18e eeuw bl. 14 v.
[134] LILY BRAUN, Die Frauenfrage bl. 67.
Er kwamen echter in de 17e en 18e eeuw verschillende richtingen op,
die aan de meisjesopvoeding een meer ernstig doel voor oogen stelden.
Van Roomsche zijde namen kloosterorden de opvoeding der dochters uit
de gegoede standen ter hand, op dezelfde wijze als de Jezuïten zich
toelegden op de vorming en leiding van zonen uit de hoogere kringen des
volks. Zoo voegde de orde der Ursulinnen, die reeds in 1544 door den
paus was geapprobeerd, in 1612, toen zij zich in Parijs vestigde, aan
de drie bekende geloften nog eene vierde toe, die haar verbond tot
opvoeding der vrouwelijke jeugd; en de orde van de Salesianerinnen (in
1610 gesticht door Franciscus van Sales en Francisca van Chantal) en die
van de Engelsche zusters (zoo genoemd, wijl de stichtster dezer orde,
MARIA WARD 1585–1645 en de eerste leden Engelsche dames waren) wijdden
aan deze zelfde taak hare krachten.
Honderden kloosters werden in de verschillende landen gesticht, die
een pensionaat voor de opvoeding van meisjes aan zich verbonden. In
Frankrijk gaf FÉNELON in 1687 zijn Traité de l'éducation des filles
in het licht, dat geschreven werd in de overtuiging, dat eene slechte
opvoeding der vrouwen nog meer onheil sticht dan die der mannen, en
daarom op eene godsdienstig-zedelijke, degelijke en eenvoudige opvoeding
aandringt. Françoise d'Aubigné, markiezin DE MAINTENON 1635–1719
stichtte in 1686 te St. Cyr bij Versailles eene school voor dochters uit
den adellijken stand, die grooten roem verwierf en voor vele andere
inrichtingen (het gynaeceum van FRANCKE te Halle, het instituut van
PETER DEN GROOTEN voor adellijke dochters te St. Petersburg, een
soortgelijk instituut te Weenen, opgericht in 1764) ten voorbeeld werd.
De Encyclopaedisten waren over het algemeen jegens de vrouwen niet
gunstig gestemd; VOLTAIRE dreef met haar den spot; MONTESQUIEU schreef
haar slechts lichamelijke bekoorlijkheden toe en achtte ze van alle
gaven des geestes verstoken; ROUSSEAU wilde haar van de cultuur tot
de natuur, het moederschap en de opvoeding der kinderen, terugleiden,
en achtte daarom voor haar eene opvoeding in en voor het huisgezin
voldoende. Maar NAPOLEON, ofschoon van alle emancipatie der vrouw
afkeerig, was toch zeer ingenomen met pogingen tot verbetering der
meisjesopvoeding; de pensionaten van Mad. CAMPAN 1752–1822 te St.
Germain en Ecouen deelden in zijne sympathie; in 1810 stelde hij de
gravin STEPHANIE DE GENLIS, die in 1782 een werk had uitgegeven over
Adèle et Théodore ou lettres sur l'éducation, tot schoolinspectrice
te Parijs aan; onder zijn invloed kwamen in Italië de eerste hoogere
meisjesscholen tot stand, en breidde het aantal pensionaten voor meisjes
in Frankrijk zich belangrijk uit. Geschriften als van PAULINE GUIZOT
1770–1827, Gravin DE REMUSAT 1780–1821, ALBERTINE NECKER DE SAUSSURE
1799–1841 enz. hielden de belangstelling in de meisjesopvoeding
levendig.[135] In 1880 ontving het meisjesschoolwezen eene wettelijke
regeling.[136]
[135] LILY BRAUN, Die Frauenfrage bl. 69, 104 v.; RÖSLER, Die
Frauenfrage bl. 426 v.; PAULINE GUIZOT schreef Education
domestique ou lettres de familie sur l'éducation 1826; Gravin DE
REMUSAT gaf 1824 in het licht Essai sur l'éducation des femmes en
ALB. NECKER publiceerde van 1828–1838 een werk over L'éducation
progressive ou étude du cours de la vie.
[136] Handbuch der Frauenbewegung III 358 v.
In Groot-Brittannië had de volksschool haar ontstaan aan de Reformatie
te danken; JOHN KNOX ontwierp een plan voor de volksopvoeding over het
geheele land, maar de godsdienstige en staatkundige toestanden waren
voor de uitvoering van dit plan niet gunstig, zoodat de lagere klassen
des volks dikwerf van eenigszins voldoend onderwijs verstoken bleven. De
opvoeding der meisjes had meest in de ouderlijke woning of in private
scholen plaats. Maar LOCKE deed door zijne Thoughts concerning education
1693 de noodzakelijkheid eener eenvoudige, gezonde en degelijke
opvoeding inzien. MARY ASTELL ontwierp in 1694 het plan van eene soort
vrouwenklooster, waarin de dochters der hoogere standen door studie en
practische diensten (verzorging van armen en kranken, opvoeding van
kleine kinderen, enz.) voor hare levenstaak werden opgeleid. DANIEL
DEFOE pleitte in 1697 voor de oprichting eener vrouwenakademie en noemde
het eene barbaarschheid, aan de vrouwen de voordeelen eener hoogere
beschaving te onthouden. In de 18e eeuw waren de toestanden zoo
droevig, dat men door Zondagscholen en ragged schools verbetering zocht
aan te brengen. HANNAH MORE 1745–1833 wees in haar Strictures on female
education de gebreken der bestaande opvoeding aan, en stichtte niet
alleen Zondagscholen voor de kinderen des volks, maar drong ook bij de
hoogere standen op eene betere opvoeding hunner dochters aan.
Veel scherper was nog de critiek, welke MARY WOLLSTONECRAFT in 1792 in
haar Vindication of the rights of women op de opvoeding der meisjes
uitbracht. Want deze kweekte naar hare meening wel dames, maar geen
vrouwen; men leerde haar wel zeden, maar geen moraal; men richtte haar
streven op ijdelheden, doch niet op een ernstig levensdoel; inplaats van
haar aan arbeid te wennen, zocht men ze bezig te houden met beuzelingen
en ijdelheden. Toch vonden al deze stemmen weinig gehoor. Eerst de
treurige sociale toestanden, waarin de vrouwen tegen het midden der
vorige eeuw tengevolge van de grootindustrie verkeerden, openden de
oogen voor de noodzakelijkheid eener betere opvoeding. Sedert werd deze
in Engeland met ernst ter hand genomen. Er werden niet alleen allerlei
inrichtingen van liefdadigheid opgericht, maar ook verschillende
scholen gebouwd, voor herhalings-, voortgezet- en vakonderwijs, voor
de opleiding van onderwijzeressen, voor meer algemeene en hoogere
ontwikkeling, enz., en langzamerhand werden ook de universiteiten voor
vrouwen opengesteld.[137]
[137] Handbuch der Frauenbewegung III 244–286.
In Duitschland werkten de onvruchtbare leertwisten en de godsdienstige
en zedelijke verwildering des volks in den 30-jarigen oorlog er toe
mede, om vele mannen de noodzakelijkheid te doen inzien van eene
hervorming van onderwijs en opvoeding. RATICHIUS 1571–1635 sprak den
wensch uit naar eene _Duitsche_ school voor _alle_ kinderen zonder
onderscheid. JOHANN VALENTIN ANDREAE 1586–1654 hield in zijn Reipublicae
Christianopolitanae descriptio 1619 aan zijne tijdgenooten een spiegel
voor oogen van den treurigen toestand, waarin kerk en staat toenmaals
verkeerden, en gaf er tevens de beschrijving in van een Christelijken
Staat, waarin opvoeding en tucht verbetering hadden aangebracht; zijn in
1649 uitgegeven werk Theophilus, seu de christiana religione sanctius
colenda, vita temperantius instituenda et literatura rationabilius
docenda consilium cum paraenesi ad ecclesiae ministos, handelt in het
derde gesprek breedvoerig over de methode en de stof van het onderwijs
der jeugd. COMENIUS 1592–1670 stelde in zijn Didactica magna denzelfden
eisch als RATICHIUS, dat _alle_ kinderen, arm en rijk, jongens en
meisjes, de scholen moesten bezoeken en voegde daaraan nog toe, dat de
meisjes niet alleen in de elementaire vakken onderwezen, maar ook tot de
wetenschappelijke studiën moesten toegelaten worden; terwijl ANDREAE
echter voor de meisjes onderwijzeressen wenschte, keurde COMENIUS dit op
grond van 1 Tim. 2 : 12 af.
ERNEST DE VROME, hertog van Gotha en Altenburg 1601–1675 nam de
hervorming van kerk en school in zijn gebied practisch ter hand, verhief
economisch en moreel den onderwijzerstand, en stelde eene schoolorde
vast, waarbij jongens en meisjes, in dorpen en steden, gedurende zeven
jaren tot schoolbezoek verplicht werden. Bij dezen hervormingsarbeid
ondervond de Hertog veel hulp en steun bij zijn Hofraad, LUDWIG VAN
SECKENDORF 1626–1692, die in 1656, onder den titel Duitsche vorstenstaat
een soort handboek van het Duitsche Staatsrecht in het licht gaf en
daarop later een omvangrijk werk over den Christenstaat volgen liet;
hierin handelde de schrijver ook opzettelijk over eene betere opvoeding
van het vrouwelijk geslacht en over die Jungfrauschulen, welke bij
de Reformatie wel voorgenomen, maar niet tot stand gekomen waren.
SECKENDORF ontwierp voor Hertog ERNST ook het plan van eene stichting
voor onverzorgde adellijke vrouwen en van een daaraan te verbinden
meisjespensionaat. Dit plan kwam niet tot uitvoering, maar het is niet
onwaarschijnlijk, dat SECKENDORF, die in de laatste jaren van zijn leven
in Halle woonde en met FRANCKE bevriend was, op dezen invloed geoefend
heeft bij zijne stichting van de eerste hoogere meisjesschool in
Duitschland, het z.g.n. gynaeceum, in 1698, dat overigens de school van
Mad. DE MAINTENON te St. Cyr tot voorbeeld nam, doch slechts korten tijd
bestond.
Het Piëtisme liet zich trouwens aan de volksopvoeding veel gelegen
liggen en maakte zich ook met name voor de opvoeding der meisjes
verdienstelijk. In Berlijn zorgde SPENER voor de oprichting van
parochiale scholen voor jongens en meisjes, en FRANCKE volgde in Halle
zijn voorbeeld. Verschillende Staten in Duitschland werden door al
deze pogingen aangespoord, om ook zelven met meer ernst de belangen
van het schoolonderwijs ter harte te nemen; in de 18e eeuw werden
vele schoolorden ontworpen, scholen gebouwd, schoolplicht ingevoerd en
seminaria opgericht. Het Rationalisme, dat alle menschen wilde opvoeden
tot redelijke wezens, steunde deze beweging; de 18e eeuw produceerde
eene menigte boeken en tijdschriften, die het opnamen voor de hervorming
van het onderwijs en met name ook voor de verbetering van de opvoeding
der vrouw, hetzij deze meer in intellectueele, of in aesthetische
richting werd gezocht. Aan het einde der eeuw trad dan in PESTALOZZI
1746–1827 de man op, wiens denkbeelden over de waarde van den mensch,
ook den armste en geringste, over de volksschool, over de opvoeding tot
mensch, tot burger van den staat en tot lid der maatschappij allerwege
doordrongen en in de 19e eeuw allengs in alle beschaafde landen werden
gerealiseerd.[138]
[138] Handbuch der Frauenbewegung III 1 v. De pogingen tot verbetering
der meisjesopvoeding vonden niet bij allen instemming. MOSCHEROSCH
was bijv. van meening, dat in de hand eener vrouw slechts twee
dingen behoorden: een gebedenboek en een spinnewiel. En ook JUSTUS
MOSER, BENGEL, FLATTICH, ib. bl. 41, 44, 50, 58, waren evenmin als
ROUSSEAU en KANT, ib. bl. 55, 58 van eene geleerde opvoeding der
vrouw gediend.
Al deze nieuwere denkbeelden vonden in de 18e eeuw ook hier te lande
ingang. LOCKE'S gedachten over de opvoeding werden reeds in 1697 in het
Nederlandsch vertaald. De Hollandsche Spectator, dien JUSTUS VAN EFFEN
van 1731 tot 1735 verschijnen liet, behandelde allerlei onderwerpen en
onderwierp ook de opvoeding meermalen aan eene gegronde critiek. VAN
ALPHEN kwam door studie van Engelsche en Duitsche schrijvers tot een
beter inzicht in den achterlijken toestand onzer letterkunde, en sloeg
in zijne kleine Gedichten voor kinderen 1778 een toon aan, die door
eenvoud en natuurlijkheid gunstig afstak bij den gezwollen stijl van die
dagen. Mevrouw ELISABETH WOLF-BEKKER gaf in 1780 eene Proeve over de
opvoeding aan de Nederlandsche moeders in het licht; verhaalde in het
eerste deel van haar boek: Geschrift eener bejaarde vrouw, hoe deze haar
dochter had opgevoed; bezorgde eene vertaling van Mevrouw DE GENLIS'
boek over Adèle en Théodore, en gaf met AAGJE DEKEN in 1793 nog een
roman over de opvoeding uit.
Genootschappen zooals de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, het
Zeeuwsche Genootschap der Wetenschappen, het Haagsche Kunstgenootschap
en het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen
schreven prijsvragen uit, welke op de opvoeding betrekking hadden,
en de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen stelde
zich beschaving van hart en verstand, benevens verbetering van de
minder ontwikkelde volksklasse ten doel, en trachtte dit doel vooral
te bereiken door verbetering van het onderwijs, de uitgave van
schoolboeken, de oprichting van modelscholen, door het schoolgaan van
onvermogende kinderen te bevorderen en kweekscholen voor onderwijzers te
stichten.
Zoo werd ook hier te lande de 19e eeuw voorbereid, die zich daardoor
kenmerkt, dat zij onderwijs en opvoeding verheft tot eene nationale
zaak, waarvoor bepaaldelijk ook de staat de zorg op zich te nemen heeft;
dat ze met de standsopvoeding der 18e eeuw breekt en onderwijs en
opvoeding uitbreidt tot _alle_ kinderen des volks; en dat zij de
voornaamste plaats op de school inruimt aan het maatschappelijk
onderwijs, het aantal vakken vermeerdert en het peil aanmerkelijk
verhoogt. Den 1en Maart 1796 werd daarom reeds aan de Nationale
vergadering een Proeve aangeboden van een ontwerp van _nationaal_
onderwijs, en in de nieuwe staatsregeling van 1798 een Agentschap van
_nationale_ opvoeding ingesteld, dat eerst door VAN KOOTEN, kort daarna
door VAN DER PALM werd waargenomen, en leidde tot de wet op het lager
onderwijs van 15 Juni 1801, gewijzigd in 1803, en vervangen door die van
3 April 1806, welke aan de provinciale besturen opdroeg, om te zorgen,
dat er overal voldoend lager onderwijs werd gegeven.
Deze volksschool kwam vanzelf ook aan de meisjes ten goede; maar eerst
in de tweede helft der vorige eeuw kwam het, in verband met de allengs
zich baanbrekende vrouwenbeweging, tot behartiging van andere belangen
der vrouwelijke jeugd, dan die in de lagere school bevrediging vonden.
Wel waren er enkele meisjeskostscholen, die een goeden naam hadden,
zooals van PETRONELLA MOENS te Ede en van Mevr. VAN MEERTEN te Gouda;
maar overigens lag het veld van de opvoeding der vrouw nog vrijwel
braak. In 1808 verrees echter de eerste vakschool voor meisjes, de
openbare werk- en leerschool te Amsterdam, die in 1904 tot nieuwen bloei
kwam als opleidingsschool voor dienstboden.
Deze werd in de tweede helft der eeuw door vele andere vakscholen
gevolgd, zooals de eerste industrieschool te Amsterdam, waartoe de
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in 1865 het initiatief nam, en dan
voorts door allerlei scholen voor de opvoeding of opleiding van meisjes,
zooals kook- en huishoudscholen, vrouwen-arbeidsscholen, kweekscholen
voor onderwijzeressen, vroedvrouwenscholen, handelscursussen,
opleidingscursussen voor verpleegsters, voor onderwijzeressen bij het
Fröbelonderwijs, kinderjuffrouwen, onderwijzeressen of leeraressen in
gymnastiek, dans, stenographie, boekhouden, handelscorrespondentie,
costuumvak, fraaie handwerken, landbouwonderwijs, enz. voor
apothekeressen, drogisten, modisten, naaisters, schilderessen,
directrices van verschillende inrichtingen, inspectrices bij het
onderwijs en den arbeid, commiezen en ambtenaressen bij post,
telegraphie, telephonie enz. En bij dit alles kwam dan nog de opleiding,
door een steeds grooter aantal vrouwen op middelbare en hoogere scholen
voor vrije beroepen gezocht. Maar hoeveel er op dit gebied in de laatste
halve eeuw tot stand kwam, het ontbreekt toch nog al te veel aan orde en
systeem, aan helder bewuste en doeltreffende organisatie.
De meisjesopvoeding in de kinderjaren levert nog betrekkelijk weinig
moeilijkheden op. Want onverschillig, welke godsdienstige en politieke
richting men toegedaan is, allen zijn eenstemmig van oordeel, dat
jongens en meisjes hetzelfde elementaire, algemeen ontwikkelend
onderwijs moeten ontvangen. Zelfs tegen de coëducatie op de bewaarschool
en op de lagere school wordt geen overwegend bezwaar meer ingebracht.
Ofschoon in vorige eeuwen het onderwijs voor jongens en meisjes ook
dikwerf in de kinderschool gescheiden was, en enkelen daaraan nog de
voorkeur geven, toch heeft de coëducatie op dit terrein zich allerwege
zoo ingeburgerd, dat aan een ernstig verzet door niemand wordt gedacht.
Hier wordt dit stelsel dan ook nog door geen der bezwaren gedrukt,
die er op later leeftijd tegen in te brengen zijn. De omgang van
jongens en meisjes is in de kinderjaren, in den regel en afgezien
van ontaarde gevallen, nog van onschuldigen en ongedwongen aard; het
geslachtsverschil ontwaakt eerst duidelijk tegen den puberteitsleeftijd
en doet dan ook in die jaren jongens en meisjes uiteengaan; ze beginnen
zich dan in eigen richting te bewegen, openbaren andere verlangens en
neigingen en eischen van den paedagoog, dat met hare uiteenloopende
behoeften rekening worde gehouden.
Voorts komt er meer en meer overeenstemming in het streven, om aan
de lagere school eene bewaarschool (speelschool, Fröbelschool,
Kindergarten) te doen voorafgaan. Ofschoon zulke speel- of bewaarscholen
ook wel vroeger, met name in ons vaderland, voorkwamen, zijn ze als een
zelfstandig element in de schoolopvoeding toch aan FRIEDRICH FRÖBEL
1782–1852 te danken, die in 1838 den eersten Kindergarten voor drie- tot
zesjarige kinderen oprichtte te Blankenburg in Thüringen. De gedachte
was daarbij, dat de opvoeding in den aan de lagere school voorafgaanden
leeftijd zich moest aansluiten bij de behoeften en neigingen van het
kind, en dus zijne voornaamste werkzaamheid in dien leeftijd, dat is
het spel, in dienst moet nemen. Niet passief aannemen, maar actief
verwerven; bezigheid, zelfwerkzaamheid moest de grondslag der opvoeding
zijn. Deze gedachte is niet alleen voor de bewaarschool, maar ook voor
geheel het lager onderwijs vruchtbaar geweest; en de bewaarschool in
FRÖBELS geest, bevrijd van de eenzijdigheden en gebreken, die haar eerst
aankleefden, en naar de omstandigheden gewijzigd, heeft in alle landen
ingang gevonden, en steeds grooter veroveringen gemaakt. Wel is waar
kan eene bewaarschool eene goede opvoeding in huis niet vervangen,
zoodat van schoolplicht daarbij moeilijk sprake kan zijn; maar men
mag niet vergeten, dat tal van moeders door den arbeid in of buiten
hare woning, en ook door onverstand en onkunde buiten staat zijn,
om aan hare kinderen de noodige zorg te wijden; voor zulke moeders is de
bewaarschool eene uitkomst en een zegen. Bovendien is ze een geschikte
overgang van de opvoeding in huis tot die in de school; ze sluit eng
bij het huisgezin aan, brengt als het ware een stuk familieleven in de
school over, rekent met de vrouw als belangrijken factor in de opvoeding
en bereidt voor het onderwijs in de lagere school voor.
Wanneer de bewaarschool in de organisatie van het onderwijs eene
wettelijk-geregelde plaats ontving, zou de lagere school de kinderen
niet moeten opnemen vóór den 7-jarigen leeftijd, en dan zoo in te
richten zijn, dat het onderwijs in de lagere klassen, van het 7e tot het
10e jaar, opgedragen bleef aan onderwijzeressen, den „Spiellust” der
kinderen, die in de bewaarschool domineert, allengs in den „Lernlust”
deed overgaan, en zoo geleidelijk voorbereidde voor het onderwijs in de
hoogere klassen, van het 7e tot het 14e jaar. Het aantal jaarklassen
werd daardoor met twee vermeerderd; maar, hoezeer hiertegen bezwaren
zijn in te brengen, vooral ook van practischen aard, op den duur zal
deze uitbreiding van het onderwijs op de lagere school niet tegen te
houden zijn, omdat tal van landen ons daarin reeds zijn voorgegaan en de
tegenwoordige toestanden aan de ontwikkeling van het volk steeds hooger
eischen stellen.
Ofschoon de lagere school zich in hare eerste klassen bij de
bewaarschool behoort aan te sluiten, is zij toch in wezen van deze
onderscheiden en niet als eene soort voortgezette bewaarschool te
beschouwen. Zij is en moet leerschool blijven en mag niet eenzijdig in
eene werkschool worden omgezet; zij moet aan alle kinderen des volks die
elementaire vaardigheden en kundigheden verschaffen, welke thans voor
alle burgers noodig zijn en den grondslag vormen voor alle volgende
ontwikkeling. Het onderwijs is daarom op deze school voor jongens en
meisjes gelijk; en toch doet het verschil in geslacht en bestemming ook
hier reeds zijn invloed gelden in het vak handwerken, dat alleen voor
meisjes is bestemd.
Mej. I. KOOISTRA gaf in 1904 aan de subcommissie, aangewezen door
de Staatscommissie tot reorganisatie van het lager onderwijs, op
verschillende gronden het advies, om de nuttige handwerken als verplicht
leervak voor de meisjes op de lagere school te schrappen;[139] maar de
subcommissie, steunende op andere adviezen[140], ried de Staatscommissie
aan, om dit vak, om zijne groote practische beteekenis, niet uit het
leerplan der lagere school te verwijderen.[141] De Staatscommissie sloot
zich daarbij aan, maar sprak tevens den rechtmatigen wensch uit, dat
het onderwijs in dit vak gegeven werd door eene onderwijzeres, die aan
dezelfde kinderen ook gewoon lager onderwijs in de andere vakken geeft,
of althans door eene onderwijzeres, die in het bezit is der akte voor
nuttige handwerken en die getoond heeft dat zij paedagogisch met de
kinderen weet om te gaan; en voorts nog, dat dit onderwijs, zooveel
doenlijk, binnen de gewone schooluren gegeven worde, en plaatselijke
omstandigheden in acht neme.[142]
[139] Rapport van de Staatscommissie voor de Reorganisatie van het
Onderwijs II 141–149.
[140] N.l. van Mejonkvrouw J. DE BOSCH KEMPER, Mevrouw J. SCHELTS VAN
KLOOSTERHUIS, Mej. P. M. HERINGA en Mej. J. A. NATER, ib. II
132–140.
[141] Rapport II 149.
[142] Rapport I 76, 77.
De grootste moeilijkheden in de opvoeding der meisjes komen op na het
verlaten der lagere school. Voor verreweg de meeste kinderen is de
lagere school tevens het eindonderwijs; in de uitgave van het Bestuur
van het Congres voor Kinderbescherming over _Het Herhalingsonderwijs
in Nederland en in het Buitenland_,[143] werd berekend, dat ongeveer
200.000 kinderen van elk voortgezet onderwijs verstoken blijven; en
volgens Mevrouw M. VAN REENEN-VÖLTER verlaten ongeveer 67.700 meisjes
jaarlijks de lagere school; ongeveer 1000 van deze meisjes ontvangen
verder onderwijs aan Hoogere Burgerscholen, Gymnasia of aan scholen van
meer uitgebreid lager onderwijs, en ongeveer 2700 meisjes bezoeken de
verschillende vakscholen.[144] Zonder nu overdreven eischen te stellen
of de menigmaal harde werkelijkheid uit het oog te verliezen, mag men
toch wel als zeker aannemen, dat een grooter aantal meisjes zonder eenig
bezwaar van het voortgezet lager of van het vakonderwijs gebruik zouden
kunnen maken, dan blijkens deze cijfers het geval is. Deze cijfers zijn
toch inderdaad bedroevend laag; ze bewijzen, hoe gering bij het volk
over het algemeen de belangstelling in het onderwijs is en hoe groote
rol het eigenbelang daarbij speelt.
[143] Amsterdam 1913 bl. 79. Verg. mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl.
128, 221.
[144] Rapport t. a. p. II 915. Maar deze getallen zijn thans veel te
laag, zie later bl. 185.