den 12 à 13-jarigen leeftijd toe voor de meeste kinderen in het leven
onvoldoende is en meer en meer onvoldoende wordt. Daarbij komt, dat
jongens en meisjes, zoodra leerplichtwet en arbeidswet het veroorloven,
als werkkracht gebruikt kunnen worden in winkel, kantoor, werkplaats,
atelier enz., en dan reeds spoedig eenig loon gaan verdienen. Eerst
brengen zij dit loon nog geheel of gedeeltelijk thuis, maar krijgen
dan voor het gezin reeds eene beteekenis, welke hun eenig recht van
meespreken geeft. De ouders worden van hen afhankelijk, verliezen hun
gezag en macht, en weten deze ook menigmaal niet op geschikte wijze te
handhaven. Als de jongens en meisjes overdag hun werk hebben verricht,
hebben ze zelden lust, om 's avonds nog eenigen arbeid in huis te
verrichten; ze meenen dan recht op vrijheid te hebben en slenteren de
straat op. Het werk, dat ze overdag hebben te doen, is dikwerf ook
eentonig en vervelend, zoodat het begeerd wordt niet om zichzelf en de
vreugde, die het verschaft, maar om het loon, dat het afwerpt, en om
de vrije uren en avonden, die er daarna overblijven. In die vrije uren
staan zij veel meer nog, dan in de betrekking waarin zij menigmaal
werkzaam zijn, aan allerlei verleiding bloot en worden zij, inzonderheid
in de groote steden, van allen kant door tal van gevaren omringd. En dat
juist in de critische periode van het leven, waarin zij meer dan anders
nog voorlichting en leiding van noode hebben, en deze toch feitelijk het
minst ontvangen! Is het wonder, dat in deze jaren vele meisjes tot
schande vervallen en zedelijk te gronde gaan?
Opvoeding der meisjes is op dezen leeftijd dus dringend noodzakelijk,
even noodzakelijk als van de jongens.[145] En wel allereerst eene
opvoeding in godsdienstig-zedelijken zin. Eigenlijk ligt dit reeds
in het begrip van opvoeding opgesloten, want opvoeding is geene
opvoeding, in elk geval geene voldoende en volledige opvoeding, die
niet een godsdienstig-zedelijk karakter draagt. Alle groote paedagogen
waren daarvan overtuigd; PESTALOZZI en FRÖBEL waren heelemaal niet
rechtzinnig, maar zij dachten er niet aan, om den „religieuzen zin” in
het kind onontwikkeld te laten en met het Christendom in de opvoeding
geene rekening te houden, want het Christendom is, zooals eerstgenoemde
zegt, de zuiverste en edelste leer van de verheffing des geestes over
het vleesch, het groote geheim en het eenig mogelijke middel, om onze
natuur, door ontwikkeling van de edelste gevoelens der liefde, tot
heerschappij der rede over de zinnen te brengen. De rationalistische
opvatting van het Christendom moge in deze motiveering hierbij
onbevredigend zijn, maar ze is toch nog heel wat beter dan de
oppervlakkige leer van hen, die de neutraliteit niet slechts uit nood
verdedigen, maar als het verhevenste dogma van paedagogische wijsheid
aanprijzen. Dezulken begaan eene misdaad jegens de kinder-, en nog meer
jegens de meisjesziel.
[145] Verg. daarover breedvoeriger mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl.
78 v.
Want afgezien van alle andere klemmende redenen, die op Christelijk
standpunt voor eene godsdienstig-zedelijke opvoeding pleiten;[146] er is
toch geene macht, die, zooals de godsdienst en onder de vele religies
het Christendom, de diepten des gemoeds beroeren en de teederste
aandoeningen opwekken kan; het menschelijk hart blijkt juist in den
godsdienst daarvoor vatbaar te zijn en daaraan behoefte te hebben. Wie
den godsdienst buiten de opvoeding plaatst, stopt de bron voor het
innerlijkste en innigste leven der ziel; hij laat een uitgestrekt gebied
in het inwendig leven van den mensch onontgonnen en braak liggen. Dat
geldt voor den mensch in iederen leeftijd, zij het ook in verschillende
wijze en mate, voor de kinderen, voor de knapen en jongelingen,
voor de mannen en de grijsaards. Maar het geldt bovenal voor het
meisje, de vrouw en de moeder. De kostelijke deugden van ootmoed,
afhankelijkheidsbesef, vertrouwen, dankbaarheid, lijdzaamheid enz.
waarvoor het vrouwelijk gemoed zoo bij uitnemendheid vatbaar is,
kunnen bij haar niet zonder den invloed der Christelijke religie tot
ontwikkeling komen.
[146] Verg. breeder mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 145 v.
Te dezen aanzien rust er in de eerste plaats eene plicht op de kerk.
Deze kan heden ten dage in vele gevallen en bij de gebrekkige
godsdienstig-zedelijke opvoeding in de huisgezinnen met een uur
catechisatie in de week en met een ongeregeld huisbezoek niet volstaan.
Als zij niet vele jonge dochters verliezen wil, maar bij het Christelijk
geloof en bij het Christelijk leven bewaren wil, moet zij andere
maatregelen nemen. En dan beveelt zich vóór alle andere middelen de
herstelling van het instituut aan, dat in 1 Tim. 5 : 9 beschreven en
boven nader uiteengezet werd. Tal van jeugdige meisjes in de gemeente
hebben voorlichting en leiding van noode, en deze zouden haar niet
beter verstrekt kunnen worden dan door een Raad van vrouwen, die van den
huiselijken en maatschappelijken toestand der
jeugdige vrouwelijke leden
zich op de hoogte stelden, eenig toezicht op haar leven oefenden, en in
voorkomende gevallen haar of hare moeders dienden van raad en daad.
Thans nemen vele vrouwen-, en ook wel enkele jongedochtersvereenigingen
dezen arbeid waar; maar de laatste zijn te klein en hebben vooralsnog
weinig invloed, om genoegzame hulp te kunnen bieden, hebben bovendien,
evenals de jongelingsvereenigingen tot eerste doel, om eenige vorming
te geven aan die meisjes, welke geheel vrij zich bij haar aansluiten; en
de vrouwenvereenigingen zijn in zekeren zin te vele in aantal, werken
te los naast elkaar, en hebben den arbeid te weinig georganiseerd, dan
dat zij met haar, hoezeer ook te waardeeren, arbeid het gansche veld
bestrijken zouden, dat hier te bewerken valt. Er blijven zoovele meisjes
van leiding verstoken, die haar juist in de eerste plaats van noode
hebben. Daarom ware hier voor de kerk een goed werk te doen, al bestond
het voorloopig alleen daarin, dat zij het terrein van den arbeid
verdeelde, eenheid en samenwerking in dien arbeid bracht en alzoo eenige
orde in den toestand schiep.
Godsdienstig-zedelijke opvoeding moge in de eerste plaats noodig zijn,
zij is toch tegenwoordig niet voldoende meer; de maatschappij stelt
thans nog andere eischen; meisjes hebben ook opleiding noodig voor
het werk, dat zij straks hebben uit te oefenen. Nu werd boven reeds
opgemerkt, dat jaarlijks duizenden meisjes de lagere school verlaten,
die daarna geen onderwijs meer genieten. Daaronder zijn er zeker een
groot aantal, die thans aan zulk voortgezet onderwijs nog weinig of
geene behoefte hebben, hoewel dit getal steeds vermindert, doordat
de maatschappij vooruitgaat en voor elke betrekking haast eenige
voorbereiding gaat eischen. Voorts hebben wij ook rekening te houden
met het feit, dat het inkomen in vele gezinnen zoo gering is, dat de
ouders met verlangen uitzien naar den tijd, waarin hun zoon of dochter
er iets kan bij verdienen. Maar al trekken we voor al deze gevallen
hooge cijfers uit, er blijven toch een groot aantal over, waarin onkunde,
eigenbelang of onwil de dochters des huizes van verdere opleiding
verstoken doen blijken. Voordat wij in zulke gevallen op den staat een
beroep doen en hem aansporen tot de invoering van leerplicht,—een
maatregel, die in de practijk tot groote moeilijkheden zou leiden—kunnen
wij beproeven langs den weg van zedelijke overtuiging ouders en kinderen
tot betere gedachten te brengen.
Indien zulk een poging met ernst ondernomen wordt, kan men er zeker van
zijn, dat ze in vele gevallen met goeden uitslag zal worden bekroond.
In de eerste plaats hebben schoolbesturen en onderwijzers hierbij eene
moeilijke, maar nuttige taak te vervullen; sommige onderwijzers hebben
deze ter hand genomen, en geven op grond van hunne ervaring en kennis
dikwerf aan ouders advies, dat meestal hoog gewaardeerd en opgevolgd
wordt. Men kan zich n.l. nauwelijks voorstellen, hoe onkundig de ouders
dikwerf zijn; ze weten niet, wat met hunne kinderen aan te vangen, welke
gelegenheden voor verdere opleiding van hunne kinderen bestaan, welke
van die gelegenheden zij voor hun kind moeten kiezen, waar en hoe ze
zich daarvoor moeten aanmelden. Daarom moeten ze aangaande dit alles zoo
duidelijk mogelijk ingelicht worden; men moet den weg voor hen banen, en
desnoods zelf medegaan, om hen te brengen, waar ze wezen willen. In dit
alles kunnen de onderwijzers aan ouders en kinderen goede diensten
bewijzen.
In de tweede plaats zijn de commissies of bureaux van school- en
beroepskeuze,[147] die meer en meer in het buitenland en hier te
lande worden opgericht, de aangewezen organen, om de ouders bij deze
gewichtige keuze van advies te dienen; van bevel of dwang, direct of
indirect, hebben zij zich te onthouden; de ouders noch de kinderen zelve
mogen zij bij de beslissing uitschakelen; en van de feilbaarheid hunner
adviezen moeten zij zelve in de eerste plaats overtuigd zijn. Maar
binnen deze perken kunnen de genoemde commissies een goed en nuttig werk
doen. En toch is al deze arbeid van onderwijzers en bureaux nog niet
voldoende, vooral niet indien het meisjes geldt. Want de meeste ouders
vragen niet om advies en leven voort in den sleur; vooral voor hunne
dochters achten zij verdere ontwikkeling en opleiding onnoodig; het is
genoeg, als ze enkele jaren in den eenen of anderen dienst zijn en eenig
loon ontvangen; straks trouwen ze toch en hebben niets aan al haar
ontwikkeling.
[147] Verg. mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 176 v. en mijne Nieuwe
Opvoeding bl. 90 v.
Daarom was het goed gezien van de Nederlandsche afdeeling in Amsterdam
van de in 1877 in Genève opgerichte Union Internationale des amies de
la jeune fille, om de moeders, wier dochters eerlang de lagere school
verlaten zullen of pas verlaten hebben, tot eene gezellige samenkomst
uit te noodigen en de belangen der meisjes met haar te bespreken. Die
bespreking bestaat voornamelijk daarin, dat iedere moeder afzonderlijk,
in haar speciale geval, raad ontvangt, hoe zij het best met hare dochter
handelen zal, waar deze het geschiktst voor is, welke school ze moet
bezoeken, aan welk adres ze zich voor eene of andere betrekking moet
vervoegen enz. Deze werkzaamheid wierp reeds vele goede vruchten af, en
er valt in deze richting nog veel, hier in deze stad en ook elders, te
doen.
De keuze van een beroep en van eene daaraan beantwoordende opleiding
wordt voor de meisjes daarom zoo moeilijk, omdat het aantal
betrekkingen, waarin ze kunnen arbeiden, voortdurend toeneemt. Maar
onder alle vrouwelijke beroepen is er een, dat sterk op den voorgrond
treedt en waarvoor alle vrouwen, nagenoeg zonder uitzondering, hetzij
ze rijk of arm, hoog van staat of laag van rang, intellectueel of
niet intellectueel zijn, opleiding moeten ontvangen, en dat is de
huishouding. Wel ontvangen nooit alle vrouwen de gelegenheid, om in
het huwelijk te treden—de mogelijkheid daartoe is reeds uitgesloten
door het feit, dat het aantal vrouwen gewoonlijk aanmerkelijk grooter
dan dat der mannen is,—maar ook buiten het huwelijk komen de meeste
vrouwen toch direct of indirect met het huishouden in aanraking.
Bovendien, in den tijd, waarin de meisjes de huishouding leeren moeten,
weten zij volstrekt niet, dat zij niet huwen zullen, noch ook, of zij
voor zichzelve of voor anderen de huishouding zullen moeten waarnemen.
Verreweg de grootste meerderheid der vrouwen blijkt later de kennis der
huishouding wel terdege van noode te hebben. Van het grootste belang is
het daarom, zoo voor de welvaart der huisgezinnen als voor den goeden
gang der maatschappij, dat de vrouwen in hare jeugd voor de huishouding
worden opgeleid. Dit belang is veel grooter, dan dat er voor de vrouwen
goede gelegenheden voor de opleiding tot eenig beroep bestaan. Want de
vrouwen, die een beroep kiezen en later metterdaad uitoefenen, vormen
eene kleine minderheid tegenover die geweldig groote meerderheid van
vrouwen, die straks in het huwelijk en in het gezinsleven hare
bestemming zullen ontvangen.[148]
[148] J. TEWS, Sozialpädag. Reformen. Langensalza 1900 bl. 13.
Het wenschelijkst ware nu, dat ieder meisje voldoende opleiding voor
de huishouding in de woning harer moeder ontvangen kon. In vroeger tijd
was dit de algemeene regel, en ook thans komt deze toestand nog in vele
kringen en streken, inzonderheid bij den burgerstand voor. Maar vooral
twee oorzaken hebben in dezen toestand verandering gebracht. Ten eerste
is het huiselijk leven in de lagere kringen des volks onder allerlei
invloeden sterk achteruitgegaan. Er zijn altijd in steden en op dorpen,
in achterbuurten en gehuchten groepen van menschen geweest, op wier
persoonlijk en huiselijk leven Christendom en beschaving zoo goed
als geen invloed hebben gehad; ze leven als het ware in een ruwen
natuurstaat voort. Dit deel der bevolking is door kerk en staat en
maatschappij van ouds aan zichzelf overgelaten en buiten de samenleving
geplaatst; maar daar is het toegenomen en tot eene macht geworden, welke
op den duur een gevaar oplevert voor de moderne maatschappij. Bovendien
dreigt in de laatste eeuw deze volksgroep vermeerderd te worden door
die schare van arbeiders, die van alle voordeelen der beschaving
verstoken zijn, met hun gezin van een karig loon moeten leven, en op de
maatschappelijke ladder al dieper dalen. In deze kringen is er dikwerf
van huwelijk, gezinsleven, huishouding en opvoeding geen sprake; de
mannen zijn heel den dag van huis en brengen een deel van hun loon nog
menigmaal aan den drank ten offer; de vrouwen hebben geen lust en geen
tijd, maar ook meestal geene bekwaamheid, om de huishouding naar eisch
te behartigen; de kinderen brengen hun vrije uren op de straat in ruw
gezelschap door, en groeien in het wilde op.
Maar nog verder grijpt deze verwoesting van het huiselijk leven om zich
heen. Ook in de kringen der fatsoenlijke arbeiders en der kleine burgers
maken de zorgen des levens het dikwerf aan de ouders onmogelijk, om
zich met de noodige zorg aan de belangen van het gezin te wijden. De
man moet er heel den dag op uit, om zijn brood te verdienen; de vrouw
moet menigmaal door haar arbeid nog trachten, het schrale inkomen
van het gezin te verhoogen; de kinderen worden overdag aan vreemden
toevertrouwd, en, als ze nauwelijks de kinderschoenen ontwassen
zijn, erop uitgestuurd, om er wat bij te verdienen. Van eene goede,
deugdelijke opleiding der meisjes voor de huishouding komt zoo goed als
niets terecht. Niet zelden gaan ze dan den slechten weg op; maar ook als
dat niet het geval is, en zich bijv. later als dienstboden aanmelden,
zijn ze ten eenenmale onbekwaam voor haar taak; en als ze in het
huwelijk treden, beginnen zij het nieuwe leven misschien eerst met
eenigen moed, maar bezwijken alras, als het huisgezin grooter wordt en
de zorgen toenemen; slordigheid, onreinheid, armoede en ellende berooven
het gezinsleven van al zijne heerlijkheid; en dronkenschap en ontucht
verwoesten het soms geheel.
Hier komt nog een tweede reden bij, waarom de ouderlijke woning de
noodige opleiding voor de huishouding dikwerf niet meer geven kan.
Zooals vroeger reeds werd opgemerkt, heeft de moderne cultuur het
private huishouden niet vernietigd. Maar de ontwikkeling van industrie
en techniek heeft in de huishouding groote veranderingen gebracht.
Hoevele werkzaamheden, vroeger noodig voor de instandhouding van het
gezin, voor spijsbereiding en inmaak, vervaardiging en herstel van
kleedingstukken, voor verlichting en verwarming enz. zijn in den
nieuweren tijd niet overbodig of vereenvoudigd geworden! Er is in
zekeren zin en van ééne zijde beschouwd, voor het huishouden thans
veel minder tijd en kracht en kunst noodig dan in vorige perioden.
Deze verandering droeg er nu toe bij, om, evenals vroeger reeds in de
hoogere klassen der maatschappij, thans ook in de arbeidersklassen en
in de burgerkringen de waardeering der huishoudelijke werkzaamheden
aanmerkelijk te doen dalen. Uit de arbeiderskringen begeven zich vrouwen
en meisjes naar de fabriek, voor een groot deel uit nood; maar toch ook
wel, wat de laatsten betreft, omdat zij aangetrokken worden door het
hooger loon en de vrije avonden en van het dienen een afkeer hebben. En
de dochters uit den burgerstand, in huis tot ledigheid gedoemd, gaan in
steeds grooter getale opleiding zoeken voor een of ander beroep in de
maatschappij. Dit alles had ten gevolge, dat de vrouwen hoe langer hoe
minder bekwaam werden voor de taak, welke haar straks in het huisgezin
wachtte; onvoorbereid traden zij het huwelijksleven in, en zonder kennis
van zaken moesten zij de huishouding besturen, met dienstboden omgaan,
straks kinderen opvoeden en zieken verplegen. De schade, die daardoor
toegebracht werd aan huisgezin en maatschappij, was onberekenbaar.
Toen de oogen hiervoor opengingen, werden door het particulier
initiatief terstond pogingen aangewend, om het kwaad te herstellen.
Sedert ongeveer de tachtiger en negentiger jaren der vorige eeuw werden
in Duitschland en elders huishoud- en kookscholen (of cursussen in koken
en huishouding) opgericht, om eenigszins te vergoeden wat de ouderlijke
woning niet meer gaf of geven kon; hier te lande werd eene kook- en
huishoudschool te 's Gravenhage opgericht in 1890, te Amsterdam,
Rotterdam en Haarlem in 1891 enz. Deze scholen of cursussen staan soms
op zichzelve, soms zijn ze met industrie-, fabriek-, landbouwscholen
of scholen van voortgezet lager onderwijs verbonden; van Roomsche zijde
worden ze dikwerf in de meisjespatronaten opgenomen.[149] Ze bedoelen,
volstrekt niet altijd, eigenlijke vakopleiding te geven voor aanstaande
onderwijzeressen of leeraressen, maar trachten in den regel aan meisjes
uit den arbeiders- en den burgerstand eenige nuttige kennis bij te
brengen aangaande het huishouden. De vakken, waarin theoretisch en
practisch onderricht wordt verstrekt, zijn meer of minder talrijk; in
het eerste geval strekken ze zich uit tot koken, behandeling van de
wasch, strijken, knippen, naaien, verstellen, en andere handwerken,
voorts tot huishoudkunde, huisverzorging, kinderverzorging, opvoedkunde;
en eindelijk nog tot voedingsleer, gezondheidsleer, ziekenverpleging en
verbandleer. Op verschillende plaatsen zijn deze scholen ook bepaald
voor de opleiding van dienstboden ingericht, zooals bijv. de beide
openbare werk- en leerscholen te Amsterdam; ze geven deze opleiding aan
meisjes boven de 12 of 15 jaren, voor een bepaalden prijs per jaar, die
wisselt van ongeveer 5 tot 25 gulden 's jaars, in een cursus, die één,
twee of drie jaren duurt.[150]
[149] G. A. VAN DER KANT, Meisjespatronaten. 's Bosch Teulings 1909. Het
Katholieke Nederland 1813–1913. Nijmegen Malmberg I 397–403.
[150] Vrouwenjaarboekje voor Nederland 1917 bl. 367 v. ANNA POLAK,
Leidraad voor Nederlandsche meisjes bij de keuze van een beroep,
uitgave van het Nat. Bureau voor Vrouwenarbeid, 's Gravenhage bl.
31 v.
In deze huishoud- en kookscholen komt op merkwaardige wijze uit,
hoe de maatschappij voortdurend zichzelve corrigeert. Een tijd lang
kon men meenen, dat de private huishouding, onder de werking van
de nieuwe industrie en techniek, haar einde tegemoet ging; en aan
profeten, die deze toekomst voorspelden, heeft het vooral onder de
Sociaaldemocraten niet ontbroken. Maar er is te rechter tijd eene
onverwachte en heilzame reactie ingetreden; en toen men de ontwikkeling
der maatschappij nader bestudeerde, bleek het weldra, dat zij wel bezig
was, om de oude huishouding te vervormen, maar tevens, om ze in anderen
stijl te vernieuwen en te herbouwen. Het feitelijk aantal productieve
bezigheden—zoo ongeveer laat Mr. CLARA WICHMANN zich uit[151]—is
in sterke mate ingekrompen, maar tegelijk hebben de eenvoudige
huishoudelijke verrichtingen zich ook weder gecompliceerd.
[151] Dr. J. VAN DEN BERGH EIJSINGA-ELIAS en Mr. CLARA WICHMANN, De
vrouw in Nederland voor honderd jaar en thans, Maatsch. v. g. en
goedk. Lectuur, Amsterdam bl. 77 v.
Immers, waar vroeger de oude meubels en de oude stoffeering jarenlang
gelijk bleven, daar verschikt en verandert men tegenwoordig gaarne en
veelvuldig zijne huisinrichting. Waar vroeger de huishoudkunde door de
dochter van hare moeder werd afgekeken, daar wordt thans meer en meer
de huishoudzorg beschouwd in verband met hygiène en volksgezondheid,
als iets wat _opleiding_ vereischt naast handeling en routine, inzicht
en hygiène naast practische talenten. Het is een zeer eigenaardig en
opmerkelijk verschijnsel, dat onze tijd, de tijd van de _vermindering_
der huishoudelijke bezigheden, tegelijk de tijd der huishoudscholen is.
Zelfs is er in onze eeuw eene tegenstrooming aan te wijzen, die ingaat
tegen het onttrekken der productie aan de huishouding; de neiging,
ontstaan uit het fijner aesthetisch leven van onzen tijd, om zooveel
mogelijk weer zelf vervaardigde of onder eigen toezicht vervaardigde
voorwerpen te verkiezen, en de „massa-voortbrengselen” der
grootindustrie onschoon en plebejisch te vinden.
Evenzoo hebben de pogingen tot algeheele industrialiseering van het
huishouden—de huizen met gemeenschappelijke keukens—tot nog toe steeds
schipbreuk geleden. De huishouding in het jaar 1913 eischt gedeeltelijk
nog wel dezelfde, maar gedeeltelijk ook andere kundigheden, inzichten
en talenten, dan de huishouding in 1813 deed, waarmede niet gezegd is,
dat ze _minder_ eischt. Want ook de verhouding der huisvrouwen tot hare
dienstboden is eene andere geworden, en sluit thans in de vervulling van
eene maatschappelijke taak, die niet alleen kennis van maatschappelijke
verhoudingen, maar ook fijn gevoel voor andere levens onderstelt.
Huwelijk en moederschap stellen in onze dagen ook andere, en wellicht
zwaardere eischen, dan zij eene eeuw geleden gemiddeld deden. Zoo lijkt
het gezinsleven en het moederschap zich niet te socialiseeren, maar
eerder zich te individualiseeren en te vernieuwen, en wel op eene wijze,
die aan den eenen kant een sterker aandeel in de maatschappij, aan den
anderen eene persoonlijke verdieping meebrengt en vereischt.
Van deze vervorming en verheffing der huishouding hebben allereerst de
mannen zich te doordringen. Voor een niet gering deel is het aan hun
intellectualisme te wijten, dat in vorige tijden de gaven en krachten
der vrouw en ook haar arbeid in de huishouding minder zijn gewaardeerd,
dan waarop ze rechtmatig aanspraak hebben. Het is inzonderheid de
klassieke wereldbeschouwing en de invloed der Renaissance geweest,
die de vrije kunsten hoog boven den handenarbeid verheerlijkte, en in
verband daarmede ook de vrouw en hare werkzaamheden verre beneden den
man en zijne wetenschap heeft gesteld. Maar voor het leven, voor het
rijke, volle leven van huisgezin en maatschappij is de werkzaamheid der
vrouw van niet minder gewicht dan de denkarbeid van den man; want de man
kan desnoods, ook in dezen arbeid, door de vrouw vervangen worden, maar
wie vervangt de vrouw in de huishouding en in de opvoeding van haar
kroost? Het moederschap is haar privilege, dat geen man van haar
overnemen kan.
Als daarom de man wederom begint, aan den huishoudelijken en opvoedenden
arbeid der vrouw, die eene andere, maar geen mindere dan de zijne is,
weder de eere te geven, die eraan toekomt, dan zal de vrouw ook met
liefde de taak weder opnemen, waartoe zij als vrouw geroepen is.
Trouwens, de vrouw is zelve al wederom tot die taak teruggekeerd;
het waren niet de mannen, maar de vrouwen, van wie de oprichting der
huishoudscholen is uitgegaan. Het was de vrouwenvereeniging in Baden,
die, onder leiding der groothertogin LUISE, op dezen nood der tijden
de aandacht vestigde en tot het oprichten van huishoudcursussen voor
fabriekarbeidsters en voor meisjes uit den burgerstand den stoot
gaf.[152]
[152] Art. Hauswirtschaftlicher Unterricht in ROLOFF'S Lex. der
Pädagogik II 650.
Wanneer de huisvrouwen op deze wijze weder de huishouding hebben leeren
waardeeren en daarvoor met ernst zich voorbereiden, dan zal dit ook aan
hare verhouding tot de dienstboden ten goede komen. Deze verhouding laat
thans, evenals trouwens ook wel in vorige tijden, te wenschen over. Het
schijnt in den geest des tijds te liggen, zegt Mevr. VAN DORP, dat de
vrouwen hoe langer hoe minder lust in dienen hebben; de meisjes uit het
volk willen voor alles vrij zijn en hooger op; ze willen dames zijn, en
de dames bemoeien zich hoe langer hoe minder met de huishouding, ze gaan
hoe langer hoe meer uit, leeren het meisje niets en maken daardoor het
dienen hoe langer hoe minder aanlokkelijk en aangenaam. Er ligt hier
schuld aan beide zijden; de wanverhouding heeft haar grondoorzaak in de
oppervlakkige genotzucht, die meer en meer alle standen doortrekt.[153]
[153] Mr. E. C. VAN DORP, Rechten en Plichten van Dienstboden en
Werkgeefsters, Maatsch. v. g. en goedk. Lectuur, Amsterdam bl. 6,
7.