Mijne Heeren!
Wanneer ik wensch in te leiden de onderwerpen koelie-immigratie,
koelie-ordonnantie en contract-koelies, ontleen ik het recht
daartoe niet aan speciale deskundigheid ter zake. Ongetwijfeld zijn
er in Deli velen, die wegens het dagelijks ermeê te doen hebben,
veel meer doorkneed zijn in contract-koelie-aangelegenheden dan ik.
Er komen echter enkele zaken bij te pas, die iedereen in ’t oog
springen en waarover wellicht een niet-gebruiker van
contract-koelie-arbeid onbevangener kan oordeelen, dan iemand, die
wèl met contract-koelies werkt.
Inleiden van een onderwerp kan natuurlijk slechts bestaan uit het
aanstippen van enkele punten, die er bij te pas komen.
Bij de allersummierste behandeling van dit onderwerp dan, komen wij
als van zelf tot de vragen:
Is het vigeerende contract-koeliesysteem moreel te verdedigen?
Is vrije immigratie van arbeiders wenschelijk?
En is die vrije immigratie mogelijk?
Op de eerste vraag, de uit een moreel oogpunt verdedigbaarheid van
het contract-koeliesysteem, kan men, dunkt mij, geen oogenblik
aarzelen, ontkennend te antwoorden.
Het is eenvoudig eene vermomde en niet eens zwaar vermomde, zij het
ook tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap en vermoedelijk
zal wel niemand slavernij willen verdedigen, anders dan op
utiliteitsgronden ten behoeve van cultuur- of
nijverheidsondernemers die, terecht of ten onrechte, meenen, hun
bedrijf zonder slavernij niet winstgevend te kunnen uitoefenen.
Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als
slaven beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over.
Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeeringswege als
zoodanig beschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit
de model-werkcontracten, beide vastgesteld door den
Gouverneur-Generaal.
Wij vinden, bijvoorbeeld, in de koelie-ordonnantie in artikelen 9
en 10 straffen van boete of tenarbeidstelling voor den kost zonder
loon bedreigd tegen desertie, tegen voortgezette weigering om te
werken, verregaande luiheid, dienstweigering en dergelijke.
Allemaal zaken, die een vrij werkman hoogstens zijne betrekking
zouden kunnen kosten en misschien eene civiele actie tot vergoeding
van kosten, schaden en interessen.
Immers wij vinden in het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië
artikel 1239, luidende:
„Alle verbindtenissen om iets te doen of niet te doen, worden
opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval
de schuldenaar niet aan zijne verplichting voldoet.”
Dit is dus het wetsartikel, dat toepasselijk zou zijn op een vrij
werkman, die inbreuk zou maken op een werkcontract. In de
koelie-ordonnantie wordt dit artikel eenvoudig op zij gezet en,
zonder nu te willen beoordeelen of de tegen de contract-koelies
deswegen bedreigde straffen zwaar of licht zijn, komt het mij voor,
dat rechtspreken buiten de wet om, die voor vrije menschen geldt,
alleen ten opzichte van slaven kan geschieden.
Ook kan alleen een slaaf zich tegenover een particulieren werkgever
aan „desertie” schuldig maken.
In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van
slaaf bijzonder duidelijk uit. Daar namelijk wordt onder meer straf
bedreigd tegen dengene, die een weggeloopen koelie huisvesting
verleent.
Dit huisvesting verleenen aan iemand, die van een particulieren
werkgever is weggeloopen kan, dunkt mij, alleen ten opzichte van
een slaaf een van overheidswege strafbaar feit opleveren. Het
herinnert levendig aan de dagen der Amerikaansche „underground
railway”.
Uitgemaakt hebbende dat het contract-koeliedom een vorm van
slavernij is, is daarmede de vraag of vrije immigratie van
werklieden wenschelijk is, van zelf in bevestigenden zin
beantwoord.
De vraag of zij ook mogelijk is, is minder gemakkelijk met enkele
woorden te beantwoorden.
Maar zelfs aangenomen, dat het totaal onmogelijk zou zijn, de eene
of andere cultuur of nijverheid met vrije arbeiders winstgevend te
drijven, wordt dan uit die onmogelijkheid het recht geboren om haar
met slavenarbeid te drijven?
Kunnen de belangen van den een het rechtvaardigen om voor den
ander, hij zij dan ook geen Europeaan, een toestand van slavernij
te scheppen en te bestendigen?
Het komt mij voor van niet.
Van de misbruiken, waartoe het contract-koeliesysteem direct
aanleiding geeft, vermeld ik alleen het immoreele verschaffen van
dobbelgelegenheid en prostituées op de ondernemingen in den
reëngagementstijd om de koelies tot reëngageeren te brengen;
het opmaken der contracten en vaststellen der loonen in de enorm
gedeprecieerde dollars, wat vooral de Javaansche koelies benadeelt;
en het nobele ronselen.
Alles te zamen genomen wil het mij voorkomen, dat het
contract-koeliesysteem eene alles behalve mooie instelling is.
Het komt mij dus voor, dat het wenschelijk zou zijn om, zoo noodig
met behulp van een overgangstijdperk, pogingen aan te wenden om te
komen tot immigratie van vrije arbeiders.
De heer De Coningh vond een bestrijder in den heer Lefèbre, die lang
niet onpartijdig was, aangezien hij zelf makelaar is in menschenvleesch
[1].