meer algemeen op godsdienstig gebied bewijzen kan. De oude kerk maakte
daar een rijk gebruik van; de Roomsche kerk organiseerde ze in hare
orden, congregaties en vereenigingen, maar de Protestantsche kerken
wisten er weinig partij van te trekken; eerst door den arbeid der in-
en uitwendige zending zijn de vrouwelijke diensten weer eenigermate in
hun eere hersteld. De vader der Innere Mission, J. H. WICHERN stichtte
in 1833 te Horn bij Hamburg het Rauhe Haus, dat oorspronkelijk een
reddingshuis voor verwaarloosde knapen was, maar later ook voor andere
philanthropische doeleinden werd bestemd. Voor dezen arbeid waren
leiders en verzorgers van noode, en zoo kwam WICHERN ertoe, om aan het
Rauhe Haus, naar het voorbeeld van de broeders des gemeenen levens,
broederhuizen te verbinden, waar jonge mannen tusschen 20 en 30 jaren
gedurende zekeren tijd theoretisch en practisch in den arbeid der
inwendige zending werden ingeleid. Dergelijke inrichtingen kwamen er,
meest echter onder den naam van diakonenhuizen, ook elders tot stand,
soms met een algemeen, soms met een meer speciaal doel, bijv. om
leekenpredikers of evangelisten op te leiden, als te Crischona bij Basel
en in het Johanneum te Barmen; of om bekwaam te maken voor den arbeid
onder de Duitsche diaspora, zooals te Neuendettelsau en elders; of om
voor te bereiden voor het werk der stadszending, als in het 1858 door
WICHERN te Berlijn gestichte Evangelische Johannesstift.[121]
[121] Art. Diakonenhäuser in PRE{3} IV 604–610, verg. het art. WICHERN
ib. XXI 219–224.
Naast deze diakonenhuizen werden er weldra ook diaconessenhuizen
opgericht. De eerste inrichting van dien aard werd in 1836 door THEODOR
FLIEDNER te Kaiserswerth bij Düsseldorf gesticht, die daarbij zich
leiden liet door denkbeelden, welke pastor KLÖNNE, Freiherr VON STEIN,
AMALIE SIEVEKING e. a. reeds over het herstel van het diaconessenambt
hadden geuit, en die in de practische uitvoering zich aansloot bij
de Schriftuurlijke en kerkelijke voorbeelden, speciaal ook bij het
instituut der gemeentediaconessen bij de Mennonieten in Nederland. Het
nieuwe bestond bij deze inrichtingen hierin, dat ze tot stand kwamen
buiten de kerken om, aan de diaconessen eene methodische opleiding
verschaften en haar arbeid op eene bepaalde wijze organiseerden. Er kwam
nu ook bij de Protestanten, zooals reeds lang bij de R. Katholieken,
geregelde voorbereiding en onderlinge samenwerking in het werk der
barmhartigheid.[122] Het voorbeeld van FLIEDNER vond overal navolging.
In tal van landen werden inrichtingen in het aanzijn geroepen voor de
opleiding van diaconessen, hier te lande bijv. in Amsterdam, Rotterdam,
's Gravenhage, Haarlem, Utrecht, enz.
[122] Art. Diakonissenhäuser in PRE{3} IV 610–616. SCHÄFER, Leitfaden
zur Inneren Mission{4}. Hamburg 1904 bl. 390 v.
Indirect droeg dit diaconessen-instituut er toe bij, om de vrouwen
in breeden kring en in tal van vereenigingen aan te sporen tot het ter
hand nemen van allerlei philanthropischen, socialen en missionairen
arbeid. Want toen de oogen opengingen, bleek het, dat er op dit gebied
veel verwaarloosd was en ontzaglijk veel viel te doen. De kerk kan bij
dezen arbeid de vrouwen niet missen. Er zijn tal van werkzaamheden,
waartoe zij bijzondere gaven en krachten bezitten; men denke slechts
aan de Zondagschool, het godsdienstonderwijs, de armenzorg, de
ziekenverpleging, de verzorging van weezen en weduwen en ouden van
dagen, de ondersteuning van kraamvrouwen, het verschaffen van bijstand
en raad aan de moeders, de bereiding van spijzen voor armen en kranken,
het voorzien in de behoeften aan kleeding en deksel, de behartiging der
belangen van dienstboden, alleenstaande meisjes, fabriekarbeidsters
enz. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat al deze werkzaamheden, door
de vrouwen te verrichten, van het instituut der kerk moeten uitgaan.
Maar de kerk heeft wel de roeping, vooral in dezen tijd, om op al
deze diensten de aandacht te vestigen en de vrouwen op te wekken
tot het wèlbesteden van de gaven, die haar in het bijzonder zijn
toebetrouwd.[123]
[123] HARRENSTEIN, Het arbeidsterrein der kerk in de groote steden 1913
bl. 158–172.
In het bijzonder zij hier nog met een enkel woord melding gemaakt van de
belangrijke diensten, welke de vrouwen in het werk der zending bewijzen
kunnen. De R. Kath. kerk heeft hiervoor van ouds af een open oog gehad
en telt tegenwoordig niet minder dan ruim 20,000 zusters, die arbeiden
op het zendingsveld. De Protestantsche kerken hebben het belang van deze
vrouwelijke diensten eerst veel later ingezien, en hebben thans dan ook
nog niet meer dan ongeveer 7000 zusters, die in de zending werkzaam
zijn. Engeland en Amerika gingen hierin voor; Engeland begon in 1834
ongehuwde vrouwen als zendelingen uit te zenden, en heeft thans 98
vrouwelijke artsen en 2498 zusters bij de zending in dienst; voor de
Vereenigde Staten zijn deze getallen resp. 160 en 2458, voor Canada 23
en 220, voor Australië met N. Zeeland 2 en 94, voor de Scandinavische
landen 3 en 192. Wijl er door den oorlog zoovele mannen aan de kerken
ontvallen, begint men thans in Duitschland, hetwelk nu nog maar
betrekkelijk weinige, n.l. 248 zendingszusters telt, meer dan vroeger
na te denken over de hulp, welke de vrouw in de zending verschaffen
kan.[124]
[124] _Alg. Handelsblad_ 30 Dec. 1917.
Zonder twijfel zullen, gelijk op velerlei ander gebied, de vrouwelijke
arbeidskrachten in het werk der in- en der uitwendige zending
in belangrijke mate toenemen. In Amerika weet men dit getal van
zendingszusters practisch daardoor uit te breiden, dat men vereenigingen
van vrouwen in eene gemeente of in eene classis opwekt, om de kosten
voor zulk eene zendingszuster voor hare rekening te nemen. Deze
vrouwenvereenigingen voor de zending werken daarvoor dan niet alleen in
de gemeenten, maar houden van tijd tot tijd ook openbare vergaderingen,
waar de belangen der zending worden besproken. Zoo kwamen onlangs, in
Oct. 1917, de vrouwen van de Reformed Church in de classes Holland,
Grandriver en Grandrapids voor de 19e maal in eene zendingsconferentie
te Holland, onder leiding van Mrs. GILMORE samen, die door 5 à 600
vrouwen werd bijgewoond en de belangstelling in het werk der zending
onder de vrouwelijke leden der gemeenten tracht te bevorderen. Zelfs
houdt dezelfde kerk elk jaar, als ze in Synode samenkomt, in dezelfde
week en terzelfde plaatse een Ladies' Day, waar de arbeid der zending
besproken en aan alle vrouwelijke leden der kerk aanbevolen wordt.
Zoo zien we, dat ook op kerkelijk en missionair gebied, evenals in
geheel de maatschappij, de vrouwen meer en meer op den voorgrond treden.
En het spreekt haast vanzelf, dat in diezelfde mate ook bij de vrouwen
de vraag moest opkomen, of zij in kerkelijke zaken niet meer zeggenschap
kunnen verkrijgen, dan haar tot dusver toegekend is. In vele kerken in
Amerika en Australië, in Denemarken, Noorwegen en IJsland bezitten ze
dan ook reeds het z.g.n. actieve stemrecht, en soms ook het passieve
stemrecht voor commissies van armenzorg, ziekenverpleging enz.[125] In
Zwitserland hebben vrouwen dikwerf het actieve stemrecht in zaken van
beheer en ook wel in de verkiezing van personen tot het ambt; zoo in de
Eglise Libre te Genève sedert 1891, in die van Waadland sedert 1898,
in de nationale kerk van Waadland sedert 1910; de synode der nationale
kerk te Basel voerde ten vorigen jare het vrouwenstemrecht in voor
de verkiezing van predikanten enz.; de synode der Waldensische kerk
liet in 1903 de gemeenten vrij, om het actieve stemrecht aan de vrouw
te verleenen. Onverdeelde sympathie vonden deze maatregelen ook in
Zwitserland niet, maar men is er haast toe gedwongen, omdat de mannen
zich meer en meer aan de kerk onttrekken.
[125] Toen Ds. TALMA predikant was te Bennebroek, maakte hij van een
gewijzigd artikel in het kerkelijk reglement gebruik, om enkele
vrouwen door den kerkeraad tot armverzorgsters te laten
aanstellen.
In Duitschland ijverden de vooruitstrevende liberale vrouwen ook voor
het kerkelijk stemrecht. De Duitsche vereeniging voor vrouwenstemrecht
richtte 15 April 1903 aan den Evangelischen Ober-Kirchenrat het verzoek,
om dit stemrecht te verleenen, en MARTHA ZIETZ, die dit verzoek
onderteekend had, trad op den Protestantendag Oct. 1904 op, om dit
recht der vrouw te verdedigen. In de kringen der liberale Protestanten
vond dit kerkelijk vrouwenstemrecht wel steun, en ook daarbuiten
werd het door enkelen, zooals PAULA MÜLLER en ADOLF STÖCKER, op de
kerkelijk-sociale conferentie te Berlijn in April 1903, met sympathie
begroet, maar anderen, zooals o.a. BETTEX, verwierpen het beslist.[126]
Hier te lande werd het reeds in 1898 besproken en verdedigd door Dr.
KUYPER, en later door Ds. A. D. C. KOK en Ds. C. LINDEBOOM.[127] De
Synode der Ned. Herv. Kerk verklaarde zich in Juli 1917 in beginsel voor
het actieve vrouwenkiesrecht met 14 tegen 5 stemmen, terwijl zij het
passieve stemrecht der vrouw met 10 tegen 9 stemmen verwierp; maar het
is de vraag, of de classicale vergaderingen op dit voorstel der Synode
gunstig adviseeren zullen. Eén van de argumenten vóór de aanneming van
het actieve vrouwenstemrecht werd daaraan ontleend, dat de uitsluiting
der bedeelden van het kiesrecht eerlang wel verdwijnen zal, en dat het
dan niet aangaat, de vrouwen bij deze bedeelden achter te stellen.
[126] PAULA MÜLLER und D. ADOLF STÖCKER, Rechte und Pflichten der Frau
in der kirchlichen und bürgerlichen Gemeinde. Hefte der freien
kirchlichsocialen Konferenz. Heft 28. Berlin 1903. EMIL GÜDER, Das
Stimmrecht der Frauen in kirchlichen Angelegenheiten. Giessen
Ricker 1904. A. BRAUN, Die Ziele der modernen Frauenbewegung. Mit
Begleitwort von Prof. Dr. R. SEEBERG, Berlin Trowitsch 1913.
[127] In _de Heraut_ no. 1848, 23 Jan. 1898. A. D. C. KOK, De plaats der
vrouw in Christus' gemeente. Nijverdal 1915. C. LINDEBOOM in _de
Bazuin_ 20 April tot 22 Juni 1917, en later nog aldaar, Oct.–Nov.
1917.
In ons land is deze quaestie echter niet van dringenden aard. In de
eerste plaats is het getal der mannen, dat aan de kerk den rug toekeert,
lang zoo groot niet als in andere landen; en ten tweede is er van een
verlangen der vrouwen naar het actief stemrecht in de kerk weinig of
niet te bespeuren; zij stellen er zoo weinig belang in, dat bij de
onlangs te Middelburg gehouden verkiezing voor den kerkeraad der
Israëlietische gemeente, waar voor het eerst aan de vrouwen het
kiesrecht was verleend, slechts eene enkele vrouw van dit recht gebruik
maakte. Bij zulk eene onverschilligheid is het dwaas stemrecht te
verleenen; als het niet gevraagd wordt, zijn er geen gronden, om het te
geven, in de kerk evenmin als in den staat.
Indien het vrouwenkiesrecht echter principiëel ter sprake komt, is er
weinig grond, om het te veroordeelen. De vrouwen zijn evengoed leden der
gemeente als de mannen. Het belang bij goede predikanten, ouderlingen en
diakenen is voor haar even groot als voor hen. De belangstelling van de
vrouwelijke leden in de kerk, in de bediening van woord en sacrament,
in de kerkelijke tucht en in de verzorging der armen, doet in den
regel voor die van de mannen niet onder. De godsdienst gaat bij haar
gewoonlijk veel dieper, omdat ze bij haar meer is eene zaak van 't hart,
en invloed oefent op heel haar leven. Niet gering is het aantal vrouwen,
die weduwen zijn of met godsdienstig onverschillige of tot eene andere
kerk behoorende mannen zijn gehuwd, en zonder vrouwenstemrecht van allen
invloed op het kerkelijk leven verstoken zijn.
Wel is waar, is de vrouw in het huisgezin aan den man ondergeschikt, en
werkt dit onderscheid ook in de gemeente door, maar als leden, afgezien
van het ambt van leeraar en ouderling, ontvangen zij dezelfde weldaden
en hebben zij dezelfde rechten. Hebben trouwens inwonende zoons, die
belijdenis aflegden, niet het recht van stemmen, ofschoon ze aan de
ouders ondergeschikt blijven? Indien het stemrecht echter niet vanzelf
toekomt aan een mannelijk lid der gemeente, dat belijdenis des geloofs
aflegde, maar verder nog afhankelijk is van bepalingen, b.v. aangaande
den leeftijd, die door den kerkeraad zijn gemaakt, dan draagt de
verleening van het kiesrecht in de kerk een vrij willekeurig karakter
en wordt de weigering daarvan aan de vrouwen, indien zij het begeeren,
eene onbillijkheid, even onbillijk als de achteruitzetting bij den doop
van kinderen, waarbij naar sommiger oordeel de moeder haar eigen kind
niet ten doop mag houden of op de vragen van het doopsformulier niet
antwoorden mag. De onbillijkheid wordt te grooter, omdat men aan
den anderen kant toch in de kerk aan de vrouw het recht toekent, om
bedenkingen in te brengen tegen de verkiezing van iemand, die aan de
gemeente voorgesteld werd, om op te treden als getuige over iemands
belijdenis of wandel, om verzoekschriften of klachten in te dienen bij
den kerkeraad enz. En was het kiesrecht in de kerk nu nog een soort
van machtsoefening, dan liet zich de onthouding daarvan aan de vrouw
verstaan; maar nog veel minder is dit in de kerk dan in den staat het
geval. De gemeente wijst alleen personen aan, die zij voor een of ander
ambt het verkieselijkst acht, maar het is de kerkeraad, die roept en
aanstelt.
Goed beschouwd, is er maar één bezwaar, dat gewicht in de schaal legt,
en dat is de vrees voor de consequentie: als de kerk aan de vrouw het
actieve kiesrecht verleent, dan duurt het niet lang, of zij zal zich
genoodzaakt zien, om haar ook het passieve kiesrecht te schenken. En dan
is de tijd niet ver meer, waarin vrouwen de plaats van de predikanten,
de ouderlingen en de diakenen zullen innemen.[128]
[128] Aldus Ds. KNAP in _Oude Paden_, die echter door Ds. LINDEBOOM in
_de Bazuin_ van 23 Nov. 1917 bestreden wordt.
Zulk eene redeneering uit de consequenties maakt gewoonlijk veel indruk
op vreesachtige gemoederen, die elke „nieuwigheid” veroordeelen. Maar
ze is toch in den grond der zaak van dezelfde waarde als het dikwijls
gebezigde argument, dat de tijd ergens niet rijp voor is. Indien het
bewijs, aan de Schrift ontleend, dat de vrouw niet dienen mag in het
kerkelijk ambt, althans niet in dat van predikant of ouderling, sterk
genoeg is, hebben wij aan het argument der vrees geene behoefte; indien
dat bewijs niet houdbaar ware, zouden wij de consequentie op den duur
toch nooit door het inboezemen van vrees kunnen keeren. Te minder, omdat
het ambt van predikant en ouderling toch in werkelijkheid nooit anders
dan bij uitzondering door vrouwen begeerd of bediend zou worden.
Maar het is ook niet waar, dat het actief kiesrecht vanzelf en
consequent tot het passief kiesrecht leidt. Beide zijn onderscheiden,
omdat de vereischten voor de verkiesbaarheid menigmaal andere zijn dan
die voor de kiesbevoegdheid. Het lidmaatschap van den gemeenteraad bijv.
is volgens art. 23 der Gemeentewet onvereenigbaar o.a. met de betrekking
van ambtenaar der gemeente, geestelijke of bedienaar van den godsdienst,
onderwijzer bij het lager of middelbaar onderwijs. Deze personen zijn
wel kiesbevoegd en stemmen bij de verkiezing voor den gemeenteraad mede,
maar ze zijn niet verkiesbaar. Zoo is de verkiesbaarheid tot eenig ambt
in de Schrift aan bepaalde vereischten verbonden, 1 Tim. 3; maar aan de
kiesbevoegdheid worden nergens dergelijke grenzen gesteld.
We weten zelfs niet met volstrekte zekerheid, hoever die kiesbevoegdheid
ging en hoe ze werd uitgeoefend. In de vergadering van 120 personen, die
in Hand. 1 : 15 vermeld wordt, waren zeker ook vrouwen tegenwoordig,
want deze vergaderden met de apostelen, vs. 14. Wel is waar spreekt
Petrus de vergadering aan met: Mannen broeders, maar dit bewijst het
tegendeel niet, omdat de apostelen de gemeente steeds in hunne brieven
met den naam van broeders aanspreken en nooit daarnaast van zusters
melding maken, gelijk we toch tegenwoordig algemeen doen. Daarom blijft
het ook onzeker, of de vrouwen aan de keuze van een tweetal voor het
apostelschap en aan de loting tusschen die twee al dan niet hebben
deelgenomen. En andere plaatsen, zooals Hand. 13 : 3 en 14 : 23
verschaffen ook geen licht.
Terwijl de Schrift dus het ambt van leer- en regeerouderling tot
de mannelijke leden der gemeente beperkt, laat zij zich over de
kiesbevoegdheid der gemeente niet beslist en duidelijk uit. Het schijnt
dan ook, dat de vrouwen in de oude kerk bij de aanwijzing van personen
voor het bisschopsambt en bij andere kerkelijke aangelegenheden niet
uitgesloten waren. Nog heden zijn er in Duitschland R. Kath. gemeenten,
waar zelfstandige vrouwen op grond van het patronaatsrecht medestemmen
bij de keuze van een pastoor;[129] en dergelijke toestanden komen ook
nog in ons vaderland voor; de ambachtsvrouw heeft soms het recht, om de
keuze der gemeente goed- of af te keuren. Het patronaatsrecht wordt
daarmede hier niet in bescherming genomen, maar het bewijst toch, dat
eene vrouw niet altijd, alleen omdat ze vrouw was, van de
kiesbevoegdheid in de gemeente was uitgesloten.
[129] MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben, M. Gladbach
1906 bl. 58. Volgens vriendelijke mededeeling van den Heer J.
TANTÓ, Hongaarsch hulpprediker, tijdelijk studeerende te Utrecht,
zijn ook in de Gereformeerde kerk in Hongarije weduwen en
zelfstandige vrouwen in het bezit van het actieve kiesrecht.
11. DE OPVOEDING DER VROUW.
De opvoeding van de dochters des huizes was in de oudheid geheel en al
aan de moeders van het gezin toevertrouwd; van scholen voor meisjes
zijn er hier en daar slechts weinige sporen aanwezig. Als er in den
Grieksch-Romeinschen tijd enkele geleerde vrouwen voorkwamen, dan hadden
deze hare ontwikkeling aan het onderwijs en den omgang der mannen te
danken. Het Christendom bracht hier eenige verandering in, want ook
meisjes moesten, om tot de gemeenschap der kerk te worden toegelaten,
onderwijs in den Christelijken godsdienst ontvangen.
Toen de kloosters verrezen, werden daaraan al spoedig scholen voor
jongens, en ook voor meisjes verbonden. BASILIUS DE GROOTE † 379 gaf,
met beroep op Mark. 9 : 14 en Ef. 6 : 4 aan ouders den raad, om hunne
kinderen, zonen en dochters, vroeg in een klooster te doen opnemen,
maar denkt daarbij vooral aan zulke kinderen, die zich later tot het
ascetische leven willen verbinden. En HIERONYMUS † 420 handelde in een
brief aan LAETA, die hem raadpleegde over de opvoeding harer dochter, en
in een anderen brief aan GAUDENTIUS, die met dergelijk verzoek tot hem
kwam, vrij breedvoerig over de opvoeding, welke aan meisjes gegeven
moest worden. Hij onderscheidt in den leertijd twee perioden, van
den aanvang tot het 7e, en van daar tot het 12e à 15e jaar; beveelt
gemeenschappelijk onderwijs aan, en noemt als vakken: lezen, schrijven,
rekenen, taalonderwijs (Grieksch en Latijn), handwerken (vooral spinnen
en weven) en lezing der H. Schrift.[130] Al de Middeleeuwen door bleef
de opvoeding der meisjes berusten bij de nonnenkloosters, maar daardoor
vanzelf ook tot de toekomstige nonnen en dochters uit de hoogere standen
beperkt; van schoolonderwijs voor de meisjes uit den stand der hoorigen
is ons niets bekend. Hierin kwam eenige verbetering, toen omstreeks de
13e eeuw de burgerstand zich eene plaats in de maatschappij verwierf.
Lezen en schrijven werd toen meer algemeen vereischt, het getal scholen
breidde zich uit, naast de kloosterscholen werden er andere door de
stadsoverheid of door particuliere personen opgericht, meest voor
jongens, maar toch hier en daar ook voor meisjes.[131]
[130] Zie de art. over Basilius en Hieronymus in ROLOFF, Lexikon der
Pädagogik I 343 II 766. Ook Dr. J. N. BRUNNER, Der h. Hieronymus
und die Mädchenerziehung auf Grund der Briefe an Laeta und
Gaudentius, München 1910.
[131] Handbuch der Frauenbewegung III 2 v. Dit derde deel is geheel
gewijd aan Der Stand der Frauenbildung in den Kulturländern.
Het Humanisme had vanwege zijn aristocratisch karakter voor de
volksopvoeding weinig of geen beteekenis. Ofschoon ERASMUS aan de
ouders ook de opvoeding hunner dochters aanbeval en JOH. LUDOVICUS
VIVES in zijne Institutio feminae christianae met grooten ernst op de
wetenschappelijke en zedelijke opvoeding der meisjes aandrong, oefende
het Humanisme alleen op de geleerde wereld en op enkele vrouwen uit
de hoogere standen invloed uit. Van veel grooter beteekenis voor het
onderwijs in het algemeen en bijzonder voor dat van de meisjes, was
de Hervorming, die den Bijbel in aller handen gaf en het leeren lezen
voor alle kinderen ten plicht stelde. LUTHER verlangde, dat de meisjes
minstens één uur per dag de school zouden bezoeken, om de Schrift
te leeren lezen, maar ook om voor hare taak in het huishouden te
worden voorbereid. De Reformatie sloot dus wel de kloosters en de
kloosterscholen, maar zij drong er tevens bij de overheid zoo sterk
mogelijk op aan, om in de steden en ook op de dorpen scholen op te
richten, waar niet alleen de jongens, maar ook de meisjes het noodige
onderricht konden ontvangen. De kerkenordeningen bevatten daarover tal
van bepalingen en noemen als vakken gewoonlijk lezen, schrijven en
onderwijs in den godsdienst (catechismus), maar soms ook wel Bijbelsche
historiën, rekenen en handwerken. Het onderwijs werd gedurende enkele
jaren gegeven, in den regel tot den twaalfjarigen leeftijd toe, en nam
één of meer uren per dag in beslag. Localiteiten en leermiddelen lieten
veel te wenschen over, en de bekwaamheid der onderwijzeressen schoot
menigmaal tekort; maar men moet den tijd en de toestanden in aanmerking
nemen, en men vergete niet, dat het onderwijs in het algemeen en
speciaal ook het onderwijs der meisjes tot de 18e eeuw toe bij de
Protestanten veel hooger stond dan bij de Roomschen, gelijk ook van deze
zijde wordt erkend. Das Lesenlernen war für die Katholiken nicht von
gleicher Bedeutung als für die Protestanten, und so blieb bis ins 18
Jahrhundert hinein der Volksunterricht in den weltlichen Fächern bei den
Katholiken hinter dem der Protestanten zurück.[132]
[132] Aldus M. SCHMITZ, art. Mädchenschulen in ROLOFF'S Lex. der Pädag.
III 547.
Bij het schoolonderwijs dacht men in de eerste plaats aan de mannelijke
jeugd, maar toch werden de meisjes niet geheel vergeten. Hier te lande
gingen ze al zeer vroeg naar de maitressenschool, later op 5 à 6-jarigen
leeftijd naar de school van den meester. Ze werden onderwezen in de
letters, in het spellen en lezen, in het schrijven en rekenen, vooral in
den godsdienst (het Onze Vader, de 12 artikelen, de wet, eenige psalmen,
Bijbelsche Historiën), en ook wel in het naaien, breien, stikken en
andere handwerken. Niet zelden werd het onderwijs in deze vrouwelijke
werkzaamheden door de vrouw van den meester verstrekt. Voor de meisjes
uit de volkskringen was daarmede het onderwijs afgeloopen; de verdere
opvoeding had in het huisgezin plaats en richtte zich vooral op de
huishouding.
Maar toen in de 17e eeuw rijkdom en weelde toenamen, kon men met deze
eenvoudige opvoeding niet volstaan. De gegoede en voorname standen
zochten naar gelegenheden, waar zij hunne zonen en dochters eene hoogere
en meer beschaafde opvoeding deelachtig konden doen worden. En aan dien
wensch kwam men van Fransche zijde tegemoet. Onder FREDERIK HENDRIK
en later nog sterker door den invloed der réfugiés hielden Fransche
taal, Fransche zeden en gewoonten hier hun intocht; het Fransch werd
middelpunt van het onderwijs en verving zelfs het Latijn. De dochters
uit de hoogere standen kregen les van Fransche of Zwitsersche
gouvernantes; of ze werden voor enkele jaren naar Fransche kostscholen
gezonden; of ze bezochten Fransche scholen, die door de overheid in vele
steden werden opgericht.
Hollandsche degelijkheid maakte menigmaal bij deze nieuwe opvoeding voor
oppervlakkige beschaving plaats. De opvoeding richtte zich eenzijdig op
het aanleeren van beschaafde vormen en fijne manieren, van de dingen van
de wereld en de zaken van de min; de huishouding werd veracht en als
eene minderwaardige zaak beschouwd, waar de rijke vrouwen en dochters
zich niet mede bemoeien mochten; tijd en geld werden aan ijdele, nietige
dingen ten offer gebracht.[133] In Frankrijk was het met de vrouwen
in de hoogere standen nog veel treuriger gesteld; liefde, kunst en
wetenschap stonden bij velen in dienst van behaag- en genotzucht; het
huwelijk was een contract, dat door de ouders voor hunne kinderen
aangegaan werd; van liefde was zelden sprake, man en vrouw hielden er
ieder hun eigen afleiding en genieting op na; zooals de mode de natuur
verkrachtte, zoo onderdrukte de uitwendige beschaving alle gezonde
gevoelens en aandoeningen der ziel; het moederschap werd veracht en het
kind verloochend; gouvernante en kloosterzuster werden met de opvoeding
belast.[134]