Wetten, hoe goed ook, kunnen hier weinig verbetering in aanbrengen; ze

worden vooral gemaakt, om misbruiken te voorkomen. Als de verhouding

goed zal worden, dan moeten huisvrouwen en dienstboden weder hart voor

elkaar krijgen, elkanders belangen behartigen, en zich weder gaan

gevoelen als huisgenooten. En daarvoor is waardeering een eerste

vereischte; waardeering van den persoon en van zijn arbeid. Als de

vrouwen weder op de huishouding zich gaan toeleggen en haar niet beneden

zich achten, dan zal dit op den duur ook de gedachte der dienstboden

over dezen arbeid veranderen. Onbekend maakt onbemind; maar wat men

kent, dat krijgt men ook lief, omdat het leven interessant is, waar

men het aangrijpt. De kook- en huishoudscholen kunnen hierbij goede

diensten bewijzen, vooral indien ze meer algemeen worden, niet in de

theorie zich verliezen maar zich eng bij het reëele leven aansluiten, en

rekening houden met het feit, dat het leven in de lagere volksklassen

uiterst sober en eenvoudig is.

Maar de huishoudscholen, hoe belangrijk ook, zijn niet de eenige, welke

in den tegenwoordigen tijd voor de opvoeding der vrouw van noode zijn.

Boven zijn reeds vele andere genoemd, welke nog voortdurend vermeerderd

worden, en die niet van boven af, op bevel van de overheid, zijn

opgericht, maar uit de behoefte der maatschappij zijn geboren. Ten

eerste waren de huishoudscholen daarom reeds niet voldoende, wijl

de huishouding niet een vak is, dat jarenlange studie vereischt, en,

buiten het huwelijk, tot een zelfstandig bestaan kan leiden. Ze zijn

van belang, om eenige practische kennis bij te brengen, om betere

denkbeelden over de volksopvoeding ingang te doen vinden, om opleiding

te verstrekken aan aanstaande onderwijzeressen en leeraressen in dit

vak. Maar. ze zijn niet gelijk te stellen met andere scholen, die voor

een bedrijf of beroep opleiden, dat jarenlange voorbereiding vereischt.

Wel is waar hebben sommigen ernaar gestreefd, om de huishouding op te

heffen tot een zelfstandig vak, dat gelijkwaardig was aan dat van den

man en denzelfden looneisch kon stellen. Maar zulke wenschen zijn ijdel

en draven door op eene theorie. De kennis der huishouding, welke de

vrouw in de arbeiders- en burgerkringen behoeft, wordt in betrekkelijk

korten tijd geleerd, en moet dan in de practijk worden eigen gemaakt.

En bijna in geen enkel gezin houdt de huishouding den tijd en de kracht

der vrouw geheel in beslag; zij doet er menigmaal nog allerlei andere

werkzaamheden bij. Dat heeft zij alle eeuwen door gedaan, en dat doet ze

nog heden, ten bewijze, dat de vrouw nooit ten volle in hare huishouding

opgaat, maar nog andere behoeften heeft, waarvoor zij voldoening zoekt.

Deze behoefte aan andere werkzaamheid heeft zich, in de tweede plaats,

in de hedendaagsche maatschappij krachtig doen gelden, omdat vele

meisjes uit den lageren en hoogeren burgerstand heden ten dage in een

pijnlijke onzekerheid verkeeren aangaande haar toekomst. Ze kunnen er

niet meer op rekenen, dat ze later de gelegenheid zullen ontvangen,

om in het huwelijk te treden; ze hebben zoovele voorbeelden van het

tegendeel voor oogen. Zoo zijn ze dus wel genoodzaakt, om zich nog eene

andere mogelijkheid voor te stellen en ook voor het ongehuwde leven

zich voor te bereiden. En hierin is de eigenlijke, groote moeilijkheid

voor de opvoeding der meisjes gelegen. Een jongen kiest een vak en ziet

dan duidelijk den weg afgebakend, dien hij te volgen heeft. Maar een

meisje moet met twee kansen in haar leven rekenen. Als zij alleen voor

de huishouding zich voorbereidt, loopt zij gevaar, diep teleurgesteld

en in haar leven geknakt te worden. Als zij daarentegen een vak of

een beroep kiest en om de huishouding zich niet bekommert, heeft zij

misschien later, tot een huwelijk komende, van het geld, den tijd en de

krachten spijt, welke zij aan de opleiding tot een beroep te koste heeft

gelegd. En beide te combineeren, heeft ook zijne bezwaren. Vandaar dat

zoovele meisjes, het zekere dan maar voor het onzekere kiezend, reeds

terstond na de lagere school gaan overleggen, wat ze „worden” zullen, en

onder elkaar die vraag al even druk gaan bespreken als de jongens doen.

Daar komt, in de derde plaats, nog bij, dat de meisjes in den

tegenwoordigen tijd meer zelfbewustzijn en fierheid bezitten, dan haar

in vroegere tijden gemeenlijk eigen was. De vrouw is ontwaakt en streeft

naar persoonlijkheid en vrijheid. Zij kreeg zelve een afkeer van de

eenzijdige opvoeding, welke haar vroeger geschonken werd; ze wil geen

huissloof wezen en verlangt niet langer de passieve rol te spelen,

waarin zij vroeger optrad. De tijd is voorbij, gaat althans voorbij,

dat een weinigje huishouden door haar als voldoende voor hare opvoeding

wordt beschouwd. 't Is waar, er zijn nog veel te veel vrouwen, die van

dit alles niets beseffen, die òf, in de lagere kringen des volks, met

zulk eene geringe opvoeding tevreden zijn, òf, in de hoogere klassen

der maatschappij, het leven als een spel beschouwen en aan niets anders

denken dan aan behagen en genieten. Nog onlangs schreef eene dame, dat

ze zeer ontevreden is over het vrouwelijk denken en doen in deze dagen;

ten eerste, omdat de vrouwen en meisjes haast niets anders doen dan over

distributie en rantsoeneering praten en klagen, en ten tweede, omdat de

oorlog haar niet wijzer en ernstiger heeft gemaakt en haar ijdelheid,

uitkomende in dure kleedij vol opschik, niet heeft gefnuikt. En zoo

zijn er ook nog veel te veel mannen, die, zooals het heet, van geleerde

vrouwen niets moeten hebben, het nooit met de vrouw ernstig nemen, maar

haar alleen beschouwen als een middel tot amusement.

Gelukkig, dat daarin verandering komt, zij het dan ook nog in

betrekkelijk kleinen kring. Daar zijn vrouwen en meisjes, die

beseffen, dat het leven ernst is, die er eene roeping in zien, welke

zij overeenkomstig haar natuur en aanleg te vervullen hebben. Bij het

streven daarnaar oefent ongetwijfeld ook de mode haar invloed, vooral

wanneer de meisjes in veel te grooten getale de wetenschappelijke

loopbaan inslaan. Ook valt niet te ontkennen, dat het drukke bezoek

van vrouwelijke opleidingsscholen eene uiting is van het streven van

onzen tijd naar systematische opleiding, samenhangt met het sterk

intellectualistisch karakter onzer dagen;[154] al te veel wordt van de

leerschool, te weinig van de school des levens verwacht. Maar in het

streven is iets, dat lof en steun verdient. En de ouders hebben er

rekening mede te houden, dat zij in de toekomst niet alleen voor de

opleiding hunner zonen, maar ook voor die hunner dochters te zorgen

hebben; ze mogen niet langer de eersten ten koste der laatsten

bevoordeelen.

[154] Mr. CLARA WICHMANN, De vrouw in Nederland voor honderd jaren

en thans bl. 78.

Eindelijk, ten vierde, de beweging, die we heden ten dage in de

vrouwenwereld waarnemen, komt niet van éénen kant. Er is een streven bij

de vrouwen, om de maatschappij binnen te dringen en daar eene plaats

te veroveren; maar men kan met evenveel, en misschien met nog meer

recht zeggen, dat de maatschappij op alle terreinen de deuren voor de

vrouwen openzet, en ze uitnoodigt om binnen te treden. Dat begon met

de fabrieken, maar het is voortgezet door de scholen, de kantoren, de

ateliers, de bureaux, de gestichten enz. Achtereenvolgens zijn alle

barrières gevallen; overal hebben de vrouwen vrijen toegang gekregen.

Niet alleen, omdat zij dit zelve, dikwerf met hartstocht, begeerden,

maar ook, omdat de maatschappij hare krachten niet missen kon. Vooral

niet op het terrein van onderwijs, opvoeding, kinderverzorging,

armenbezoek, ziekenverpleging, huisbezoek, maatschappelijken arbeid, in-

en uitwendige zending enz. Want wat der moderne maatschappij het meest

ontbrak, dat heeft zij bij de vrouw gezocht: barmhartigheid en

menschenliefde. En zij is er wèl bij gevaren.

Om al deze redenen mag het ons tot blijdschap stemmen, dat er in de

laatste jaren allerwege en ook in ons land zoovele scholen en cursussen

zijn opgericht, die zoowel aan het streven der vrouw naar eene betere

opleiding als aan de menigvuldige behoeften der maatschappij tegemoet

kwamen. Ze zijn een bewijs, dat we in deze tendenz der vrouwenbeweging

niet met een toevallig, voorbijgaand verschijnsel te doen hebben, maar

met eene belangrijke phrase en eene noodzakelijke ontwikkeling in de

geschiedenis der beschaving. Bij die scholen trekt het de aandacht, dat

er zoovele onder zijn, die hoegenaamd niet aan huwelijk, huishouding,

moederschap en opvoeding in den weg staan, maar aan deze vrouwelijke

werkzaamheden veeleer ten goede kunnen komen. Daartoe behooren bijv. de

industriescholen, die onderricht geven in nuttige en fraaie handwerken,

confectienaaien, costuumnaaien enz.; de kunstambachtsscholen, de scholen

ter opleiding voor handel en administratie, niet het minst ook de

cursussen in landbouwhuishoudkunde, zuivelbereiding, kaasmakerij

enz., bepaald voor vrouwen en dochters uit den landbouwers- en den

landarbeidersstand bestemd.

Niet minder groot is het aantal inrichtingen, scholen en cursussen,

die onderricht geven in allerlei philanthropisch en maatschappelijk

werk, zooals kinderverzorging, kraamverzorging, zieken- en

krankzinnigenverpleging, volksopvoeding, toynbeewerk, arbeid in

volksbibliotheken en leeszalen, in kennis van opvoedkundige en sociale

problemen. Bijna al deze inrichtingen zijn door het particulier

initiatief tot stand gebracht; ze beantwoorden volgens aller overtuiging

geheel aan de natuur en geaardheid der vrouw; en ze geven eene

opleiding, die volstrekt niet met die voor de gezinstaak in strijd is.

Het minst komen de eigenaardige belangen der vrouw op die scholen

tot haar recht, waar de meisjes voor een groot deel eene algemeene

ontwikkeling zoeken of ook zich voorbereiden voor de studie aan de

hoogeschool. Kostscholen zijn niet meer zoo als vroeger gezocht en

hebben hare leerlingen voor een aanzienlijk deel moeten afstaan aan

de hoogere burgerscholen, die 31 Dec. 1915: 2954 vrouwelijke leerlingen

voor alle, en 145 voor enkele lessen telden, en aan de gymnasia, van

welke de openbare in dienzelfden tijd 1136 vrouwelijke leerlingen en

22 toehoorderessen telden. Deze scholen zijn in de eerste plaats voor

jongens opgericht en houden met de meisjes als zoodanig geene rekening;

deze hebben zich eenvoudig te schikken naar het eenmaal bestaande

program. Maar ook hier is er een streven, om het onderwijs meer aan

de natuur der vrouw aan te passen. In Amsterdam bestaat er een lyceum

voor meisjes met eene A- en eene B-afdeeling; en van Roomsche zijde werd

er niet lang geleden een gymnasium voor meisjes opgericht. Het getal

meisjes-hoogere burgerscholen is reeds veel grooter[155]; in den cursus

1915/16 maakten 2305 meisjes van het onderwijs in deze scholen gebruik.

En op de meisjes-hoogere burgerscholen te 's Gravenhage, Arnhem en

Rotterdam werd bovendien nog na de derde klasse eene splitsing der

leerlingen ingevoerd, van welke de eene afdeeling zich voor het

eind-examen voorbereidt, en de andere eene algemeene

litterarisch-aesthetische ontwikkeling ontvangt.

[155] Verg. bl. 168.

De coëducatie, waarvan de voordeelen niet tegen de ernstige nadeelen

opwegen, blijkt dus op den duur niet gewild. De natuur der vrouw verzet

er zich tegen, omdat zij daardoor in haar recht en waarde miskend wordt.

En de nieuwere richting in de paedagogiek wendt er zich van af, omdat

zij niet alleen met de leerstof maar ook met den leerling rekening wil

houden, en daarom op individualisatie in de opvoeding aandringt. In

het buitenland heeft men daarom ook reeds op het gebied van het hooger

onderwijs, met name in de medische wetenschappen, bijzondere scholen

voor vrouwen opgericht. En ook hier te lande zal de herziening van de

wet op het hooger onderwijs op de belangen der vrouw acht moeten geven.

Indien er al geene bijzondere hoogescholen voor haar zijn op te richten,

dan zal toch de differentiatie in den arbeid, die allerwege in de

maatschappij tusschen man en vrouw zich voltrekt, ook bij het onderwijs

in verschillende vakken tot haar recht moeten komen.

In goede banen geleid, zal de meerdere ontwikkeling, waar de vrouw in

den tegenwoordigen tijd naar streeft, aan haar gezinstaak geene schade

doen. Eene „geleerde” of „intellectueele” vrouw behoeft volstrekt nog

niet eene slechte huishoudster te zijn. Integendeel, ontwikkeling des

verstands vergemakkelijkt het werk op alle gebied, en zal ook aan de

huishouding, vooral in haar nieuweren vorm, ten goede komen.[156] Te

minder behoeft hiervoor vrees te bestaan, indien van Christelijke zijde

de vrouwenbeweging niet alleen in haar valsche theorieën bestreden, maar

ook in haar recht en waarde erkend, en overeenkomstig de beginselen

des Evangelies onderricht en geleid wordt. Wee den staatsman, heeft

von BETHMANN HOLLWEG onlangs gezegd, die de teekenen des tijds niet

verstaat. Onder die teekenen des tijds neemt de vrouwenbeweging niet de

laatste plaats in.

[156] SONJA, De opvoeding onzer jonge meisjes, _Alg. Handelsblad_ 20

Sept 1913.

INHOUD.

Blz.

1. HERZIENING VAN HET KIESRECHT, 1

2. DE VROUW IN DE HEILIGE SCHRIFT, 14

3. DE VROUW IN DE CHRISTENHEID, 36

4. DE VROUWENBEWEGING, 45

5. HET VROUWENVRAAGSTUK, 69

6. DE VROUW EN HET BURGERLIJK RECHT, 79

7. DE VROUW EN DE ARBEID, 85

8. DE VROUW EN HET BEROEP, 95

9. DE VROUW EN DE STAAT, 119

10. DE VROUW EN DE KERK, 138

11. DE OPVOEDING DER VROUW, 154

Bij den uitgever dezes verscheen mede van denzelfden Schrijver:

DE WELSPREKENDHEID (Eene Lezing) _Derde druk_ 0.90 geb. 1.40

CHRISTELIJKE WERELDBESCHOUWING. _Tweede herziene en

vermeerderde druk_ 1.25 geb. 1.75

DE ZEKERHEID DES GELOOFS. _Tweede vermeerderde druk_

(_Tijdelijk uitverkocht_)

HEDENDAAGSCHE MORAAL. _Royaal formaat._ _75 Pagina's._ 0.70 geb. 1.25

WIJSBEGEERTE DER OPENBARING. Stone-lezingen voor het

Jaar 1908, gehouden te Princeton N. J. _Royaal

formaat._ _294 Pagina's_ 3.— geb. 3.60

HET CHRISTELIJK HUISGEZIN. _Tweede herziene druk._

_214 Pagina's_ 1.90 geb. 2.50

PAEDAGOGISCHE BEGINSELEN. _Royaal formaat._

_178 Pagina's_ (_Tijdelijk uitverkocht_)

BILDERDIJK ALS DENKER EN DICHTER. _Royaal formaat._

_221 Pagina's_ 2.40 geb. 3.—

SCHEPPING OF ONTWIKKELING (_Tijdelijk uitverkocht_)

MODERNISME EN ORTHODOXIE. _Royaal formaat_ (_Tijdelijk uitverkocht_)

HET PROBLEEM VAN DEN OORLOG. _Royaal formaat._

_39 Pagina's_ 0.40

DE OFFERANDE DES LOFS. Overdenkingen voor en na de

toelating tot het H. Avondmaal. _Klein kwarto formaat._

_Zesde druk._ _135 Pagina's_ 1.— geb. 1.50

GEREFORMEERDE DOGMATIEK. _Tweede zeer vermeerderde

en omgewerkte druk._ _Compleet in 4 kloeke deelen,

tezamen vormende pl.m. 3000 pagina's compresse druks_ 28.—

Gebonden in 4 marocco lederen banden 32.—

HANDLEIDING BIJ HET ONDERWIJS IN DEN CHRISTEL.

GODSDIENST. _Klein royaal formaat._ _251 Pagina's_ 1.90 geb. 2.40

JOHANNES CALVIJN. Eene Lezing ter gelegenheid van den

vierhonderdsten gedenkdag zijner geboorte. 10 Juli

1509–1909. Met fraai portret 0.30

CHRISTELIJKE WETENSCHAP. _Royaal formaat_ 1.25 geb. 1.75

MAGNALIA DEI. Onderwijzing in de Christelijke religie

naar Gereformeerde Belijdenis. _Groot royaal formaat._

_658 Pagina's_ _Met uitgebreid register_ 7.25 geb. 8.—

DE OVERWINNING DER ZIEL 0.50

DE OPVOEDING DER RIJPERE JEUGD 3.25 geb. 3.90

DE NIEUWE OPVOEDING 1.75 geb. 2.40

De vrouw in de hedendaagsche maatschappij · 第 15 / 16 段