De heer De Coningh heeft aangehaald, dat het contract-systeem een
slechten indruk zou maken; dat is nog niet geheel waar. Op Java
maakt het systeem een slechten indruk. Maar er zijn
contract-koelies en vrije koelies. Het is daarom nog geen
slavernij.
Als men nagaat, wat de positie van een slaaf in de oudheid was, dan
ziet men dat de slaaf gedwongen werd; een slaaf kon echter niet
overgehaald, geprest worden. Er was ook geen sprake van verbanning
(de heer L. heeft blijkbaar „bannelingschap” verstaan. De heer De
Coningh sprak van „pandelingschap”.—Red.) De uitdrukking slavernij
is dan ook veel te sterk. Waarom mag een Javaan niet naar Sumatra
reizen, toch niet omdat hij daartoe een paar dagen over zee moet?
Ware de zee er niet, was Sumatra met Java verbonden, dan zou hij
mogen loopen, waarheen hij wilde en dus ook naar Deli.
Bovendien wordt de Javaan, hier op de Oostkust aangekomen,
geenszins slaaf. Het tegendeel is waar. De Javaan is op Java veel
meer een slaaf, dan de contract-koelie hier op de kust. De koelie
neemt eenvoudig een verplichting tot arbeid op zich volgens
contract en over het algemeen worden de contract-koelies goed
behandeld. Hoe gaat het echter met den Javaan op Java? Op Java
worden zij gesneden, de loerah’s, de assistent-wedono’s, ook de
planters straffen den Javaanschen arbeider op Java. Indien hij iets
op zijn kerfstok heeft, krijgt hij met den rotan en is hij over de
hem toebedeelde straf niet tevreden, wel, dan marcheert hij naar
den controleur, dat wil zeggen, den wedono. Deze vraagt hem, waarom
hij ontevreden is? Het is toch beter een 20 rotanslagen te
ontvangen, dan in de gevangenis te gaan en berri-berri op te
loopen.
Er zijn hier in Deli talrijke Europeanen, die komen hier ook niet
voor hun pleizier, maar om te werken en zij komen er zonder en met
een contract, het zou vaak niet mogelijk zijn, Europeanen zonder
contract te engageeren. De meesten hebben een contract.
De koelies zijn vrij genoeg. (Spreker treedt hier in een min of
meer humoristisch getinte beschouwing van de werving op Java.) Wil
men nu de koelies nog vrijer maken, dan staat weldra alles tegen
den werkgever op.
Trouwens, wat hier uit Java aankomt, is voor ’n deel een gevaarlijk
volkje, een zoodje, er zijn oude kettingjongens bij, maar de
agenten [3] trachten daarin verbetering te brengen, door goed volk
te zenden. Slaven zouden er zijn in Deli? Neen! Indien mogelijk,
moesten er vrije koelies komen, ja, maar dan krijgt men z’n land
niet bebouwd, want het is soms een lui zoodje. Die vrije koelies,
die zich in den beer steken te Singapore, moeten eerst weer
uitbetaald worden en komen zoodoende nog duurder dan
contract-koelies. (De spreker geeft nog eenige dergelijke
voorbeelden.)
Deze redevoering, uitgesproken met volmaakt plat-Rotterdamsch accent,
en gekruid met dienovereenkomstige grappen, welke beide plaatselijke
bladen (Deli-Courant en Sumatra-Post) beneden hunne waardigheid hebben
gevonden in hun verslag op te nemen, wekte den lachlust der aanwezigen.
Niet de geestigheid of aardigheid der argumenten als zoodanig, doch de
spartelingen en kronkelingen der slavenhalers-ziel, zich verwerend
tegen het menschelijk en zedelijk gevoel, trachtend de modder, waarin
zij zich wentelt uit te geven voor edel metaal, deden de hoorders
lachen. De rede was zeker niet om te lachen, zij was slechts
belachelijk. En hoewel onder het spreken van den sierlijken redenaar
herhaaldelijk de hilariteit werd opgewekt, bij de meesten verwekten zij
innerlijke en innige verontwaardiging.
De Java-Bode in haar zooeven geciteerd blad schrijft, naar aanleiding
van wat de heer Lefèbre over de toestanden op Java mededeelde: „In geen
der verslagen van de beide Medansche dagbladen vonden wij deze
onbeschaamde leugens van den Oostkustschen Tom Healy tegengesproken.
Men schijnt ze dus te Medan gaarne als waarheid te hebben aangenomen.”
De Java-Bode kan gerust zijn, niet geloof aan de praatjes van den heer
Lefèbre deed er over zwijgen, doch de absolute zekerheid, dat ze door
niemand au sérieux worden genomen. Ieder weet, dat bij afschaffing der
koelie-ordonnantie de koeliemakelaar (lief woord) een geruïneerd man
zou zijn.
Na den heer Lefèbre verkreeg de schrijver van dit boekje het woord en
beweerde, wat men kortheidshalve in de vier volgende stellingen zou
kunnen nederleggen: