De koelie-ordonnantie is in strijd met de Christelijke beginselen.
Mijne verdediging dezer stellingen, waartegen door geen der ter
vergadering aanwezigen iets werd ingebracht, behalve een verwijt, dat
ik geen rekening hield met de praktijk, [4] gaf aanleiding tot eenige
ingezonden stukken in de beide plaatselijke bladen, waarbij men het
recht van bestaan der koelie-ordonnantie trachtte te argumenteeren uit
veronderstelde ondeugden in mijnen persoon.
Op deze aanfluitingen heb ik niet willen antwoorden en wil dat nog
niet.
Alleen wil ik—naar aanleiding der poging van een der inzenders, die
zich beroemt volslagen heiden te zijn, om mij wegens mijne
godsdienstige beginselen belachelijk te maken—den lezer doen zien, hoe
de samenleving in Deli is afgeweken van de orde eener Christelijke
maatschappij.
En zulks, naar mijne meening, grootendeels als gevolg van de
koelie-ordonnantie.
Want wanneer den eenen mensch over den anderen, al sta de laatste nog
zooveel lager in beschaving, meer macht is gegeven, dan hem volgens
Gods ordinantiën ooit mag toekomen, dan zal deze toestand niet alleen
het gemoed van den onderworpene verbitteren en de ondeugd der kruiperij
welig doen tieren in zijne ziel, doch zal ook de meester den
ontzedelijkenden invloed ondervinden. Hardvochtigheid en willekeur,
misbruik van macht en positie zijn de onmiddellijke en onvermijdelijke
gevolgen. En dit alles voert af van den Christus, en leidt tot het
naaktste materialisme.
Zoo ook in Deli.
Van eene Christelijke maatschappij, van een leven met het bewustzijn
van het bestaan van den eenigen God, niet het minste uiterlijk bewijs.
Dat Deli een land is, door Christenen geregeerd en bestuurd, leidt de
vreemdeling dan ook alleen af uit het feit, dat het Europeanen zijn,
die het roer in handen hebben. De instellingen en gebruiken des
dagelijkschen levens zijn er echter geheel mede in strijd.
Men heeft er geen kerken. [5].
Men viert er den dag des Heeren niet. Zelfs heeft men er geen
wekelijkschen rustdag.
Men rekent er niet bij weken en dagen, men rekent bij bloote datums.
Men viert er niet de Christelijke feestdagen; noch het feest der
Opstanding, noch dat der Hemelvaart of Pinksteren, noch dat van de
geboorte van den Christus wordt er gevierd.
Men viert er het burgerlijke Nieuwjaar.
Men viert er het Chineesche Nieuwjaar.
Men viert er de Chineesche heiligendagen.
Men rust er op den hari besar [6], den 1sten en 15den of den 2den en
16den der maand.
En dit alleen, omdat volgens contract den koelie twee dagen per maand
als vrije dagen toekomen. Want zelfs het recht op een rustdag tot
herstel van het van arbeiden vermoeid lichaam wordt niet erkend.
Het is de triomf der revolutie. De rationalisten van 1789 zouden niet
meer kunnen verlangen.
Deli is welvarend, zeer welvarend. De Europeanen verdienen er grof geld
en de tabaksmaatschappijen deelen groote dividenden uit. De hoofdstad
Medan is electrisch verlicht en de hotels zijn van den eersten rang.
Rondreizende kermistroepen zijn altijd welkom en worden vorstelijk
betaald. Champagne wordt dagelijks gedronken. Men eet, men drinkt, men
is vroolijk, men is onbekommerd voor den dag van morgen. En niemand
denkt aan het uur van den dood.
En achter dat alles, achter dien schitterenden spiegel, die het
zorgeloos leven weerkaatst..... is de zedeloosheid, is de verdorvenheid
en het onrecht.
Deli is een gepleisterd graf.