Men kan den toestand betreuren, die menige vrouw, gehuwd of ongehuwd,

door nood of door eergevoel drijft, om een bedrijf of beroep uit te

oefenen, maar feitelijk durft niemand dat afkeuren of tegenhouden.

Integendeel, men laat de vrouwen toe in fabrieken en werkplaatsen,

opent voor haar de kantoren en magazijnen, ontsluit haar den toegang

tot alle scholen en stichtingen, houdt geen enkel bedrijf of beroep

meer voor haar gesloten, maar trekt zelfs voordeel van haar diensten en

exploiteert hare krachten. Doch als diezelfde vrouwen nu op grond van

de maatschappelijke positie, die zij allengs hebben ingenomen, toegang

tot de stembus vragen, dan verheffen de mannen ineens hunne stem en

verklaren, dat de politiek hun speciale terrein is en voor de vrouw niet

deugt, hetzij dan, omdat de politiek te laag of omdat zij te hoog voor

haar is. Deze belangstelling in het lot der vrouw komt dan echter toch

wel wat laat. Want het is zeker nog veel minder met de natuur der vrouw

in overeenstemming, dat zij dag aan dag in verschillende bedrijven haar

gezondheid en kracht ondermijnt, en in haar roeping als vrouw en als

moeder te kort schiet. Als men de gansche maatschappij voor de vrouw

openstelt, is het op den duur onmogelijk, het beperkte terrein der

politiek voor haar gesloten te houden. Het kiesrecht der vrouw is

eenvoudig een consequentie van de veroveringen, welke zij sedert

ongeveer het midden der vorige eeuw op heel het terrein van het openbare

leven heeft behaald.

Bovendien vergist men zich, als men meent, dat dit vrouwenkiesrecht iets

volstrekt nieuws is, dat vroeger nooit heeft bestaan. Afgezien daarvan,

dat in tijden, waarin van vrouwenrechten nog geen sprake viel, toch

telkens om dynastieke belangen vorstinnen aan het hoofd van den Staat

hebben gestaan, en niet zelden met eere, en dat de constituties van

de meeste Staten, bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen, de

kroon op de dochter laten overgaan[89]; in beperkten zin heeft er in

verschillende landen steeds vrouwenkiesrecht bestaan. Natuurlijk hadden

de vrouwen dit kiesrecht dan niet, omdat ze vrouwen waren; maar ook de

mannen waren niet kiesbevoegd, omdat ze mannen waren; het kiesrecht

voor gemeenteraden, polderbesturen, districts- of graafschapsraden,

volksvergaderingen, staten of stenden enz. was toen altijd aan het bezit

van bepaalde ambten, titels of qualiteiten verbonden; het rustte op een

socialen of economischen grondslag. Maar opmerkelijk is, dat, wanneer

vrouwen in deze voorrechten deelden, zij toch niet, enkel en alleen

omdat zij vrouwen waren, van de kiesbevoegdheid werden uitgesloten.[90]

[89] H. BRUGMANS, Plaats en taak der vrouw in de politiek, in: De Vrouw,

de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 608–617.

[90] Dergelijk vrouwenstemrecht bestond vroeger in Engeland, Zweden,

en andere landen, verg. Handbuch der Frauenbewegung I 226 v.

313. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben bl.

71. Volgens HELEN BLACKBURN in haar Record of Woman's Suffrage

behoorde de Engelsche vrouw reeds in de Middeleeuwen tot de

bevoorrechte vrouwen. De zorg voor de geërfde bezittingen,

titels en waardigheden deed na den dood van den leenheer zijne

verplichtingen bij gebrek aan mannelijke erfgenamen overgaan op

de vrouw, die hem het naaste stond. De zelfstandige PEERES moest

in tijd van oorlog den vorst steunen met geld en manschappen;

zij liet zich vertegenwoordigen in den raad, kon vrijbrieven

verleenen, en had in haar domeinen het recht van justitie. Nog

meer invloed en aanzien bezaten de abdissen, die soms zelfs

een macht vormden in den Staat. Geboorte en afkomst, niet het

geslacht, bepaalden de opvolging, ook in de ambten, waaraan de

grootste verantwoordelijkheid verbonden was.

Thans is heel deze grondslag van het kiesrecht, ook voor de mannen,

totaal veranderd; kenteekenen van welstand en geschiktheid gelden

niet meer; een burger van den Staat ontvangt het kiesrecht, niet om

zijne sociale of economische positie, doch alleen op grond van zijn

burgerschap. Dit brengt zeker zijne nadeelen mede, maar het is toch ook

een bewijs, dat de persoonlijkheid voor ons thans meer waarde heeft dan

het bezit van stand of titel, van geld en goed. En er bestaat derhalve

voor ons te minder reden, om aan de vrouw het kiesrecht te weigeren,

als het op dezen grond aan den man wordt verleend; want persoonlijkheid

is de vrouw evengoed als de man.

Er komt bij, dat de vrouwen in het passieve en actieve kiesrecht al veel

meer hebben bereikt, dan velen zich voorstellen. Ik denk nu niet aan de

Staten, waar ze reeds voor langer of korter tijd het politieke stemrecht

verkregen[91], noch ook aan het passieve kiesrecht, dat de onlangs tot

stand gekomen Grondwetsherziening hier te lande haar schonk; maar tal

van betrekkingen, vroeger door de mannen waargenomen, staan thans reeds

voor de vrouwen open. Om maar iets te noemen, vrouwen zijn benoembaar

tot lid van de Commissie van Toezicht bij het lager, middelbaar en

gymnasiaal onderwijs en van het Curatorium eener hoogeschool; zij kunnen

deel uitmaken van besturen voor armenzorg en ziekenzorg, van gast- en

weeshuizen, van gezondheidscommissies, van colleges van toezicht op

den bouw van arbeiderswoningen, van voogdijraden, van commissies van

toezicht volgens de Kinderwetten enz. De Kamers van koophandel en

fabrieken beperken kiesbevoegdheid en verkiesbaarheid tot de mannelijke

leden, maar de Kamers van arbeid breiden beide ook tot de vrouwen uit;

en de wet op de waterschappen, het reglement op de visscherijraden voor

de kustvisscherij, de Ongevallenwet, zwijgen ervan en sluiten daarom de

vrouw niet uit.

[91] Verg. boven bladz. 62, 63.

Wel is waar maken de vrouwen nog weinig gebruik van deze haar reeds

geschonken rechten en hebben zij in al deze colleges nog slechts in

geringen getale of in het geheel geen zitting. Maar de wetgeving neemt

toch ten opzichte der vrouwen een steeds ruimer standpunt in; zij

beweegt zich onloochenbaar in eene steeds vrijere richting. En als

de vrouwen straks tengevolge van het passieve kiesrecht hare intrede

in de Gemeenteraden zullen doen, laat zich verwachten, dat haar aandeel

bij de regeling van de openbare vermakelijkheden, van de bioscopen

voor kinderen, van het onderwijs en de opvoeding, van de leeszalen

en speeltuinen, van de distributie en de centrale keukens, van

schoolvoeding en openbare wasscherij, enz. in belangrijke mate zal

toenemen.[92]

[92] Verg. een artikel: Vrouwen in den gemeenteraad, in: _De Ploeger_

van Nov. 1917.

Zooals boven reeds werd opgemerkt, hebben dan ook alle partijen, ook die

van Rechts, allengs tegenover het vrouwenkiesrecht eene andere houding

aangenomen.[93] Verschillende feiten kunnen daarvoor ten bewijze worden

bijgebracht. Om ons te bepalen tot de Antirevolutionaire partij; toen

deze zich vóór het huismanskiesrecht verklaarde, breidde zij dit al

spoedig uit tot die mannen, die met de gezinshoofden gelijk gesteld

zouden worden, en ook tot de vrouwen, die als weduwen aan het hoofd

van een gezin stonden. Maar het spreekt vanzelf, dat men hierbij niet

kan blijven staan. Als het huismanskiesrecht uitgebreid wordt tot de

mannen, die „als zelfstandige personen krachtens aanstelling of beroep

in het maatschappelijk leven optreden”,[94] dan eischt de consequentie,

dat ook, behalve de weduwen, zelfstandige vrouwelijke personen tot de

stembus worden toegelaten.[95] In dien zin gingen dan ook stemmen in de

Tweede Kamer op, toen de Grondwetsherziening in behandeling kwam; er

rees zelfs verschil over, of gehuwde dan wel ongehuwde, zelfstandige

vrouwen het eerst voor het kiesrecht in aanmerking moesten komen.

[93] Verg. boven bl. 53 v.

[94] Dr. A. KUYPER in zijne Nota, opgenomen in het Verslag der

Grondwetscommissie ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1910, no. 16.

[95] Verg. ook K. VINK, Het kiesrecht voor de ongehuwde vrouw en de

weduwe, Amsterdam, Bottenburg, 1917.

Maar voorts sluit de, zij het ook alleen practische, aanvaarding van

het individualistische kiesrecht noodzakelijk het vrouwenkiesrecht in.

Het is—zegt Dr. KUYPER—de individualistische opvatting van den Staat,

die krachtens haar beginsel om het algemeen stemrecht roept, en waar

krachtens _dit_ beginsel het algemeen stemrecht wordt toegejuicht, valt

de vrouw er vanzelf onder.[96] Toen de Antirevolutionaire Kamerleden

zich om practische redenen, ondanks de uitspraak aangaande het organisch

kiesrecht in het Program, vóór het algemeen stemrecht verklaarden, namen

zij in beginsel ook het vrouwenkiesrecht aan. Individu, burger van den

Staat, zonder meer, is de vrouw evengoed als de man. Als op eenige

uitzonderingen na alle mannen, afgezien van alle qualiteit, tot de

stembus worden toegelaten, kan men zonder grove onbillijkheid aan de

vrouwen het kiesrecht niet weigeren. Het is derhalve uitnemend te

verstaan, dat vrouwen er eene beleediging in zien, dat baliekluivers,

dronkaards, souteneurs, bordeelbezoekers enz. het stemrecht ontvangen en

zij zelven als minderwaardig van de stembus worden geweerd. Met welk

recht wordt politieke invloed toegekend aan de stem van een concierge,

een pedel, een koetsier, en aan de onderwijzeres, aan de leerares van

een Gymnasium of Hoogere burgerschool, aan de directrice van eene of

andere stichting, aan de hoogleerares eener universiteit, aan een

vrouwelijke arts of advocaat, aan eene werkgeefster en bedrijfleidster,

het oefenen van zulk een invloed ontzegd?

[96] De Eerepositie der Vrouw, Kampen, J. H. Kok, 1914, bl. 11.

Op Antirevolutionair standpunt is zulk eene handelwijze nog te minder te

verdedigen, wijl „het uitbrengen van zijn stem (door den kiezer) geen

machtsoefening is, die immers alleen aan de Overheid toekomt, maar,

naast de kwijting van plichten, doelt op een waken voor rechten en een

opkomen voor belangen, waarvan de handhaving hem, met anderen saâm, is

toevertrouwd”[97]. Principiëel genomen, is er tegen de toekenning van

het passieve stemrecht aan de vrouw altijd nog meer bezwaar in te

brengen, dan tegen die van het actief stemrecht. Toch lokte het laatste

in den regel veel meer bedenkingen dan het eerste uit. De onbillijkheid,

om in de tegenwoordige omstandigheden aan de vrouw allen invloed op de

regeering des lands te onthouden, wordt aan Antirevolutionaire zijde dan

ook terdege gevoeld. Op merkwaardige wijze komt dit in deze woorden van

Dr. KUYPER uit: Land en volk hebben bij den rechtmatigen invloed van de

vrouw het hoogste belang, maar zoo is het ook met handel, nijverheid,

arbeid en zooveel meer. Gelijk er nu Kamers van Koophandel zijn, zoo

laat het zich zeer wel denken, dat er ook Kamers voor Vrouwenrechten

in het leven werden geroepen. Zoo privaatrechtelijk als oeconomisch

zou dit zelfs uitnemend kunnen werken. Allicht zou aan zulke Kamers of

Raden uitgestrekter bevoegdheid dan aan de Kamers van Arbeid zijn te

geven[98]. En wel wordt daaraan onmiddellijk toegevoegd: maar nooit kan

staande gehouden, dat het Hoog Gezag in het publieke leven, gedeeltelijk

van den man af te wenden en op de vrouw over te dragen zou zijn; doch

van zulk eene overdracht van het hoog gezag op de vrouw is bij het

actief stemrecht, dat immers geen machtsoefening is, hoegenaamd geen

sprake.

[97] Dr. KUYPER aan het slot van de boven aangehaalde Nota.

[98] De Eerepositie der Vrouw bl. 68. Vergelijk de idee van een soort

Vrouwen-Raad van State, door den Heer VAN IDSINGA in de Tweede

Kamer te berde gebracht.

De onbillijkheid, om in de tegenwoordige toestanden aan de vrouw het

kiesrecht te onthouden, springt te meer in het oog, als men bedenkt,

dat allerlei oorzaken de vrouwen meer en meer dwingen, om voor korter

of langer tijd het huisgezin te verlaten en in de maatschappij zich

eene plaats te verwerven. Gelijk vroeger aangetoond werd, is er in de

bedrijven en beroepen eene merkwaardige differentiatie op te merken; de

natuur van man en van vrouw verloochenen zich ook bij den arbeid niet.

Verreweg het meest zijn de vrouwen werkzaam in zulke bedrijven, die zich

het naast aansluiten bij haar arbeid in het gezin (huiselijke diensten,

onderwijs, ziekenverpleging, confectie, philanthropische arbeid enz.);

in de nijverheidsbedrijven zijn ze het meest met den minder loonenden,

maar ook lichteren arbeid belast; en tal van bedrijven zijn er

eindelijk, waarin naar vrij eenparige meening voor de vrouw geen plaats

is, omdat ze te zwaar zijn voor haar kracht, schadelijk voor hare

gezondheid, of strijdig met haar natuur. De oorlog heeft hierin wel

verandering gebracht, maar het is te hopen, dat de vrede eerlang de

normale verhoudingen op het gebied van den arbeid weer herstellen zal.

Nu verdient het hierbij vooral onze aandacht, dat tal van vrouwelijke

werkzaamheden, vroeger in het huisgezin verricht, naar de maatschappij

zijn overgebracht, en tot zelfstandige bedrijven zijn geworden. Men

denke aan het bakken, bierbrouwen, spinnen, weven, de zuivelbereiding,

het vervaardigen van kleeding en schoeisel, het inmaken en conserveeren

van groenten en vruchten, aan armenzorg en ziekenverpleging enz.

Ten deele zijn deze werkzaamheden zelfs aan de vrouwen ontnomen en

aan de mannen opgedragen, zooals bijv. het schoenmakersbedrijf, de

glazenwasscherij, de spijsbereiding in de cooperatieve keukens enz.,

zoodat de vrouwen genoodzaakt werden, naar anderen arbeid uit te zien.

Maar ook als ze grootendeels in handen der vrouwen bleven, namen ze toch

een ander, sociaal karakter aan en brachten van nabij met den Staat en

zijne wetgeving in aanraking.

Van de andere zijde breidde in gelijke mate de Staat zijne werkzaamheid

naar de maatschappij uit en greep hoe langer hoe meer in het sociale

leven in; tal van wetten, armenwet, arbeidswet, veiligheidswet,

verzekeringswetten, kinderwetten, woningwet, gezondheidswet enz. zijn

daarvoor ten bewijze; heel de sociale wetgeving vormt een terrein,

waarop Staat en Maatschappij met elkaar in aanraking komen en op

elkander invloed oefenen. Wat is er tegenwoordig, waarmede de Staat zich

niet bemoeit? De Staat dringt in het huisgezin binnen en regelt van

alles, wat vroeger niet daarbuiten kwam en bijna uitsluitend de taak der

vrouwen was. De Overheid zorgt voor en regelt het onderwijs; zij zorgt

voor de publieke gezondheid en bemoeit zich met bouw en inrichting der

huizen; ze regelt de verzorging van zieken en ouden van dagen; zij richt

tehuizen en scholen op voor de misdadige jeugd; zij stelt wetten ten

opzichte van de openbare zedelijkheid; zij legt voor een groot deel

beslag op onze inkomsten ten behoeve van het algemeen; zij houdt

toezicht op de qualiteit van onze levensmiddelen; zij regelt den

arbeidsduur en bemoeit zich met de loonen; zij maakt bepalingen omtrent

de verhouding tusschen meesteres en dienstbode enz.[99]

[99] Mevr. VAN BALEN-KLAAR, in: Losse artikelen over vrouwenkiesrecht

bl. 36.

Gevolg van dit alles is, dat de vrouwen, die in al deze beroepen en

bedrijven arbeiden, zelve rechtstreeks belang krijgen bij de wetgeving

van den Staat en belangstelling gaan koesteren in die zaken, waaromtrent

zij vroeger onverschillig waren, maar die haar thans raken van nabij.

En daarbij moet erkend, dat de vrouwen van vele dezer zaken beter

op de hoogte zijn dan de mannen en eene voorlichting en steun kunnen

verleenen, welke in waarde die der mannen overtreft. Vele vrouwen wijden

zich bijv. aan philanthropischen of socialen arbeid; zij zijn werkzaam

bij armenverzorging, ziekenverpleging, drankbestrijding, zorg voor het

verwaarloosde kind, woningtoezicht, volksgezondheid, bescherming van

meisjes, verbetering der openbare zedelijkheid enz., en doen daar een

schat van ervaring en practische kennis op, waarmede de overheid veel

meer dan tot dusverre haar winst zou kunnen doen[100].

[100] Dr. ALETTA H. JACOBS en F. S. VAN BALEN-KLAAR, Vrouwenkiesrecht.

Maatsch. v. g. en goedk. lectuur, bl. 53.

Men kan hiertegen inbrengen, dat de Overheid van deze vrouwelijke

ervaring partij kan trekken, zonder het vrouwenkiesrecht in te voeren;

de vrouw heeft immers haar natuurlijken vertegenwoordiger en beschermer

in den man en kan het opkomen voor haar belangen gerust aan hem

overlaten. Zijn er in de laatste jaren, waarin de vrouwen nog van het

kiesrecht verstoken waren, niet vele veranderingen in de wetgeving te

haren gunste aangebracht?[101] Maar dit laatste beroep maakt weinig

indruk, omdat al deze veranderingen eerst in de laatste halve eeuw tot

stand gekomen zijn, onder pressie van buitenaf, niet het minst van de

vrouwenbeweging, die voor de gebreken der wetgeving de oogen opende.

Het zou te bezien zijn, of al deze wijzigingen ook zouden zijn

aangebracht, als de vrouw daarop niet met kracht had aangedrongen. Want

menschen zijn gewoonlijk niet zoo onbaatzuchtig, dat ze zonder dwang van

oude rechten en voorrechten ten bate van anderen afstand doen. Waar zijn

de patroons, de schoolbesturen, de kerkeraden, die eigener beweging het

loon der werklieden, het salaris der onderwijzers en het tractement der

predikanten verhoogen? En waar zijn de mannen, die hunne vrouwen

volkomen inlichten over hunne inkomsten en uitgaven?

[101] Zoo oordeelt ook Mevrouw J. M. STERCK-PROOT in hare brochure:

Wat er pleit tegen de beweging voor vrouwenkiesrecht. Drukkerij

De Spaarnstad, Rotterdam. Zij acht het kiesrecht voor de vrouw

onnoodig, omdat er al zooveel voor haar door de mannen gedaan

wordt.

Bovendien, in vorige tijden was de man de natuurlijke en wettige

beschermer van zijn gezin, van zijne vrouw en kinderen; van de groote

macht, waarover hij als „heer” beschikte, kon hij misbruik maken,

maar hij had daardoor toch ook de door gewoonte en recht versterkte

verplichting, om ze ten nutte van zijne vrouw en kinderen aan te wenden.

De Germanen werden om hun kuischheid, gezinsleven en eerbied voor de

vrouw geprezen, en de ridders in de Middeleeuwen verbonden zich tot

bescherming van armen en zwakken. Maar het individualisme der achttiende

eeuw heeft den huiselijken band en den familiezin verzwakt, en de

sociale ontwikkeling in de vorige eeuw heeft dit ontbindingsproces

voortgezet; ieder verlangt thans zooveel mogelijk voor zijne eigene

rechten op te komen, en acht tot verdediging zijner belangen zichzelf

het best in staat.

In dit alles zijn de mannen voorgegaan, en straks door de vrouwen

gevolgd. Ook bij haar heeft allengs de overtuiging post gevat, dat

zij voor hare eigene belangen zelve het best konden optreden. Op het

voorbeeld der mannen zijn zij er niet meer mede tevreden, dat door

regeering en parlement zonder haar, over haar wordt beslist. Langen

tijd heeft men dit streven weerstaan met de redeneering, dat de vrouwen

niet tot ernstig nadenken in staat waren, dat zij voor de politiek

en de politiek voor haar, niet deugde, en dat hare plaats was aan den

huiselijken aard. Zoo betoogde reeds de citoyen AMAR, toen de Nationale

Conventie in 1793 in overweging nam, om alle vrouwenvergaderingen te

verbieden. Maar het argument, aan de intellectueele minderwaardigheid

der vrouw ontleend, heeft veel van zijne kracht verloren tegenover het

feit, dat het individualistische kiesrecht verleend wordt aan alle

mannen zonder onderscheid, en van alle kenteekenen van welstand en

geschiktheid afziet. Kort geleden schreef _De Standaard_[102] nog:

beweerd is onzerzijds nimmer, dat de vrouw, minder dan de man, in

staat zou zijn, om ook in het politiek geding in te leven. Als men tot

algemeen stemrecht komt, dan staat buiten tegenspraak vast, dat er tal

en tal van vrouwen zijn, die veel klaarder en juister dan tal van jonge

mannen over den gang van het politieke leven kunnen oordeelen. Ook hier

geldt, dat de vrouw wel anders, maar niet minder dan de man is. Zij

staat doorgaans bij den man ten achter in abstract denken en logische

redeneering, maar zij overtreft hem in den regel in snelheid van inzicht

en bevatting.

[102] In haar nummer van 31 Oct. 1917.

Bovendien leert de ervaring in die Staten, waar vrouwen het stemrecht

hebben, dat de belangstelling der vrouwen zich op andere onderwerpen dan

die der mannen richt; ook hier heeft er differentiatie plaats. In een

belangrijk, zakelijk verslag over het vrouwenkiesrecht in de Vereenigde

Staten[103] zegt Mr. Dr. F. M. SCHMOLCK, destijds gezantschapssecretaris

te Washington: de mannen stellen meer belang in zaken en financieele

kwesties, terwijl de vrouwen zich meer interesseeren in aangelegenheden

van moreelen aard: opvoeding, zedelijkheid, schoonheid, weldadigheid,

kinderzorg en alles wat de welvaart van het gezin betreft. In het

algemeen doet de invloed der vrouwen zich gelden op het gebied van

bestrijding van spel, prostitutie en drankmisbruik, ten gunste van

zedelijkheid, goed bestuur, recht en orde. De belangen der kinderen

(kwesties van ouderlijke macht, arbeid, enz.) worden met warmte door

de vrouwen verdedigd. Naarmate de Staat zich met zijne wetgeving gaat

bewegen op het terrein der maatschappij, opent hij een arbeidsveld, waar

de vrouwen minstens evengoed op thuis zijn als de mannen en in doorzicht

en beleid volstrekt niet voor hen behoeven onder te doen.

[103] Opgenomen in het Overzicht der voornaamste van 15 Juli 1913 tot 15

Juli 1914 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde

en voor openbaarmaking geschikte aangelegenheden, bl. 37–40.

Ook andere bezwaren, tegen het vrouwenkiesrecht ingebracht, zijn

niet zonder gewicht, maar toch ten slotte niet overwegend. Prof.

AENGENENT acht dit kiesrecht niet in strijd met het geloof noch met het

natuurrecht, maar vreest toch, dat de individualistische idee van den

Staat erdoor versterkt, de eenheidsidee in het huwelijk erdoor verzwakt,

en het karakter der vrouw door deelname aan de politiek bedorven zal

worden. Het oordeel over de werking van het vrouwenkiesrecht is ook niet

onverdeeld gunstig. In het jaar 1905 liet de vroegere, democratische

president der Amerikaansche Unie, de Heer CLEVELAND, zich in een

interview aldus uit, dat de proefneming met het vrouwenkiesrecht in

de Staten Colorado, Idaho, Utah en Wyoming eene treurige uitkomst had

opgeleverd.[104] Hij herinnerde eraan, hoe de vrouwen in Utah een

mormoon, die de veelwijverij in practijk bracht, hadden gekozen; hoe de

vrouwen in Colorado de schandelijkste kiesknoeierijen bedreven, en hoe

zij in geen enkelen Staat den toon en het peil der politiek hadden weten

te verheffen. De ex-president verklaarde dit voornamelijk daaruit, dat

de best opgevoede vrouwen zich onthouden en de uitoefening van het

stemrecht overlaten aan de minst aanbevelenswaardige elementen in haar

geslacht.

[104] In het Algemeen Handelsblad van 19 Oct. 1905. Soortgelijk oordeel

werd ook uitgesproken in een artikel in The nineteenth Century

Nov. 1904, aangehaald door Mr. H. VERKOUTEREN in De groene

Amsterdammer 14 Nov. 1904, en door den Heer TH. J. VAN HOOFT in

het Alg. Handelsblad 22 Sept. 1916.

Het is goed, op deze en dergelijke getuigenissen nauwkeurig acht te

geven, omdat zij bewaren voor eenzijdigheid en ons op onze hoede doen

zijn tegen de overdreven verwachtingen, die op het vrouwenkiesrecht

gebouwd worden. Als men sommige feministen gelooven wil, zou dit

kiesrecht niet alleen voor de vrouw een middel tot verlossing zijn en

aan de nieuwe vrouw het aanzijn schenken; maar ook voor de gansche

maatschappij een tijdperk van gerechtigheid, vrede en geluk doen

aanbreken. Maar al deze verwachtingen zijn even ijdel als die van het

socialisme aangaande den heilstaat der toekomst; zij gaan buiten de

werkelijkheid om, rekenen niet met het menschelijk hart, dat altijd

hetzelfde blijft, en loopen op niets dan teleurstelling uit. De vrouw

is volstrekt niet vredelievender, zachtzinniger en rechtvaardiger

dan de man; niet alleen de Gratiën, ook de Furiën werden als vrouwen

voorgesteld. Maar de billijkheid eischt te erkennen, dat er ook talrijke

gunstige getuigenissen over de werking van het vrouwenkiesrecht zijn

afgelegd. In October 1913 richtte het Hoofdbestuur van de Vereeniging

voor Vrouwenkiesrecht een verzoek tot de Gouverneurs en Eerste Ministers

van alle landen, waar vrouwenkiesrecht bestaat, om onze Regeering te

willen voorlichten omtrent de werking van het vrouwenkiesrecht bij hen

te lande, en van deze voorlichting zelf een afschrift te mogen

ontvangen.

De getuigenissen, die inkwamen en waarvan het Hoofdbestuur een kort

uittreksel publiceerde, waren onverdeeld gunstig; van de voorspelde

slechte gevolgen was er geen enkel uitgekomen, het vrouwenkiesrecht

werkte tot aller voldoening, werd door niemand betreurd, en oefende op

verkiezing, volksvertegenwoordiging en wetgeving een goeden invloed

uit. Een sterk voorbeeld is Noorwegen, dat in 1907 aan alle gehuwde en

ongehuwde vrouwen het kiesrecht gaf, mits zij in de belasting naar het

inkomen voor een zeker bedrag waren aangeslagen, maar in 1913 deze

voorwaarde vallen liet, en dus aan het vrouwenkiesrecht eene belangrijke

uitbreiding schonk.[105]

De vrouw in de hedendaagsche maatschappij · 第 10 / 16 段