Bij zijne rechtspraak moet de magistraat indachtig zijn, dat de
voorschriften van het Reglement omtrent het bewijs in burgerlijke
en strafzaken niet, zooals op Java, alleen voor den landraad, maar
ook voor de magistraatsgerechten verbindend zijn.
Circulaire van Mr. T. H. der Kinderen XXVIII. (Bijblad No.
4408).
In Deli is de praktijk tot nu toe steeds aan ’t woord geweest, men
is er wel bij gevaren en men late zich ook nu niet afschrikken door
de machtspreuk, de wet verbiedt dit of dit.
D(een) in de Deli-Courant van 3 Sept. 1898.
In een artikel in de Deli-Ct. van 3 Sept. 1898, dat geheel
ongemotiveerd den titel draagt „De puntjes op de i’s”, deelt de heer
D(een) de meening mede van een Nederlandsch geleerde over de
behandeling der koelies in Deli. Hij schrijft het volgende:
„Een Nederlandsch geleerde bezocht Deli, wanneer doet er minder toe;
hij staat hier te lande bekend als een zeer scherpzinnig en uiterst
conscientieus man en hetgeen hij meedeelde over de behandeling der
koelies op Sumatra, is in een woord hemeltergend. Maanden geleden kwam
mij zijne opinie ter oore. ’t Zal erg overdreven zijn, dacht ik, en met
dezen en genen er over sprekende, kwam ook bij mij ten slotte het idee
boven dat een geleerde, niet gewend om met inlandsche werkkrachten om
te gaan, niet de man is om de kwestie vrij van zekere sentimentaliteit
te beoordeelen. Ik zweeg dus,.....”
De heer D(een) is geen geleerde; niemand die zijne artikelen geregeld
leest, zal zich aan vervolging wegens hoon wenschen bloot te stellen,
door hem geleerdheid ten laste te leggen. Laat ons echter
veronderstellen, dat hij in gelijke mate als de bedoelde geleerde de
eigenschappen van scherpzinnigheid en nauwgezetheid bezit. Bij het
vormen van een oordeel zullen deze twee qualiteiten er niet weinig toe
bijdragen, om het juist te doen zijn en om vertrouwen te wekken bij
anderen in de getrokken conclusie.
Doch nu vraag ik, waar ter wereld haalt de heer Deen het recht vandaan,
om met een beroep op vermoedelijk aanwezige sentimentaliteit, den
geleerde onbevoegd tot oordeelen te verklaren, alleen op grond, dat hij
meer wetenschappelijk is ontwikkeld dan de heer Deen?
Met eene onhandigheid, die oppervlakkige geesten als de heer Deen
kenmerkt, haalt hij aan het slot van het aangehaalde
couranten-artikeltje eenige woorden aan, door den resident Scherer bij
de invoering van „de rechterlijke organisatie op Sumatra’s Oostkust”
(lees „het Reglement op het Rechtswezen in de Residentie Oostkust van
Sumatra”) gesproken: „De ontwerper dezer organisatie Mr. Der Kinderen
heeft begrepen, dat voor een land met zulke eigenaardige politieke,
sociale en economische toestanden het niet alleen noodig zou zijn, het
reglement op het Rechtswezen te toetsen aan de wetenschap, doch ook te
rade te gaan met de eischen der praktijk”.
Zou het ook juist om de eischen der praktijk zijn, dat Mr. Der Kinderen
uitdrukkelijk in zijn aan hoofde dezes geciteerde circulaire den
magistraten op het hart drukt, toch in ’s hemels naam zich niet te
laten verleiden tot het spreken van arbitrair recht, doch zich stipt te
houden aan de wettelijke voorschriften omtrent het bewijs, zoowel in
burgerlijke als in strafzaken?
Zou het niet zijn, dat Mr. Der Kinderen, bevreesd voor kwade practijken
van de zijde der werkgevers tegenover de ongelukkige contractanten, den
magistraat waarschuwt, toch niet lichtvaardig te zijn in zijn oordeel
en hem beveelt slechts dan tot veroordeeling over te gaan, wanneer aan
de eischen der wet geheel is voldaan?
Zou het niet zijn, dat Mr. Der Kinderen wilde waarschuwen tegen de
gewetenloozen, die, alleen lettend op eigen geldelijk belang, als de
heer Deen zoo vriendelijk raadt, „zich niet laten afschrikken door de
machtspreuk, de wet verbiedt dit of dit?”
Zou het niet zijn, dat de heer Deen, zich beroepend op Mr. Der
Kinderen, zijn eigen vonnis velt? En zou wat meer wetenschappelijke
ontwikkeling en kennis van zaken den heer Deen hebben geschaad, waar
hij de puntjes trachtte te zetten op de i’s?
De heer Deen vergeve mij, dat ik meer blijf hechten aan het oordeel van
den zeer scherpzinnigen en uiterst conscientieuzen geleerde, zooals de
heer Deen zijnen zegsman omschrijft, al voert hij wetenschappelijken
ballast, dan aan de meening van den heer Deen, die—ik geef het toe—even
ontbloot is van wetenschappelijke gronden als van zedelijk gevoel.
Het zou zeker niet de moeite waard zijn, zoo lang bij eene, zacht
gezegd, immoreele uitlating van een oppervlakkig journalist stil te
staan, ware het niet, dat de heer Deen onder planters, hoe onverdiend
dan ook, geldt als een man van gezag. De theorie „de wet ondergeschikt
aan de eischen der praktijk” met zooveel schaamteloosheid verkondigd,
moet ingang vinden bij wie belang hebben bij de instandhouding der
praktijk. Der praktijk van mishandeling en wreedheid, ongevoeligheid en
gelddorst, willekeur en bedrog.