Hedenmorgen, precies om tien uur, begon de vendutie van den Resident.
Allereerst werden de planten voor het huis en uit de voorgalerij
verkocht, die nu wel niet buitengewoon duur gingen, maar toch altijd
nog hooge prijzen opbrachten. Trouwens, in het begin kon men niet van
bepaalde fancy-prijzen spreken, al werd ook nu en dan een aschbakje of
zoo iets, dat een of twee gulden waard was, verkocht voor ƒ 10.— of ƒ
20.
Later, toen de barang uit de binnengalerij aan de beurt kwam, begonnen
de prijzen echter hooger te worden.
Zoo werden daar bijvoorbeeld allereerst verkocht twee potten met
planten op console. Kooper werd de Sultan van Deli voor ƒ 1640.
Volgden, o. a. twee bronzen beelden, voor ƒ 800.— door den heer De
Voogt [9] uit Pangkalan Brandan; een reproductie naar de schilderij van
Thérèse Schwartze, voorstellende H. M. de Koningin, voor ƒ 310.— door
den Toengkoe Besar van Asahan; een gewone fotografie van H. M. met den
Prins-gemaal in lijst, ƒ 600.— door de Shanghai Sumatra Tobacco Cy;
twee groote wandspiegels voor ƒ 1000 per stuk, door den Sultan van
Langkat, enz. Het salon-ameublement uit de binnengalerij werd gekocht
door den kapitein-Chinees voor ƒ 3300.— enz., enz.
Dit waren allemaal nog betrekkelijk groote en kostbare stukken, maar nu
volgden ook kleinere, voor reusachtige prijzen. Een gewoon houten
kaartendoos werd door den majoor-Chinees gekocht voor ƒ 100.—; een
gong, door den heer Idzerda [10] voor ƒ 600.—; een paar gewone
schilderijen door de Sum. Petr. Company voor ƒ 460.—; twee kleine
cloisonné vaasjes door den heer Idzerda voor ƒ 600.—; twee
schilderijtjes door den heer v. Vollenhoven [11] voor ƒ 500.—; een
klein gipsen bustetje van H. M. de Koningin, door den Toengkoe Pangeran
van Bedagei voor ƒ 160.—; een piano door den majoor-Chinees voor ƒ
1000.— enz.
Na den middag ging het vrijwel op dezelfde wijze voort. Een buffet werd
gekocht door den heer Maschmeyer [12] voor ƒ 460.—; twee electrische
staande lampen door den heer De Voogt van Pangkalan Brandan voor ƒ
420.—; een scheerspiegel door den Sultan van Langkat voor ƒ 400.—; een
nachtkastje door den kapitein-Chinees voor ƒ 180.—; een lessenaar door
denzelfden voor ƒ 600.—en de daarop staande inkt-koker voor ƒ 300.—;
een oude thermometer bracht ƒ 200.— op (de heer Kortman) [13]; de
Chineesche consul betaalde voor een partij glaswerk ƒ 510.— en zoo ging
het verder.
Wij hebben maar hier en daar een greep gedaan, om een denkbeeld te
geven van de bestede sommen en besluiten met de mededeeling, dat het
rijtuig waarin de resident gewoonlijk reed, met de twee zwarte paarden,
werd gekocht door den Sultan van Asahan voor de enorme som van ƒ
5700.—, een ander rijtuig met één paard, door den Sultan van Deli, voor
ƒ 3000.—.
Om drie uur, toen de vendutie nog niet was afgeloopen, was de opbrengst
reeds ruim ƒ 38.000.—.
De opbrengst der vendutie was ƒ 43.250.—, indien het den lezer
interesseert. Doch het is niet alleen vanwege het exorbitant hooge
bedrag, dat ik bovenstaand verslag van de Sumatra-Post overnam. Het is
voornamelijk, omdat de groepen, welke belang hebben bij slapheid van
bestuur en het slapen der Justitie, hier zoo duidelijk uitkomen: de
Inlandsche vorsten, de Chineesche hoofden, de planters. [14]
De Inlandsche vorsten, om voort te kunnen gaan met onderdrukking en
knevelarij der bevolking. Om niet gestoord te worden in hunne bijna
openlijke tegenwerking der zending in de Bataklanden, waar de
vooruitgang en het veldwinnen des Christendoms hoofdzakelijk belet
wordt door het werken en intrigeeren van eenige bekende vorstjes ter
Oostkust.
De Chineesche hoofden, omdat zij in handen hebben de opiumpacht, de
pandhuispacht en de speelpacht, om er niet van te spreken, dat zij de
eigenaren zijn van bijna alle huizen van ontucht. [15]
De planters.......
Ik verzoek den lezer, door te lezen.
Is het wonder, zoo een besturend ambtenaar zich de achting en sympathie
der planters tracht waardig te maken?
Men ziet het, de planter heeft een practisch middel om indruk te maken
op den controleur, wiens opvatting van de koelie-ordonnantie wat te
zeer van de zijne mocht afwijken. Toch, ééns slechts, voor zoover ik
weet, was het de controleur die the best hand had.
Eenige jaren geleden hield een controleur vendutie, doch... bleef. Hij
verhuisde slechts van het eene huis naar het andere op dezelfde
plaats!! De wenk was duidelijk en de vendutie dienovereenkomstig
schitterend.
Doux pays!
De besturende ambtenaren mogen zich blijkbaar nog al verheugen in de
hoogachting hunner..... ik had haast geschreven „onderdanen”, eene
uitdrukking die op de bestuurden beter van toepassing lijkt dan
ingezetenen, wanneer men de serviliteit ziet, waarmede al wat ambtenaar
B. B. is genaderd wordt. Het zou vermakelijk zijn, indien de
grondoorzaak niet zoo ellendig treurig was. Dat de tabakkers verblind
zouden worden door den zachten glans van den zilveren band om des
ambtenaars pet, kan ik moeilijk aannemen. Ook kan het geen bewondering
zijn voor de onervarenheid en afwezigheid van takt, door de jongeren
zoo dikwijls naïevelijk ten toon gespreid. De eigenlijke reden is, dat,
om eene uitdrukking van een mij bekend planter te gebruiken, niemand
zich safe [16] gevoelt.
Niemand?!
Neen, niemand. Er is er geen onder de planters, die niet het een of
ander op zijne rekening heeft en die niet, indien de controleur het
wilde, in moeielijkheden zou geraken.
In een civiel proces tegen een controleur ter Oostkust waren door mij
een paar planters opgeroepen, die tegen dien bestuursman zouden
getuigen. Een van hen bad en smeekte mij, hem niet te doen hooren, daar
de controleur eene zaak voor hem getoetoept had en hij bang was, dat na
zijn getuigenis de zaak weer geopend zou worden.
De tweede, die wèl gehoord werd, getuigde zoo eigenaardig, dat hem op
het gewicht van den eed moest worden gewezen! Het angstzweet stond den
man op het gelaat bij zijne pogingen, de waarheid te zeggen, zonder dat
zijn getuigenis den controleur kon schaden. Ik moet evenwel tot zijne
eer constateeren, dat de vrees voor vervolging wegens meineed iets
grooter was dan zijn angst voor de ontevredenheid van den controleur.
Maar het is toch zeker niet alleen door het gracelijk accepteeren van
hormat [17] en onderdanige kruiperij, dat de controleur zoo hoog staat
aangeschreven bij den planter? Hij zal toch zeker ook door zijne
hulpvaardigheid en welwillende tegemoetkoming—voor zoover die
natuurlijk vereenigbaar zijn met zijnen plicht als magistraat—de
tabakkers aan zich binden?
Zeker, daar is geen twijfel aan.—Veroorloof mij, u daar een enkel
voorbeeld van te geven.
De hoofd-administrateur eener groote maatschappij had een koetsier en
die koetsier had eene moeder, of liever—want hier is die Urquelle alles
Uebels—had geene moeder, maar deed alsof hij eene moeder had. Die
gefingeerde moeder nu werd ziek en stierf. De koetsier vroeg den
toean-maatschappij [18] verlof haar te gaan begraven, wat hem werd
toegestaan.
Een paar dagen daarna kwam de waarheid aan het licht.
De toean-maatschappij werd boos, dat is menschelijk, en stuurde in zijn
drift den koetsier ter bestraffing naar den Magistraat, [19] hetgeen
dom was, zoudt gij meenen. Toch niet. Met eene geestkracht, die den
toekomstigen Napoleon kenmerkt, zette de Magistraat zich over de wet
heen en strafte den koetsier met drie maanden, de maximum-straf, welke
hij bevoegd is op te leggen en waarvan niet is hooger beroep.
Drie maanden dwangarbeid, omdat de man had gelogen tegen zijnen baas!
De planter, die mij het geval vertelde, voegde er gemoedelijk aan toe:
Natuurlijk was de man niet strafbaar, maar wij planters zien zoo iets
graag, voor ’t prestige, weet u. En hij—d. i. de controleur—zal het ook
wel gedaan hebben met het oog op zijne vendutie natuurlijk.
Och kom, hoe kan men zoo’n edel mensch zulke lage bedoelingen
toeschrijven. Het is toch duidelijk, dat wetsverkrachting, zoo ooit,
hier noodzakelijk was. Tot heil van het algemeen moest hier het recht
van het individu worden opgeofferd.
Een ander staaltje van het gevoel van verantwoordelijkheid bij den
Magistraat.
Eene groote onderneming was wat ver gelegen van het controleurskantoor,
zoodat het lastig was, telkens bij overtreding van de
koelie-ordonnantie de delinquenten op te zenden. Men zoutte dus de
perkara’s [20] op en zond eens in de week de gegaarde overtreders ter
bestraffing naar den magistraat. Een behoorlijk geleide vergezelde hen,
opdat zij niet weg konden loopen en het geheel stond onder de leiding
van een inlandschen mandoer. Bij den magistraat aangekomen,
overhandigde de mandoer hem een brief van den hoofd-administrateur,
waarin deze den magistraat onder aanbieding zijner beleefde groeten,
vriendelijk verzocht de ondervolgende koelies wegens de achter hunne
namen genoemde overtredingen met de daarop staande straffen te willen
straffen.
Zonder eenig nader onderzoek werd door den behulpzamen magistraat het
verzoek ingewilligd en de overtreders exemplaarlijk gestraft.
Van de andere zijde moet er heel wat gebeuren, voor een Europeaan
vervolgd wordt. Ik spreek nu niet over de zoogenoemde bagatelzaken,
maar over feiten, welke ter berechting voor den Raad van Justitie thuis
behooren.
De minzame magistraat neemt in zoo’n geval het recht, onbevoegdelijk,
in eigen hand en legt den delinquent eene boete op. Deze boete wordt
dan gestort in de kas van de eene of andere instelling van
liefdadigheid. Verder betaalt de overtreder van de Wet de kosten voor
verpleging en dokter c. q. en de zaak is afgeloopen.
Ook wel—wat tegenwoordig meer in zwang schijnt te zijn—komt de boete
als schadevergoeding aan de beleedigde partij.
Een onderzoek naar het percentage van strafzaken die getoetoept worden,
is uitteraard lastig. Het eenige wat ik hieromtrent als zeker mede kan
deelen is, dat in de hoofdstad Medan gedurende de laatste vier
jaren—over welk tijdperk door mij voornamelijk gehandeld wordt—het
percentage bedroeg juist 100%. Geen enkele zaak van eenig aanbelang is
gedurende dien tijd strafrechterlijk vervolgd!!
Nu is uit den aard der zaak het aantal misdrijven, door Europeanen
gepleegd, in Medan betrekkelijk gering in vergelijking met dat,
gepleegd op de ondernemingen. En ook was er, naar ik meen, geen enkel
geval van moord of doodslag bij, dat niet vervolgd werd, en waren de
ergste gevallen het toebrengen van min of meer gevaarlijke wonden. In
deze gevallen heeft bij den magistraat—hoe ongeoorloofd dan
ook—voorgezeten een zeker kasian [21] vanwege de hooge kosten eener
vervolging. [22]
Maar hoe staat het op de ondernemingen?”
Onwettige vrijheidsberooving is daar aan de orde van den dag.
Het gevoel der menschelijke gelijkheid voor God en dus voor de Wet is
bij den meester door de koelie-ordonnantie verdoofd en de werkkring der
Europeesche assistenten herroept voor den geest het beeld van den
vroegeren blankofficier.
Doodslag komt veelvuldig voor.
Misbruik van macht en van positie geeft herhaaldelijk aanleiding tot de
onrechtmatigste handelingen en de walgelijkste tooneelen.
En toch zijn de strafzaken uit Deli, welke behandeld worden in Batavia,
hoewel in volstrekten zin vele, betrekkelijk gering in aantal.
Hoe komt dat?
Het volgende moge den aandachtigen lezer inlichting geven.
Toen op mijn verzoek een zeker administrateur strafrechterlijk vervolgd
werd, omdat hij tegen alle recht een stal, toebehoorend aan een
Chineeschen winkelier, op de onderneming had doen vernielen en aan de
klacht door den betrokken magistraat gevolg werd gegeven, verweet de
administrateur den magistraat in heftige bewoordingen zijne houding in
deze zaak. „Waarom deze zaak vervolgd en die van A., van B. en van C.
getoetoept; zaken die toch veel erger waren? Als ik vervolgd word, zal
ik dat alles eens aan den Raad van Justitie mededeelen.” Zoo dreigde de
administrateur [23].
Gelijk ik reeds zeide, het percentage op te geven der getoetoepte
zaken, is vrij wel onmogelijk. Toch meen ik uit mijne ervaring te mogen
schatten dat nog niet één procent der strafbare feiten—geen
bagatelzaken—door Europeanen gepleegd, vervolgd wordt.
Dit is deels te wijten aan den volstrekt onvoldoenden opsporingsdienst
en verder aan het verderfelijk toetoepstelsel.
Het is hier de plaats, mede te deelen, hoe ieder jaar de Majoor-Chinees
te Medan alle ambtenaren met kostbare cadeaux bedenkt ter gelegenheid
van het Nieuwejaar. Of hij al dan niet met den ambtenaar te maken
heeft, maakt geen verschil, behalve dan misschien in de waarde van het
aangeboden geschenk, hetwelk soms eene waarde van eenige honderden
guldens vertegenwoordigt.
Een mijner kennissen, pas als ambtenaar te Medan geplaatst, ontving,
hoewel hij den Majoor-Chinees zelfs nooit gesproken had, tot zijne
verbazing met Nieuwejaar een geschenk ter waarde van ongeveer ƒ 25.—.
Hoewel nooit dergelijke geschenken aannemend van menschen, met wie hij
uit den aard zijner betrekking te maken had, accepteerde hij dit, daar
immers zijne betrekking hem nooit in aanraking bracht met het
Chineesche Hoofd.
Wat bewoog den Chinees tot het aanbieden van dit geschenk? Men zal mij
toegeven, dat persoonlijke sympathie hier uitgesloten is. Aan
liefdadigheid kan niet worden gedacht, want het cadeau was een voorwerp
van weelde en trouwens de beschonkene in ’t genot van een behoorlijk
salaris.
Ben ik te ergdenkend, wanneer ik vermoed, dat de uitgave gemaakt werd,
omdat de mogelijkheid bestond, dat het Chineesche Hoofd wel wat met
mijnen vriend te maken zou krijgen?
Ter eere van onze ambtenaren wil ik hier constateeren, dat er meer dan
een gevonden wordt, die dergelijke geschenken weigert, zelfs op het
gevaar af van hooger hand een „katje” te krijgen, omdat zijne weigering
van gebrek aan tact getuigt. [24]