Studie-materiaal voor vrouwenkiesrecht bl. 73 v. Dr. ALETTA H.
JACOBS en F. S. VAN BALEN-KLAAR, Vrouwenkiesrecht, Maatsch.
voor goede en goedk. lectuur, bl. 76 v. Losse Artikelen over
Vrouwenkiesrecht bl. 1 v. 62 v.
Merkwaardig is ook het bezadigde Rapport van Mr. SCHMOLCK, dat reeds
boven aangehaald werd; we lezen daar, dat volgens veler meening de
vrouwen minder partijdig dan de mannen zijn, bij de stembus een goeden
invloed oefenen op de daar heerschende orde, zedelijkheid en goed
bestuur, recht en orde hebben bevorderd. Met name dient ook vermelding,
dat de vrees van sommigen, alsof het kiesrecht eene oorzaak van twist
tusschen man en vrouw zou worden, niet is bevestigd; in de Staten
Wyoming, Colorado, Utah en Idaho, waar evenals in andere staten der Unie
de echtscheiding zeer gemakkelijk is, was toch geen enkele echtscheiding
het gevolg van meeningsverschillen op politiek gebied.[106]
[106] t. a. p. bl. 38, 39.
Den gunstigsten invloed op de wetgeving en de regeering des lands
zullen de vrouwen kunnen uitoefenen, als zij van het passieve en
actieve kiesrecht gebruik maken, om op publiek terrein die belangen
te verdedigen, wier behartiging haar in het bijzonder toebetrouwd
is. Gelijk boven aangeduid werd, is er, ook als mannen en vrouwen
zich beiden op politiek terrein bewegen, verschil in de onderwerpen,
waartoe zij zich aangetrokken gevoelen. De vrouwen strijden tegen spel,
prostitutie en drankmisbruik; zij verdedigen zedelijkheid en goed
bestuur, recht en orde; zij beschermen de armen en de zwakken; en
bovenal, zij zijn de aangewezen behoedsters van huwelijk en gezin.
Nu worden juist deze beide instellingen in den tegenwoordigen tijd
van alle kanten aangevallen en bestreden; vrije liefde, prostitutie,
neo-malthusianisme, lichtvaardige echtscheiding zijn voortdurend bezig,
om het huwelijk en het gezinsleven te ondermijnen en de Christelijke
maatschappij tot den barbaarschen toestand terug te leiden. Zelfs
ultra-feministen onder de vrouwen arbeiden hieraan mede en offeren
de edelste goederen van een volk aan de zucht naar economische
onafhankelijkheid op. Maar gelukkig is haar getal gering; als de vrouwen
in het algemeen het kiesrecht ontvangen, is haar invloed gebroken. In
het reeds een- en andermaal aangehaalde rapport van Mr. SCHMOLCK lezen
we op bl. 39: De invloed van onzedelijke vrouwen is te gering, om van
belang te kunnen worden geacht; volgens den afgevaardigde EDWARD T.
TAYLOR van Colorado mag men aannemen, dat er ongeveer ééne onzedelijke
vrouw voorkomt op tweehonderd. Ook de criminaliteit is onder de vrouwen
veel geringer dan onder de mannen; zij bedraagt ten hoogste één vierde
tot één vijfde van de misdadigheid der mannen[107].
[107] Studie-materiaal voor Vrouwenkiesrecht bl. 194.
De vrouw is inderdaad nog de groote moreele kracht in de hedendaagsche
maatschappij; het persoonlijk leven van de normale vrouw staat hoog
boven dat van den man; in het gewone vrouwenleven zijn er geen dingen,
die bedekt behoeven te worden, zooals in dat van een groot aantal der
mannen. Vele, de meeste van deze vrouwen, begeeren het kiesrecht niet,
zij houden zich verre van alle politiek. Als zij desniettemin straks het
kiesrecht ontvangen, zullen zij dit aanvaarden, niet als een recht, noch
als een voorrecht, maar als een plicht, dien zij in het belang van
Maatschappij en Staat te vervullen hebben.
En voor deze vrouwen bestaat er geen gevaar, dat haar karakter door de
politiek bedorven zal worden. Enkelen zullen er onder lijden, haar
naaste plichten verwaarloozen, en niet als Mevrouw BOISSEVAIN-PIJNAPPEL
den moed hebben, om ter wille van haar gezin voor de politieke carrière
te bedanken. Maar dit zullen uitzonderingen zijn, veel geringer in
aantal nog dan onder de mannen. En de groote meerderheid zal zich met
de politiek niet meer bemoeien, dan de meeste mannen doen, en voor de
vervulling van hare nieuwe taak strikt noodzakelijk is. Daarom behoeven
we ook niet te vreezen, dat de vrouwen, die in den regel bij elk volk de
meerderheid uitmaken, zich aaneen zullen sluiten, tegen de mannen den
strijd zullen aanbinden en hen uit alle ambten en bedieningen verdringen
zullen[108]. Omdat de vrouwen in haar reëele leven, aan gezin, aan
man en kinderen, aan godsdienst en moraal en aan allerlei sociale
verhoudingen gebonden zijn, zullen ze zonder twijfel individueel of
collectief bij de bestaande politieke partijen zich aansluiten, en dus
het aantal stemmen, dat op de candidaten uitgebracht wordt, slechts
verdubbelen. De ervaring leert, dat de rechtstreeksche invloed der vrouw
op de verkiezingen weinig verandering brengt in de constellatie der
partijen[109].
[108] Dr. A. KUYPER, De Eerepositie der vrouw bl. 66.
[109] Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, Vlugschrift No. 10, 1915. Mevr.
WIBAUT, Ten strijd voor het algemeen Vrouwenkiesrecht. Amsterdam
1914 bl. 17.
Met dit al wordt niet ontkend, dat de vrouwenbeweging, die voorloopig in
het kiesrecht een zeker eindpunt heeft bereikt, in de toekomst niet nog
allerlei verrassingen kan bereiden. Als de valsche beginselen van vrije
liefde, economische zelfstandigheid der vrouw en opvoeding der kinderen
door den Staat de overhand in het feminisme verkregen, zou het zelfs het
Christelijk huisgezin en de Christelijke maatschappij met den ondergang
bedreigen. Maar wij kunnen niet vooruitzien en zijn ook niet in staat,
om uit de tallooze, ingewikkelde gegevens, die het heden ons biedt,
met zekerheid aangaande de toekomst iets vast te stellen. Wel schijnt
echter de verwachting niet gewaagd, dat ook het algemeene mannen-
en vrouwenkiesrecht niet de laatste, definitieve regeling van het
kiesstelsel zal zijn. Immers verliest het parlementarisme allerwege
zijn crediet; het algemeene kiesrecht verhaast zijn val, omdat het bij
de Kamerleden zetelvrees en kiezersvrees een steeds grootere rol doet
spelen, de volksvertegenwoordiging van hare zelfstandigheid berooft, en
de Regeering over het parlement heen en buiten het parlement om doet
grijpen naar het steunpunt van den volkswil.[110] In de anarchie, die
wij langs dezen weg tegemoet gaan, zal alleen een despoot orde kunnen
scheppen, tenzij geleidelijke ontwikkeling der maatschappij ons brenge
tot een ander, organisch kiesrecht.
[110] FABIUS, Studiën en Schetsen passim, bijv. II 145. IV 96. VI 70.
VIII 180.
Ook daarvoor ontbreken echter de gegevens niet. De maatschappij, die
door de Fransche Revolutie ontbonden en uiteengeslagen werd, zoekt
overal weer naar organisatie; de enkeling streeft naar vereeniging;
het individualisme roept uit reactie het socialisme te hulp. Alle
bedrijven, beroepen en ambten zoeken zich door aaneensluiting eene
bepaalde plaats en een welomschreven recht in de maatschappij te
verwerven; op het gebied van landbouw, nijverheid, verkeer en handel
is er een streven naar associatie en samenwerking. Zoo schijnt er
grond te bestaan voor de meening, dat we in een toestand van overgang
naar een beteren vorm van vertegenwoordiging verkeeren, en dat het
individualistische kiesrecht te zijner tijd voor een meer organisch
kiesrecht plaats zal maken.[111] In den zin, waarin Dr. KUYPER
schreef, dat het geheele volk alleen dan in de volheid van zijn leven
vertegenwoordigd zal zijn, indien niet alleen de gezinnen door hunne
hoofden worden gerepresenteerd, maar bijaldien ook het maatschappelijk
leven in zijne verschillende openbaringen aan het woord kan komen.[112]
[111] Aldus de Heer Mr. V. H. RUTGERS in zijne belangrijke rede in
de Tweede Kamer 27 Oct. 1916, Handel. bl. 289 v., met beroep
ook op een artikel van den Heer Mr. TREUB in de Vragen des Tijds
1908, en eene rede van den Heer TYDEMAN in de Kamer 18 Nov. 1908.
In zijne rede bij het laatste begrootingsdebat 21 Nov. 1917
liet de Heer TROELSTRA zich aldus uit: De Fransche Revolutie
heeft ons de democratie gebracht in den vorm van de helft plus
één. De tegenstand, die hier altijd is geboden, vooral door
de Antirevolutionaire partij, tegen de desorganisatie der
maatschappij onder de werking der Fransche Revolutie, tegen het
atomistische van onze maatschappij, had een zeer gerechtvaardigden
kern (Handel. bl. 425).
[112] In zijne Nota, opgenomen in het Verslag der Grondwetscommissie,
ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1910 No. 16.
Enkele dagen geleden berichtte de pers, dat het amendement op de
Amerikaansche grondwet ter invoering van het vrouwenkiesrecht,
in het Huis van Afgevaardigden met slechts ééne stem boven de
vereischte meerderheid (tweederden der stemmen) n.l. met 274 tegen
136 stemmen werd aangenomen. President Wilson had er zich vóór
verklaard.
10. DE VROUW EN DE KERK.
Van de gaven en krachten der vrouw heeft de Christelijke kerk in den
aanvang bij de verbreiding van het Evangelie, bij de oefening van
toezicht en tucht over sommige leden der gemeente, en bij de verzorging
van armen en kranken een veelzijdig en dankbaar gebruik gemaakt. Toen
haeresie, hierarchie en ascese aan al deze, min of meer officiëele
hulpdiensten een einde maakten, hebben langzamerhand de kloosterzusters
dezen vrouwelijken arbeid in eenigszins anderen vorm overgenomen en
voortgezet. Met de monniken togen zij naar de heidensche landen heen, om
te arbeiden aan de verbreiding van het Evangelie; door het stichten van
kloosters hebben zij op even roemrijke wijze als de mannen Christelijke
godsdienst en beschaving verspreid; door allerlei philanthropischen
arbeid op het gebied van armenzorg, krankenverpleging, kinder- en
meisjesopvoeding enz. hebben ze een welverdiende en wijdverbreide
vermaardheid ontvangen. Door alle eeuwen heen kan de Roomsche kerk
bogen op eene groote schare van vrouwen, die met algeheele toewijding
en voorbeeldige zelfverloochening de liefde tot God en den naaste in
practijk hebben gebracht.
In den nieuweren tijd kwam er na de Fransche Revolutie onder de
Roomsche vrouwen en jonkvrouwen eene godsdienstige herleving, die
bestaande orden tot nieuwen bloei bracht en aan tal van nieuwe
kloosters en vereenigingen het aanzijn schonk. De vooral na 1848
toenemende Mariavereering, die in 1854 leidde tot de afkondiging van
het dogma der onbevlekte ontvangenis, heeft deze beweging in sterke mate
bevorderd; de arbeid der R. Kath. vrouwen op het terrein van missie
en philanthropie werd er op buitengewone wijze door uitgebreid. De
orden en vereenigingen, die zich met deze werkzaamheden bezighouden,
zijn zoovele, dat zij haast niet op te sommen zijn, en het terrein,
waarop ze zich bewegen, is zoo groot, dat sommigen zelfs de vrees
gingen koesteren, dat deze sociale arbeid het eigenlijk doel van
het kloosterleven in de schaduw zou stellen. Want deze orden en
vereenigingen stelden zich niet uitsluitend ascese en devotie,
verbreiding des geloofs in Christelijke en heidensche landen ten doel,
maar ze legden zich ook met ijver toe op verbetering der maatschappij
en voorziening in hare nooden; behalve verzorging der armen en
verpleging der kranken namen ze ook opvoeding van meisjes, bescherming
der vrouwelijke jeugd, redding van gevallenen, ondersteuning van
kraamvrouwen, bezoek van gevangenen, behartiging der belangen van
dienstboden en arbeidsters, stationszending en nog velerlei anderen
arbeid van caritatieven aard ter hand.[113]
[113] RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 497 v.
De Reformatie der 16e eeuw is voor het gezinsleven, inzonderheid ook
in de pastorie, ten rijken zegen geweest; schoon het huwelijk in de
eerste plaats erkennende als eene burgerlijke acte, heeft zij het toch
metterdaad in zijne eere hersteld; en aan de ethische waardeering der
vrouw en der moeder is zij in hooge mate bevorderlijk geweest. Maar door
het sloopen der kloosters en het verdrijven van monniken en nonnen,
heeft zij aan velerlei gelegenheid tot het beoefenen van werken der
barmhartigheid een einde gemaakt en deze niet door andere organen
vervangen. Het diaconaat vond slechts in weinige kerken der Reformatie
ingang, en de pogingen, om het ambt of den dienst der diacones te
herstellen, slaagden slechts in geringe mate[114]. HENDRIK VAN DER
MARCK, vorst van Sédan, ging in 1559 tot de Reformatie over, en
bestemde een deel der kloostergoederen in zijn vorstendom voor de
stichting van eene vereeniging van Jonkvrouwen, die barmhartigheid
zouden bewijzen aan armen, kranken en ouden van dagen; ze legden geene
geloften af, maar waren wel aan zekere huiselijke regelen gebonden.
Naast deze Filles de Sédan vindt men in de Fransche kerken ook nog
van Dames de la Rochelle, en in de Geref. Kerken aan den Rijn van
diaconessen gewag gemaakt. Ook hier te lande vatte men in den aanvang
het plan op, om den dienst der diaconessen weder in te voeren. Het
convent te Wezel 1568 oordeelde, dat op die plaatsen, waar dit
bekwamelijk kon geschieden, ook „vrouwen van vermaarde proeve ende
vroomheid ende bejaart,” naar het voorbeeld der apostelen, tot het
diakenambt konden aangenomen worden. Maar de Synode van Middelburg 1581
was reeds van eene andere meening en sprak uit, dat het „om verscheiden
inconvenienten wille, die daer uit souden mogen volgen” niet raadzaam
was, het ambt der diaconessen weder in te voeren; alleen voegde zij
daaraan toe, dat in tijden van pest of andere krankheden, waarbij dienst
door vrouwen te doen ware, die voor de diakenen niet betamelijk is,
dezen zulke diensten konden laten uitoefenen door hunne huisvrouwen of
andere daartoe bekwame vrouwen.
[114] Prof. P. BIESTERVELD, Dr. J. VAN LONKHUYZEN en Ds. R. J. W.
RUDOLPH, Het Diaconaat. Kampen, J. H. Kok, bl. 262 v. HARRENSTEIN,
Het arbeidsterrein der Kerk in de groote steden. Kampen J. H. Kok
1913 Bijlage J bl. XXVIII v.
Op deze wijze, als helpsters van de diakenen, waren in sommige gemeenten
ook wel diaconessen, hetzij met of zonder dien naam, werkzaam, zooals
bijv. te Middelburg, Utrecht, Amsterdam enz. In groote gemeenten,
waar vele arme en zieke vrouwen, kraamvrouwen of weduwen voorkwamen,
achtte men het niet ondienstig, dat vrouwen de diakenen in hun arbeid
bijstonden. In de vluchtelingenkerk te Embden waren naast een groot
aantal diakenen ook vier eerbare weduwen over het gasthuis aangesteld.
In de gemeente Amsterdam had men buitenmoeders voor de arme,
inzonderheid de kraamvrouwen, en binnenmoeders voor de wees- en
ziekenhuizen. En zoo wijdden zich ten allen tijde vele vrouwen, met
of zonder eenige aanstelling, aan den dienst der barmhartigheid, aan
de verzorging van armen, de verpleging van kranken, de opvoeding van
weezen enz. De liefdadigheid bleef ook bij de Hervorming in eere.
Niet alleen werd een zeer groot gedeelte der kerkelijke goederen voor
de verzorging der armen besteed, maar wie rijk geworden was, placht
niet zelden bij zijn leven of na zijn dood een deel van zijn vermogen
te bestemmen voor liefdadige doeleinden. Het Bestuur van zulke
instellingen, dikwijls onder toezicht der Overheid gesteld, berustte
meestal bij de aanzienlijken, die er, mannen zoowel als vrouwen, gaarne
hun tijd aan besteedden; regenten en regentessen hielden ervan, om
zich in die qualiteit op het doek te laten vereeuwigen. En de talrijke
instellingen en hofjes, in vroeger tijd in de steden en ook op de dorpen
verrezen, herinneren nog heden ten dage aan den weldadigheidszin van
onze vaderen.[115]
[115] P. L. MULLER, Onze gouden Eeuw. Leiden Sijthoff II 305. BUSKEN
HUET, Het Land van Rembrand. Haarlem 1901 II 3e stuk bl. 3.
Een nieuw arbeidsveld werd voor de vrouw geopend door het Methodisme
en de Innere Mission. Het Methodisme voerde, vooral sedert de beweging
in 1742 eene groote uitbreiding kreeg, de leekenprediking in (lay
preachers, weer verdeeld in local en in travelling preachers), en
maakte daarbij enkele malen ook van den dienst van vrouwen gebruik. Zoo
reisde bijv. GRACE MURRAY in 1749 met WESLEY naar Ierland als zijne
mede-arbeidster in den dienst van het Evangelie; en LADY HUTTINGDON
(1707–1791) was zoo met WHITEFIELD en zijn arbeid ingenomen, dat zij
tal van kapellen liet bouwen en daarin predikers aanstelde naar haar
hart.[116] Veel breeder plaats werd voor de vrouw nog ingeruimd door het
Leger des Heils, dat zijn oorsprong en bloei dankte aan WILLIAM BOOTH
en niet minder aan zijne gade CATHARINA BOOTH. Met de aanstelling van
vrouwelijke soldaten en officieren in 1878 begon de Heilsarmee, naar
haar eigen zeggen, haren grooten overwinningstocht door de wereld.
Aan de verdediging van deze vrouwenprediking wijdde de Catechismus van
het Heilsleger een bijzonder hoofdstuk, en Mevrouw BOOTH later een
bijzonder geschrift: Female ministry or Woman's right to preach the
Gospel. Hierin wordt betoogd, dat Richt. 4 : 10 en 2 Kon. 22 : 14–20
aan de vrouwen veroorloven, „generaals” te zijn, dat Matth. 28 : 7 v.
aan de vrouwen opdraagt, om boodschapsters van de opstanding te zijn,
en dat Phil. 4 : 3, Rom. 16 : 3, 12 bewijzen, dat de vrouwen in den
apostolischen tijd als prediksters optraden, terwijl Joël 2 : 28 en
Gal. 3 : 28 de gelijkheid van man en vrouw in deze werkzaamheid
aantoonen.[117]
[116] Art. Methodismus in PRE{3}. XII 783, 765 v.
[117] Art. Heilsarmee in PRE{3}. VII 592.
Ook andere kerken hebben de vrouw tot het predikambt toegelaten.
De Kwakers hebben wel geen eigenlijke bediening des woords en der
sacramenten, maar kenden in het bestuur der gemeente aan de vrouw
dezelfde rechten toe als aan den man, en lieten op grond van Joël 2 : 28
ieder, die door den geest gedreven werd, hetzij man of vrouw, toe om
in de vergadering het woord te voeren. De Congregationalistische kerk
in de V. St. van Amerika bezat reeds in de vijftiger jaren der vorige
eeuw eene predikante in ANTOINETTE L. BROWN, die langen tijd op de
vrouwenvergaderingen de eenige theoloog bleef. Na 1860 kwam de vraag
naar het recht der vrouw, om als predikster op te treden, meermalen op
de synoden van Amerikaansche kerken ter sprake; hoewel vele kerken er
zich tegen verklaarden, namen de Universalisten en de Unitariërs eene
beslissing ten gunste der vrouw; eerstgenoemden lieten in 1863 OLYMPIA
BROWN tot het predikambt toe en telden in 1904 reeds 71 vrouwelijke
Reverends. De Methodisten verwierpen in 1880 nog de toelating der vrouw
tot dit ambt, maar kwamen in 1891 op dit besluit terug.[118]
[118] Handbuch der Frauenbewegung I 440 v. 469. RÖSLER, Die Frauenfrage
bl. 492.
In Engeland gaf de Unitarische gemeente te Leicester in 1904 aan eene
vrouw, Miss PETZOLD, bij de proefpreek de voorkeur boven hare mannelijke
collega's. In de Congregationalistische gemeente King's Weigh House te
Londen werden korten tijd geleden een man en eene vrouw (Miss CONSTANCE
TODD, de eerste vrouwelijke studente aan het seminarie te Mansfield)
tegelijk als predikant bevestigd; een paar dagen na deze plechtigheid
traden zij in het huwelijk en aanvaardden tezamen den arbeid van de
prediking en de stadszending. Ook in den City Temple te Londen trad
onlangs eene vrouw als predikante op, Miss MAUD ROYDEN, wier preeken
veel volk trokken en hoog worden geroemd. De quaestie, om vrouwen toe te
laten in het ambt, is zelfs in de Engelsche kerk aan de orde gesteld,
maar vindt daar vooralsnog sterken tegenstand.[119]
[119] Eenige jaren geleden gaf de voorvechtster der vrouwenrechten in
Amerika, ELISABETH CADY STANTON, eene Women's Bible in het licht,
waarin zij deze vrouwenrechten met de Schrift in overeenstemming
trachtte te brengen. Maar volgens het Handbuch der Frauenbewegung
I 469 hat die Unwissenschaftlichheit dieses Versuches der Sache
mehr geschadet als genützt.
Hier te lande neemt het aantal vrouwelijke studenten in de theologie
toe; enkelen behaalden ook reeds den doctoralen graad. Mej. Dr.
ZERNIKE was een korten tijd predikante in de Doopsgezinde gemeente te
Bovenknijpe, maar nam 1 Oct. 1915 wegens huwelijk ontslag. Sedert 18
Nov. 1917 is er weer ééne vrouwelijke predikante in Nederland, n.l. Mej.
H. GERRITSMA bij de Doopsgezinde gemeente te Baard. De Doopsgezinde
Societeit stelde n.l. hare kweekschool open voor meisjes, en elke
Doopsgezinde gemeente is vrij, om te beroepen wie zij wil. Ook de
Remonstrantsche broederschap besloot in 1915, om de vrouw tot het
predikambt toe te laten. Maar de Synode der Ned. Herv. Kerk nam op het
verzoek van Mej. Dr. C. GERLINGS, om het predikambt ook voor de vrouw
open te stellen, eene afwijzende beschikking, en gaf op de vraag, om
dan een voor de vrouw en hare capaciteiten passenden werkkring uit te
vinden, geen ander antwoord dan dat ze vrijheid had, om na een examen
den graad van godsdienstonderwijzeres te verkrijgen.[120]
[120] In Zwitserland heeft men bij gebrek aan mannelijke hulp in sommige
gemeenten eene Pfarrhelferin aangesteld. Er pleit daarvoor,
dat predikanten in groote gemeenten met arbeid overladen zijn
en zulk eene vrouwelijke hulp voor het bijhouden der registers,
het leiden van eene Zondagschool, van eene Meisjes- en van eene
Zendingsvereeniging, voor het bezoeken van armen en kranken enz.
best gebruiken kunnen. Maar als de predikant ongehuwd is, geeft
zulk eene samenwerking licht aanleiding tot kwade geruchten, en
als hij gehuwd is, levert de verhouding tot de echtgenoote van den
predikant zeker moeilijkheden op. Aldus een art. in de _N. Rott.
C._ in de maand October 1916.
Tot dusver is het resultaat van het streven der vrouw op dit gebied
dus niet schitterend geweest. En het laat zich niet verwachten, dat de
toekomst hierin groote veranderingen brengen zal. Op zichzelve moge er
niets tegen zijn, dat eene vrouw bij uitzondering theologie studeert;
er is langs dien weg niet een werkkring te vinden, die het leven vult.
Men moet erop rekenen, dat er straks na volbrachte studie geen beroep
volgt, want de geest der gemeenten is nog altijd zeer ingenomen tegen
een vrouwelijke predikante. Eerst is het optreden van eene predikante
iets vreemds, dat de nieuwsgierigheid wekt, maar daaraan komt spoedig
een einde en dan keert het normale leven terug, dat nu eenmaal van de
vrouw op den kansel niet gediend is. Er werkt daarin n.l. nog altijd
de oude gedachte na, dat de kerk eene bijzondere instelling is met
een eigen ambt en bediening, onderscheiden in oorsprong en wezen van
een godsdienstig genootschap of van eene vereeniging tot onderlinge
stichting.
Wanneer deze gedachte over de kerk radicaal wordt prijsgegeven en het
godsdienstig leven alleen uiting zoekt in eene door eigen wil opgerichte
vereeniging, vervalt ook het principiëele bezwaar tegen het optreden
der vrouw als predikant. Alleen maar, in dit geval is er ook eigenlijk
geen predikant meer, doch slechts een persoon, die eene toespraak of
voordracht houdt, en vervalt ook alle gedachte van eene eigenlijke
prediking, van eene verkondiging van het Evangelie van Christus in zijn
naam en op zijn gezag. Christus heeft immers wel terdege eene kerk
gesticht, die gebonden was aan zijn woord; en de bediening van dat woord
heeft Hij aan mannen toevertrouwd, aan de apostelen allereerst, en
daarna aan herders en leeraars. Van eene ambtelijke bediening van woord
en sacrament, en van eene regeering der kerk door de vrouw, is in de
apostolische kerk nooit sprake geweest. En toen ze daarnaar streefde,
misbruik makende van de haar in Christus geschonken vrijheid, heeft de
apostel Paulus haar in de openbare samenkomst der gemeente het zwijgen
opgelegd, wijl de natuurlijke, in de schepping gegronde ordening
daardoor geschonden werd.