, wegloopers, die opgepakt waren en

daarvoor—voor het wegloopen—bestraft. Door een toeval kreeg ik ze te

zien. Ze lagen naast elkander op eene mat op den grond, allen op den

buik, terwijl de rug gedekt was met een stuk wit goed. Eene andere

ligging was niet mogelijk, daar achter- en zijkant geheel en al wond

was, veroorzaakt door slagen met bamboe, niet dunne bamboe, maar bamboe

van 3 à 4 c.M. middellijn, wat de wreedste wonden maakt. Zij werden

verpleegd door den barmhartigen administrateur zelf, die hen aldus tot

straf voor het wegloopen had doen geeselen.... hij was bang, dat toch

hierin misschien aanleiding tot vervolging zou worden gevonden, indien

het den magistraat ter oore mocht komen. Eens in de week kwam een

dokter, die het oppertoezicht op de behandeling had.

Die koelies waren weggeloopen, omdat de behandeling te goed was op de

onderneming, dat is duidelijk. Als dien vlegels eenmaal de

broodkruimels gaan steken!

De beheerder is hiervoor nooit gestraft, wel is hij voor andere

feiten—even erg en even wreed—vervolgd. De dood heeft hem aan zijnen

aardschen Rechter onttrokken.

Een ander—nu weder een beheerder van eene der grootste

maatschappijen—sloeg eene vrouw, die door ruzie maken zijne nachtrust

had verstoord, nadat hij ze onder zijn huis aan een paal had laten

vastbinden, met eenen stok op de billen, totdat het bloed er langs

liep—neen, totdat alles eene groote, vieze etterwond was. Ik heb die

vrouw zelf gezien. Het was afgrijselijk. Eene vervolging is ingesteld,

doch de getuigen zijn verduisterd. [28]

Iemand, die in de bedoelde maatschappij veel te zeggen had, deelde mij

mede, dat indien de betrokken administrateur veroordeeld werd, hij

onmiddellijk ontslagen zou worden. Een wegens slaan van vrouwen

veroordeeld beheerder kon, met het oog op de directie in Europa, niet

gehandhaafd blijven. Lui in Holland hebben bekrompen idees.

Het volgend geval is zeer recent. Ik lees er over in de Java-Bode van

31 December 1901, van de hand van den bekenden briefschrijver D. E.

Liaan, het volgende:

De controleur van Serdang is tegenwoordig bezig om in zijne afdeeling

onderzoek te doen op de ondernemingen naar de behandeling der koelies,

voornamelijk naar de verpleging van zieke koelies, en wel naar

aanleiding van de volgende feiten. Reeds geruimen tijd had het hem

getroffen, dat hij van een koffie-onderneming, waarvan een Franschman

administrateur was, zeer dikwijls Javaansche koelies toegezonden kreeg,

met het verzoek hen te straffen voor werkweigering. Steeds verklaarden

die koelies, dat zij eenvoudig niet konden werken, dat zij te ziek en

te zwak er voor waren, eene verklaring, die door hun ellendig uiterlijk

bevestigd werd. Dit gaf te denken en op een goeden dag stond de

controleur, die de noodige voorzorgen genomen had, dat zijne komst niet

vooruit had kunnen worden aangekondigd, onverwachts op de bedoelde

onderneming en bij een hokje, dat voorzien was van een getralied

venstertje en van eene deur, die van buiten met een stevig hangslot was

afgesloten.

Dit hokje was het hospitaal der onderneming.

Uit het tralievenstertje sloeg een verpestende stank naar buiten en

daarbinnen in eene ruimte van enkele vierkante meters lagen twee

Javanen, acht Javaansche vrouwen en.... een lijk. Het laatste, zooals

later bleek, reeds ongeveer sedert vier-en-twintig uren. Gelegenheid om

te baden was er niet, drinkwater was er niet, eene inrichting om aan

natuurlijke behoeften te voldoen was er niet. Dit laatste geschiedde op

den grond en de zieken krabbelden dan met de handen wat zand bij

elkander om daarmee hun uitwerpselen te kunnen bedekken en door een

reet onder de omwanding heen naar buiten te kunnen schuiven. Als de

dorst hun te ondraaglijk werd, moesten zij maar zien, voor een gedeelte

van hun rantsoen rijst en gedroogde visch—uitstekende ziekenkost!—dat

hun eenmaal per dag verstrekt werd, van voorbijkomende koelies wat

drinkwater in te ruilen. Eens in de veertien dagen kregen de zieken

kinine. Deze bijzonderheden omtrent de „geneeskundige behandeling”

ervoer de controleur, door de ongelukkige schepsels, die vergingen van

vuil en ongedierte, door de tralies heen te ondervragen.

Ook den beheerder werden eenige vragen gesteld. Waarom het „hospitaal”

van buiten was afgesloten? Ja, hij had geen geld om een oppas [29] te

betalen. Natuurlijk was het volstrekt niet uit vrees, dat misschien een

der langzaam stervenden nog kracht genoeg zou kunnen hebben, om weg te

kruipen en zich over zijn beul te gaan beklagen. Waarom de

„behandeling” der zieken zooveel te wenschen overliet? Och, hij stopte

in zijn „hospitaal” slechts koelies, van welke hij overtuigd was, dat

zij toch dood gingen. Volgens de opvatting des edelen mans—zoover

verheven, niet waar? boven het Javaansche werkvee, dat hij daar in zijn

pesthol liet crêveeren, zooals geen fatsoenlijk man zijn schurftigen

hond zou laten doen—was dus geen koelie ziek, voordat hij

onvermijdelijk sterven moest. En als ’t zóóver was, kon toch natuurlijk

niet van hem verlangd worden, dat hij voor ’t stervende, dus waardeloos

geworden werkvee kosten maakte of moeite deed. Hij zag echter in, zeide

hij, dat de controleur op zijne onderneming was gekomen „om hem

ongelukkig te maken”.

Waarachtig, lezer, dat zeide de brave kerel. Is ’t niet aandoenlijk,

iemand zoo onverdiend te zien vervolgd worden?

Hoe uitstekend de voeding van de „gezonde” koelies op die onderneming

was, blijkt wel heel eigenaardig uit het opzenden ter bestraffing

wegens werkweigering van menschen, die te zwak waren om te werken en

daaruit, dat die „gezonden” voor eene zoo geringe hulpvaardigheid als

het brengen van eene flesch drinkwater zich lieten betalen in voedsel.

Volgens de bestaande bepaling moet ook deze onderneming eene

overeenkomst gesloten hebben met een geneesheer om minstens eens in de

veertien dagen haar hospitaal te bezoeken. Hoe het mogelijk is, dat

deze medicus in de wijze van „verpleging” heeft kunnen berusten, is, op

zijn zachtst uitgedrukt, onbegrijpelijk.

De zieken, die zeker niet gedacht hadden, nog ooit levend uit deze

moordinrichting te komen, werden naar het civiel hospitaal te Loeboeq

Pakam vervoerd, waar een der Javaansche vrouwen ook nog binnen korten

tijd overleed. Op haar sterfbed werd zij door den controleur onder eede

gehoord en bevestigde nog eens alles aangaande de „behandeling” in het

„hospitaal” der onderneming, waarin zij zeide meer dan veertig dagen te

hebben doorgebracht. Geen wonder dus, dat zij stierf; vreemder is het,

dat zij het nog zoolang had uitgehouden. Ook deelde zij nog mede, dat

de toewan besar—ja, inderdaad wèl een verheven „groote heer”—elken dag

door het tralievenster kwam kijken en belangstellend aan de zieken de

vraag toeriep of zij nog niet dood waren, terwijl hij zijn spijt te

kennen gaf als dit nog niet het geval was.

Het verhaal van die stervende vrouw.... neen, ik wil niet aan mijn

gevoel toegeven. Ik heb mijn best gedaan om de feiten hartstochtloos,

zonder eenig blijk van gloeiende verontwaardiging op te schrijven,

zooals een deurwaarder een inventaris opmaakt. Men mocht mij eens

beschuldigen van „philanthropische neigingen”, het laagste peil van

idiotisme, waartoe een Deli-bewoner in de oogen zijner mede-ingezetenen

kan zinken. Wie ter wereld hecht nu iets aan de praatjes van—om eene

elegante uitdrukking uit de planterstaal te gebruiken—zoo’n stervend

„contractlel”? Aan het gezeur van eenige, bij levenden lijve in vuil en

ongedierte verrottende, zieke Javanen? Geen enkel verstandig mensch

natuurlijk! ’t Zijn immers maar inlanders! Zou voor zulke lui een

Europeaan, men bedenke toch een Eu-ro-pe-aan, welk een ellendeling hij

ook zijn moge, „ongelukkig gemaakt” mogen worden? Dàt nooit!

Dit is de Deli-opvatting. Dit begrip, dat het jammer is, als een

Europeaan gestraft wordt voor het mishandelen van koelies en beklaagd

moet worden, als hij krijgt wat hij verdient, woekert, meer of minder

geprononceerd, als een kanker voort in de rechtsbegrippen van de

geheele samenleving ter Oostkust van Sumatra. En als zoo iemand

terugkomt van Batavia, vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, omdat

hij handig was in het wegmoffelen van getuigen, dan is er gejuich in

den lande Deli. Waarlijk, Mark Twain merkt te recht op, dat in eene

maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire

begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken.

Wat er voor den dag zou komen, indien het Gouvernement wilde besluiten

tot het houden van een algemeen en grondig onderzoek, leert ons de

geschiedenis van den heer Tripp en de British Deli and Langkat Tobacco

Company. De heer Tripp had de beschuldiging uitgesproken, dat op de

ondernemingen dezer maatschappij de koelietoestanden ergerlijk waren en

mishandelingen aan de orde van den dag. In de Deli Ct. van 24 Mei 1899

leest men omtrent deze zaak het volgende:

„Vermoedelijk is het bericht, dat het regeeringsonderzoek in zake

koeliemishandelingen bij de British Deli gesloten zou zijn en tot

resultaat had, dat de ongegrondheid gebleken is van ’s heeren Tripp’s

aantijgingen, wat voorbarig. Indien ’t waar is en men meene, dat

daarmee de zaak ook voorgoed uit is, dan vergist men zich.

Wat is namelijk het geval? Het proces te Londen heeft de heer Tripp

gewonnen doordien hij een rechter aan zijne zijde kreeg, die zijn

banbliksem slingert tegen de Engelsche directeuren, met wier voorkennis

de schandelijke koelie-toestanden hadden voortgeduurd, doordien geen

onderzoek was ingesteld, toen hun de misstanden meegedeeld waren. De

directeuren liepen na de reprimande naar baron Van Goltstein, den

Nederlandschen gezant, die de regeering in den Haag waarschuwde, die op

haar beurt de zaak te Batavia aanhangig maakte.

In omgekeerde volgorde zal het resultaat van het onderzoek nu te Londen

komen, maar daarmede is de zaak, zooals ik boven reeds schreef, niet

uit. Want is het bericht waar, dat de beschuldigingen ongegrond bleken,

dan volgt te Londen een proces wegens laster van de directie der

British Deli tegen den heer Tripp. Dit werd van den beginne af voorzien

en mocht het zoo ver komen, dan zullen onder eede verklaringen worden

afgelegd door oud-employé’s van de British Deli, die òf valsch zijn en

dan loopen de heeren gevaar, met het tuchthuis kennis te maken, òf een

ongunstig licht werpen op het onderzoek, in Ned.-Indië gehouden.

Dit laatste doet mij verwachten dat de uitslag van het onderzoek niet

wereldkundig zal worden, te meer, omdat alsdan ook in Nederland een

enquête zal moeten worden gehouden, aangezien ook daar getuigen

hunkeren om verklaringen af te leggen eensluidend met de bezwarende,

die indertijd te Londen zoo’n sensatie verwekten.”

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

+ +

+ Emigranten Bureau +

+ „Midden Java” +

+ SAMARANG. +

+ Contracteert krachtig +

+ JAVAANSCH WERKVOLK. +

+ Specialiteit in +

+ BAGALENERS! +

+ Vertegenwoordiger +

+ Herman A. Lefèbre, +

+ MEDAN. +

+ +

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

Hieromtrent, aldus D. E. Liaan in de Java-Bode van 10 Juli 1899, kan ik

mededeelen dat het onderzoek wel is afgeloopen, maar, zooals te

verwachten was, weinig positief resultaat heeft opgeleverd. Sporen van

mishandeling zijn natuurlijk niet eeuwigdurend en het is heel lastig,

met zekerheid uit te maken of sommige litteekens afkomstig zijn van een

pak slaag, dat iemand een paar jaar geleden gehad heeft. Ook het

geheugen van menschen kan men niet dwingen. Van een en ander een

verwijt te maken aan den onderzoeker, ware zeker onbillijk. Dat de

directie der British Deli zou overgaan tot eene klacht wegens laster

tegen den heer Tripp, acht ik niet waarschijnlijk, daar zij wel zal

denken aan het spreekwoord, dat ons leert dat er sommige stoffen zijn,

die, hoe meer men er in roert, een des te onaangenamer geur

verspreiden. Al ware ook te bewijzen, dat elk woord van den heer Tripp

een leugen geweest was, dan zijn hier toch altijd nog de verslagen der

terechtzittingen, die dan voor den dag zouden komen en waaruit minder

mooie dingen zouden blijken. Klachten over geknoei met de uitbetaling

van het loon; vervolging van een administrateur wegens mishandeling,

waarbij de klacht werd ingetrokken tegen betaling van ƒ 50.— aan de

vrouw, die afgeranseld was; vervolging om dezelfde reden van een ander

administrateur, waarbij de zaak niet kon doorgaan wegens de verdwijning

van alle getuigen—zooals in Deli wel meer gebruikelijk is—; vervolging

van een assistent, die eindigt met veroordeeling tot een jaar

gevangenisstraf wegens doodslag onder verzachtende omstandigheden, al

zulke dingen maken geen erg mooien indruk wanneer zij voor het groote

publiek komen.

Ten slotte nog dit uitknipsel uit de Java-Bode van 12 Mei 1902, die ik

onder het schrijven van dit opstel ontving:

„Heden zou voor den Raad van Justitie alhier, hadde hij niet tijdig den

oceaan tusschen hem en den wrekenden arm der gerechtigheid geplaatst,

hebben terechtgestaan een dier rauwe gasten, die ter Oostkust van

Sumatra onder Nederlands vlag koffie en tabak uit den bodem moeten

ranselen. Gedagvaard was A. H. Richards, 46 jaren oud, geboren te

Detroit in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, van beroep assistent

op de koffie-onderneming Tandjong Kassau te Batoe Bahra. Aan dezen

beklaagde wordt mishandeling ten laste gelegd van een groot aantal

Javaansche vrouwen, waarvan een beschaafd man zou gruwen. Aan twee

harer zou Richards, enkel omdat zij vergeten hadden, enkele

grassprietjes uit te trekken, zoo hevige slagen met een stok hebben

toegebracht, dat Kasina I daarvan een hoofdwonde bekwam, waaruit het

bloed gudste, terwijl Rasiem en Soemina het moesten ontgelden op de

schouders, beide armen en de meest vleezige lichaamsdeelen; in dezelfde

maand moesten Samina en Isa II, die van de onderneming gedrost waren,

doch weer opgevat werden, daarvoor eigenmachtig gestraft worden;

Richards zou met dat doel beide vrouwen hebben laten ontkleeden, daarna

met handen en voeten om een paal onder zijn huis hebben laten binden en

haar vervolgens eigenhandig met rotans op de bloote billen zoodanig

geslagen hebben, dat zij daarvan bloedige striemen behielden; op

dezelfde wijze zou deze man tewerk zijn gegaan tegenover Kariosoemito

II, die wegens buikpijn thuis was gebleven van het werk; deze vrouw

werd niet alleen met een rotan op rug en achterdeelen bewerkt, maar een

slag op haar linkerhand kwam zoo hard aan, dat zij die vijftien dagen

lang niet kon gebruiken. Aangezien geen dier vrouwen meer dan 20 dagen

tengevolge van die gruwelijke mishandelingen buiten staat is geweest,

persoonlijken arbeid te verrichten, is het volgens de geschreven

strafwet niet eens zoo heel erg.”

Met een verlicht gevoel, dat de straffen zoo erg niet zijn en het dus

met de beklagenswaardige slavenbeulen nog wel los zal loopen, gaan wij

over tot

De millioenen uit Deli · 第 14 / 27 题