In hetgeen hier volgt, zoeke men geen geleerd betoog of juridische
uiteenzetting, met het doel, de stellingen van blz. 7 te bewijzen. Dit
is, dunkt mij, voor het publiek in Nederland geheel overbodig. Mijne
bedoeling is dan ook minder, den geest van den Lezer te verrijken, dan
zijn hart te treffen. Over de koelie-ordonnantie is reeds meer dan
voldoende geschreven en zij is door groote geleerden, o.a. door Prof.
Mr. G. A. van Hamel, meer dan eens behandeld. Zelfs danken wij aan haar
de keurige dissertatie van mijnen vriend Mr. C. H. van Delden, en eene
bondige en heldere uiteenzetting van de hand van Mr. Justus (blijkbaar
een pseudoniem) in de Java-Bode. Maar de geleerde werken worden slechts
door enkelen opgenomen en van het standpunt van den jurist beschouwd en
het dagblad-artikel vindt slechts gehoor bij een klein aantal lezers en
zeker over het algemeen niet bij die lezers, tot wie ik mij wensch te
wenden.
Voor mij toch staat op de eerste plaats: De eere Gods en het wegnemen
van den gruwel.
Daarom deed ik een greep in de veelheid der feiten, meest uit
couranten, soms uit mijne ervaring, altijd uit de werkelijkheid. En ik
deel nu die feiten mede, op mijne wijze, zonder juridische
spitsvondigheid, zonder wetenschappelijke ontleding, alleen met enkele
verklarende toelichtingen.
Ik wijs op de afgrijselijke wonden, die de kanker der slavernij vrat in
de samenleving ter Oostkust, opdat een ieder, aangegrepen door hare
afzichtelijkheid, om den heelmeester zal roepen. Opdat ieder de
wegneming zal eischen van de oorzaak der kwaal, die het gezonde lichaam
verteert.
Opdat, wie gelezen zal hebben, zal zeggen: Het deert mij niet, of die
toestand al of niet valt onder de rechtskundige definitie van
slavernij; het laat mij koud, of de koelie-ordonnantie al dan niet in
strijd is met onze Grondwet of Burgerlijke Wet; het is mij
onverschillig, of ondernemers of maatschappijen min of meer
philantropisch zijn en hunne werklieden beter of slechter behandelen en
verplegen. Het eenige, wat mij raakt is, dat zij is in strijd met de
eere Gods, in strijd met de menschelijkheid.