REDE VAN DEN HEER LEFÈBRE. [2].

De heer De Coningh heeft aangehaald, dat het contract-systeem een

slechten indruk zou maken; dat is nog niet geheel waar. Op Java

maakt het systeem een slechten indruk. Maar er zijn

contract-koelies en vrije koelies. Het is daarom nog geen

slavernij.

Als men nagaat, wat de positie van een slaaf in de oudheid was, dan

ziet men dat de slaaf gedwongen werd; een slaaf kon echter niet

overgehaald, geprest worden. Er was ook geen sprake van verbanning

(de heer L. heeft blijkbaar „bannelingschap” verstaan. De heer De

Coningh sprak van „pandelingschap”.—Red.) De uitdrukking slavernij

is dan ook veel te sterk. Waarom mag een Javaan niet naar Sumatra

reizen, toch niet omdat hij daartoe een paar dagen over zee moet?

Ware de zee er niet, was Sumatra met Java verbonden, dan zou hij

mogen loopen, waarheen hij wilde en dus ook naar Deli.

Bovendien wordt de Javaan, hier op de Oostkust aangekomen,

geenszins slaaf. Het tegendeel is waar. De Javaan is op Java veel

meer een slaaf, dan de contract-koelie hier op de kust. De koelie

neemt eenvoudig een verplichting tot arbeid op zich volgens

contract en over het algemeen worden de contract-koelies goed

behandeld. Hoe gaat het echter met den Javaan op Java? Op Java

worden zij gesneden, de loerah’s, de assistent-wedono’s, ook de

planters straffen den Javaanschen arbeider op Java. Indien hij iets

op zijn kerfstok heeft, krijgt hij met den rotan en is hij over de

hem toebedeelde straf niet tevreden, wel, dan marcheert hij naar

den controleur, dat wil zeggen, den wedono. Deze vraagt hem, waarom

hij ontevreden is? Het is toch beter een 20 rotanslagen te

ontvangen, dan in de gevangenis te gaan en berri-berri op te

loopen.

Er zijn hier in Deli talrijke Europeanen, die komen hier ook niet

voor hun pleizier, maar om te werken en zij komen er zonder en met

een contract, het zou vaak niet mogelijk zijn, Europeanen zonder

contract te engageeren. De meesten hebben een contract.

De koelies zijn vrij genoeg. (Spreker treedt hier in een min of

meer humoristisch getinte beschouwing van de werving op Java.) Wil

men nu de koelies nog vrijer maken, dan staat weldra alles tegen

den werkgever op.

Trouwens, wat hier uit Java aankomt, is voor ’n deel een gevaarlijk

volkje, een zoodje, er zijn oude kettingjongens bij, maar de

agenten [3] trachten daarin verbetering te brengen, door goed volk

te zenden. Slaven zouden er zijn in Deli? Neen! Indien mogelijk,

moesten er vrije koelies komen, ja, maar dan krijgt men z’n land

niet bebouwd, want het is soms een lui zoodje. Die vrije koelies,

die zich in den beer steken te Singapore, moeten eerst weer

uitbetaald worden en komen zoodoende nog duurder dan

contract-koelies. (De spreker geeft nog eenige dergelijke

voorbeelden.)

Deze redevoering, uitgesproken met volmaakt plat-Rotterdamsch accent,

en gekruid met dienovereenkomstige grappen, welke beide plaatselijke

bladen (Deli-Courant en Sumatra-Post) beneden hunne waardigheid hebben

gevonden in hun verslag op te nemen, wekte den lachlust der aanwezigen.

Niet de geestigheid of aardigheid der argumenten als zoodanig, doch de

spartelingen en kronkelingen der slavenhalers-ziel, zich verwerend

tegen het menschelijk en zedelijk gevoel, trachtend de modder, waarin

zij zich wentelt uit te geven voor edel metaal, deden de hoorders

lachen. De rede was zeker niet om te lachen, zij was slechts

belachelijk. En hoewel onder het spreken van den sierlijken redenaar

herhaaldelijk de hilariteit werd opgewekt, bij de meesten verwekten zij

innerlijke en innige verontwaardiging.

De Java-Bode in haar zooeven geciteerd blad schrijft, naar aanleiding

van wat de heer Lefèbre over de toestanden op Java mededeelde: „In geen

der verslagen van de beide Medansche dagbladen vonden wij deze

onbeschaamde leugens van den Oostkustschen Tom Healy tegengesproken.

Men schijnt ze dus te Medan gaarne als waarheid te hebben aangenomen.”

De Java-Bode kan gerust zijn, niet geloof aan de praatjes van den heer

Lefèbre deed er over zwijgen, doch de absolute zekerheid, dat ze door

niemand au sérieux worden genomen. Ieder weet, dat bij afschaffing der

koelie-ordonnantie de koeliemakelaar (lief woord) een geruïneerd man

zou zijn.

Na den heer Lefèbre verkreeg de schrijver van dit boekje het woord en

beweerde, wat men kortheidshalve in de vier volgende stellingen zou

kunnen nederleggen:

De millioenen uit Deli · 第 5 / 27 题