in tal van streken en in verreweg de meeste arbeiders-, burger- en
boerengezinnen nog met geringe wijziging op den ouden voet voortgezet;
dikwerf is daar nog het bakken en het slachten in gebruik, maar in
elk geval heeft er nog altijd het naaien en verstellen, het wasschen
en schoonmaken, de bereiding der spijzen en de inmaak plaats. Met
gebruikmaking van nieuwere uitvindingen wordt al deze arbeid wel
vereenvoudigd en vergemakkelijkt, maar van algeheele afschaffing is geen
sprake. Zelfs zijn er verschijnselen, die in tegengestelde richting
wijzen en bij het profeteeren aangaande de toekomst tot voorzichtigheid
manen. De ervaring, welke de huisvrouwen opdeden met hetgeen zij
buitenshuis lieten verrichten, met de wasch, het naai- en verstelwerk,
het eten uit eene centrale keuken enz., is niet bijzonder gunstig
geweest. Men ging er toe over, al deze werkzaamheden buitenshuis te
laten verrichten, omdat het van veel last bevrijdde en soms ook
goedkooper was.
Maar als deze werkzaamheden langzamerhand door de nieuwere uitvindingen
(zooals electrische waschmachines, electrische kooktoestellen,
strijkkachels, enz.) beter en goedkooper in huis kunnen worden verricht,
zullen ze successief de eene na de andere in het huisgezin terugkeeren,
en de oude huishouding weer op een nieuwen grondslag opbouwen. Daarbij
komt nog, dat de huishouding in sommige opzichten wel vereenvoudigd
is, maar in andere opzichten veel meer zorg dan vroeger vereischt; de
inrichting der woning, de hygiène, de verzorging en de opvoeding der
kinderen stellen thans aan de vrouw veel hoogere eischen dan in de
vorige tijden. Er is geen sprake van, dat de vrouw en de moeder van
alle bezigheid in huis zijn beroofd en haar tijd in ledigheid kunnen
doorbrengen. Indien zij de gezinstaak naar eisch willen behartigen,
hebben zij daarvoor al haar tijd en kracht noodig. Misschien zal de
hervorming der huishouding aan hare waardeering ten goede komen en bij
de dochters wederom den wensch verlevendigen, om voor de gezinstaak meer
en beter dan vroeger te worden opgeleid.
Doch hoe dit zij, het socialistische ideaal van de ontbinding van het
private huishouden is onuitvoerbaar en mist ook alle bekoorlijkheid.
Indien de vrouw werkelijk echtgenoote en moeder zal blijven, is het
onmogelijk, haar economisch zelfstandig te maken. Want ten eerste stuit
dit af op het onoverkomelijke bezwaar, dat de vrouw in elk geval eenige
weken vóór en na de bevalling onbekwaam zal zijn tot het uitoefenen van
haar beroep, en dus in dit opzicht altijd bij den man zal achterstaan.
Ten tweede zal de vrouw 's morgens haar huis niet kunnen verlaten en
's avonds daarin niet kunnen terugkeeren, zonder zich nog tot allerlei
huiselijke werkzaamheden geroepen te zien; zij kan er niet uitloopen als
de man, die juist door zijne vrouw daartoe in staat wordt gesteld. Als
zij echter deze huiselijke werkzaamheden verrichten moet, voordat zij
buitenshuis haar beroepsarbeid aanvangt, zal zij òf reeds vóór dien
tijd vermoeid zijn, òf minder uren kunnen arbeiden. En als zij deze
huiselijke werkzaamheden door rondgaand dienstpersoneel laat verrichten,
wordt dit veel te kostbaar en verslindt het haar loon.
Ten derde, zouden moeder en kinderen spoedig van elkander vervreemden,
als de kinderen heel den dag aan beroepverzorgsters werden toebetrouwd.
Dit ware voor beiden eene groote schade. Voor de kinderen, want
de verzorging der kinderen door de moeders is verre te verkiezen
boven de zorgvuldigste verpleging in een gesticht—kindertuinen,
kinderbewaarplaatsen enz., kunnen der vrouw hare uitoefening van een
beroep vergemakkelijken, maar dragen weinig bij tot oplossing van
het probleem: moederschap en beroep. Als men in zulke inrichtingen
de kinderen ook reeds als zuigelingen opneemt, eischen ze vele
verpleegsters, vermeerderen ze het gevaar van ziekte, worden ze zeer
kostbaar, en kunnen toch nooit de moeder vervangen. Vele kinderartsen
vatten in den laatsten tijd onder den naam van _hospitalisme_ een
complex van pathologische verschijnselen saam, die er op wijzen, dat het
uitnemendste voedsel en de beste verpleging toch niet gedijen, omdat de
„seelische Beeinflussung des Kindes” door de moeder ontbreekt. In eene
inrichting wordt het individueele, het persoonlijke, het eigenlijke
moederlijke element gemist, en dit werkt op de kinderen soms zoo
nadeelig, dat de groei er door belemmerd wordt.[83] En voor de moeder
brengt de dagelijksche verwijdering van hare kinderen dit nadeel mede,
dat ook zij zelve niet als moeder tot haar recht komt. Want de vrouw is
moeder, niet alleen doordat zij aan haar kind het leven schenkt, maar
vooral ook, doordat zij al de deugden van het moederschap eerst door
de dagelijksche verzorging van het kind tot ontwikkeling brengt. Het
socialistische ideaal, in practijk gebracht, zou ons te staan komen op
het verlies van de moeder, en van de vrouw meteen, want het gaat in
tegen haar natuur, en ondermijnt het gezin, dat is, den grondslag en den
hoeksteen van heel de maatschappij.
[83] Verg. EDMUND FISCHER, Tendenzen der Frauenarbeit. Social.
Monatshefte 1917, Heft 10, bl. 536–540.
En eindelijk—om niet meer te noemen—is dat dan het aantrekkelijke
ideaal voor de vrouw, dat zij dagelijks acht of meer uren buitenshuis
haar beroep uitoefent, om toch maar, in schijn althans, economisch
zelfstandig te zijn? Is deze arbeid dan werkelijk voor de vrouw
meer bekoorlijk, dan het vervullen in huis van hare vrouwelijke en
moederlijke plichten? Een vrouw moet wel verre van hare eigene natuur
zijn afgedwaald, om op deze vraag bevestigend te antwoorden.
In deze richting is dus de verbinding van moederschap en beroep niet te
zoeken. De vraag is niet, hoe het moederschap nog op eenige wijze met de
uitoefening van een beroep is te vereenigen, maar veeleer omgekeerd, hoe
misschien met de eerste en voornaamste plichten van het moederschap nog
eenige arbeid buitenshuis zij te verbinden. Er zijn zeker vrouwen, die
vrijwillig of door de omstandigheden genoodzaakt, niet in het huwelijk
treden. Men kan niet zoomaar in het algemeen zeggen, dat elke vrouw
voor het huwelijk en het moederschap bestemd is, en dat ze anders hare
bestemming mist; ook kinderlooze en ongehuwde vrouwen kunnen nuttige
leden zijn der maatschappij; en van de mannen geldt hetzelfde. Er zijn
dus uitzonderingen op den regel; maar de regel is toch, dat vrouwen voor
verreweg het grootste gedeelte op vroegeren of lateren leeftijd in het
huwelijk treden en kinderen voortbrengen. En daarom behoort deze plicht
voorop te staan; in de vervulling van dezen plicht ligt hare eerste en
voornaamste roeping; als zij dien naar behooren volbrengt, maakt zij
zich verdienstelijk voor Staat en Kerk en Maatschappij, en levert zij
een arbeid, die door geen anderen te vergoeden is. De bewering is dan
ook onjuist, dat zij voor de ontwikkeling harer persoonlijkheid de
uitoefening van een beroep van noode heeft; hare persoonlijkheid
ontwikkelt zich nergens rijker en voller dan in den kring van haar
gezin. Want ontwikkeling van _alle_ gaven in den mensch is voor ieder
onmogelijk, voor den man zoowel als voor de vrouw; het ideaal eener
z.g.n. harmonische, in den zin van eene gelijke ontwikkeling van alle
gaven en krachten in den mensch, is ondoordacht en onbereikbaar.
Ieder wordt en kan slechts ontwikkeld worden in ééne richting en vult
daardoor anderen aan. En daarom ligt voor de vrouw in het algemeen de
ontwikkeling van hare gaven en krachten in de richting van huwelijk en
moederschap.
Nadat dit op den voorgrond gesteld is, blijft er echter ruimte over voor
de vraag, of met huwelijk en moederschap niet andere werkzaamheden te
verbinden zijn. De geschiedenis antwoordt daarop, dat de vrouw overal en
ten allen tijde nog vele andere werkzaamheden heeft verricht, dan die
rechtstreeks tot de huishouding en de opvoeding behoorden. Ze heeft
gearbeid en arbeidt nog op het veld, in den stal, in de schuur, in
winkel of nering, als werkster of schoonmaakster, op het terrein van
philanthropie en missie enz. Eenerzijds dreef daartoe het te geringe
loon van den man, dat bijverdienste noodzakelijk maakte; en aan den
anderen kant bewoog barmhartigheid de vrouw, om haar vrijen tijd en
kracht aan de verzorging van armen en kranken te wijden. Nu kan men
wel als ideaal stellen, dat de vrouw nooit voor haar gezin aan eene
bijverdienste behoefte moest hebben en geheel moest kunnen leven
voor haar man en haar kroost; maar zulke wenschen gaan buiten de
werkelijkheid om en gaan ook in tegen wat de vrouw zelve als haar plicht
en roeping beschouwt. Al zulke werkzaamheden geven dan ook op zichzelve,
als ze de eerste taak der vrouw, n.l. de verzorging van het gezin niet
onmogelijk maken, nog volstrekt geen recht, om van de slavernij der
vrouw te spreken. Zelfs de huisindustrie, hoeveel kwaads er ook van te
zeggen valt, is op zichzelve niet te veroordeelen; arbeidsbescherming en
woningbouw kunnen er verbeteringen in aanbrengen, die haar onschadelijk
maken, en aan de vrouw de gelegenheid schenken, om dezen arbeid in den
loop van den dag met huishoudelijke bezigheden af te wisselen. In elk
geval zijn al deze werkzaamheden in en bij huis voor de vrouw nog heel
wat aangenamer dan de dagelijksche, inspannende beroepsarbeid, welke
haar van sommige zijden wordt voorgespiegeld als de eenige weg tot
economische onafhankelijkheid.
Bij deze werkzaamheden doet zich dan ook het conflict tusschen
moederschap en beroep nog niet voor. Hiervoor komen echter die vrouwen
te staan, die voor een bepaald beroep zich hebben laten opleiden en
dan tijdens de studie of daarna, in de uitoefening van het beroep de
gelegenheid ontvangen, om in het huwelijk te treden. Men moet hierbij
bedenken, dat de vrouwen in den regel nooit weten, dat zij later
niet zullen huwen; ofschoon de huwelijkskansen in enkele kringen der
Maatschappij verminderd zijn, de vrouwen, die later nooit in den echt
worden verbonden, vormen een kleine minderheid. Daarom blijft het voor
zoo goed als alle vrouwen de eerste plicht, om zoodanige opleiding te
ontvangen, welke voor de gezinstaak kan voorbereiden. Als ze daarnaast,
wijl de toekomst onzeker is, ook opleiding tot een bepaald beroep
begeeren, verdient het overweging, om zulk een beroep te kiezen, dat
het meest aan de vrouwelijke geaardheid en kracht beantwoordt en zoo
dicht mogelijk bij de taak der huishouding en van het moederschap zich
aansluit. En ook ware het gewenscht, dat zij, een beroep kiezende dat
meer op den weg van den man ligt, toch eene opleiding ontvingen, die
met de vrouwelijke gaven en krachten rekening houdt. Het systeem bijv.,
dat aan mannelijke en vrouwelijke studenten dezelfde eischen stelt,
vindt hoe langer hoe meer afkeuring; aan de coëducatie zijn groote
nadeelen verbonden. Komen deze vrouwen later in de gelegenheid, om in
het huwelijk te treden, dan staan zij zeker voor een moeilijke keus,
indien althans het beroep haar ernst is geweest. In de meeste gevallen
valt die keuze ten gunste van het huwelijk uit, want „de vrouw, die
terwille van den beroepsarbeid, het huwelijk en het moederschap opgeeft,
doet de natuur geweld aan en verarmt den inhoud van haar leven”.[84]
[84] HENRIETTE ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidswetgeving en de
sociaaldemokratie, bl. 32.
Een enkele maal wordt echter het beroep boven het huwelijk gekozen,
en ook zijn er eenige weinige gevallen, waarin vrouwen huwelijk en
beroep trachten te vereenigen. Enkele physisch en psychisch sterke
vrouwen kunnen deze beide misschien combineeren, maar wie huwelijk en
moederschap willen vereenigen met de verplichtingen van het beroep,
schaden vaak hare gezondheid, verslijten lichaams- en zenuwkrachten
voor den tijd, zonder de plichten die de privaat-huishouding en
het burgerlijke gezin opleggen, naar behooren te kunnen vervullen,
en evenmin te beschikken over de geestelijke energie, noodig om
in den beroepsarbeid het naar de mate van haar aanleg hoogste te
volbrengen.[85] De vrouw, die in het huwelijk treedt, ziet zich daarom
voor den zedelijken eisch gesteld, om het beroep te laten varen. Zij
kan en mag daartoe te gereeder besluiten, omdat zij zich thans tot een
hoogeren, meer aan hare natuur beantwoordenden dienst geroepen ziet, en
de opleiding, welke zij voor het beroep ontving, niet verloren is, maar
aan haar gezinstaak ten goede kan komen. Ook zal hare zelfstandigheid en
persoonlijkheid door het huwelijk geen schade lijden, wijl deze niet
staat of valt met het al of niet uitoefenen van een beroep.[86]
[85] Dezelfde t. a. p.
[86] Over de vraag, of de Overheid in gemeente of rijk het recht heeft
en er goed aan doet, om ambtenaressen in haar dienst bij post,
telegrafie, onderwijs te ontslaan, indien zij in het huwelijk
treden, loopen de meeningen uiteen. In het buitenland neemt de
wetgever een verschillend standpunt in; in Duitschland moeten de
vrouwelijke klerken bij den keizerlijken post- en telegraafdienst
ongehuwd of weduwe zonder kinderen zijn; in Engeland is het
huwelijk alleen geoorloofd aan de directrices en sub-directrices;
de Ver. Staten v. Amerika, Frankrijk, België, Noorwegen enz.,
laten ook gehuwde vrouwen toe; Zwitserland laat gehuwde vrouwen
bij den postdienst toe, maar geeft bij den telefoondienst ontslag
in geval van huwelijk en bij den telegraafdienst in geval van
zwangerschap. Ook hier te lande bestaat er verschil van gevoelen;
zelfs handelden Gemeenteraden tegen elkander in. Daarom diende
Minister HEEMSKERK een wetsvoorstel in tot regeling van de
positie van vrouwelijke Rijksambtenaren en onderwijzeressen bij
het dit openbaar lager onderwijs, die in het huwelijk treden.
Maar ontwerp bracht het in de Tweede Kamer niet tot openbare
behandeling en werd door Minister CORT VAN DER LINDEN bij brief
van 23 Sept. 1913 ingetrokken. Ook werd een Koninklijk Besluit
van 2 Maart 1904, waarbij vrouwelijke ambtenaren bij post en
telegrafie ontslagen werden, weder bij K. B. van 23 Oct. 1907
ingetrokken. ANNA POLAK, Vrouwenarbeid en Rechtsche Politiek,
Vragen des Tijds 1912, II, 348–369. Mr. J. A. DE WILDE, Het
ontslag der ambtenares bij huwelijk. Goes 1910.
Den ernstigsten vorm neemt het conflict tusschen gezinstaak en beroep
bij die vrouwen aan, die, gehuwd en met de zorg voor kinderen belast,
toch ter vermeerdering van de inkomsten van het gezin elken dag
buitenshuis arbeid moeten verrichten. Het getal van deze gehuwde
loonarbeidsters is vooral in ons land niet bijzonder groot en het
neemt eer af dan toe (verg. boven bl. 88); maar het is toch groot
genoeg, om bezorgdheid en mededoogen te wekken, en het wijst op een
socialen misstand, die dringend verbetering behoeft. Want volgens aller
eenstemmige overtuiging is zulk een dagelijksche beroepsarbeid in hooge
mate schadelijk voor de gezondheid der vrouw, voor het gezinsleven, en
inzonderheid ook voor het moederschap, voorzoover het zwangerschap,
geboorte en zuigelingenverzorging betreft[87].
[87] Praeadvies van I. P. DE VOOYS in de bovengenoemde Praeadviezen van
de Vereen. v. Staathuishoudk. en Statistiek 1910 bl. 91 v. HENR.
ROLAND HOLST t. a. p. bl. 4 v.
De Staat heeft zeer zeker in dezen wel eene roeping te vervullen, en
hij begint zich daarvan hoe langer hoe meer te kwijten; hij verleent
aan vrouwen en moeders bijzondere bescherming door beperking van
arbeidstijd, verbod van nachtarbeid, verbod van arbeid gedurende enkele
weken vóór en na de bevalling, verbod van fabrieksarbeid aan meisjes
beneden 16 jaar, zorg voor betere opleiding enz., en moet er volgens
veler wensch toe komen, om voor de gehuwde vrouw een halvendag-arbeid
(half time system) in te voeren. Voorts kan de Staat of kunnen anders
particulieren of vereenigingen de gehuwde loonarbeidsters te hulp komen,
door gelegenheden (crêches, kinderbewaarplaatsen, kindertuinen enz.),
waar hare kinderen gedurende den arbeid verzorgd en verpleegd kunnen
worden. Maar dit zijn toch alles nog maar halve maatregelen, die het
conflict niet oplossen. Aan de andere zijde durft schier niemand het
absoluut verbod van arbeid voor de gehuwde vrouwen aan, ten eerste,
omdat de belangen der industrie daardoor geschaad zouden worden, ten
andere, wijl vele arbeidersgezinnen daardoor van eene belangrijke
inkomst zouden worden beroofd, en ten derde, omdat de vrouwen dan
misschien naar anderen, nog minder gewenschten, arbeid zouden gaan
uitzien.
Zoo staan we hier voor een toestand, die in vele opzichten diep droevig
is, en waarin niemand radicale verbetering weet te brengen. Want deze
zou daarin moeten bestaan, dat de loonen van den man zoo hoog stegen,
dat de vrouw er niets meer behoefde bij te verdienen, en dat de
industrie zich zoodanig ontwikkelde, dat de arbeidskracht der vrouw niet
meer noodig was. Daarvan zijn we thans nog ver verwijderd, en de oorlog
heeft ons nog een eind achteruitgezet; de vrouw wordt onontbeerlijker,
dan ze ooit geweest is, zoowel voor den beroepsarbeid als voor het
moederschap en het gezin.
9. DE VROUW EN DE STAAT.
Onder de vraagstukken, welke door de vrouwenbeweging aan de orde zijn
gesteld, heeft dat van het politieke stemrecht der vrouw steeds het
meest de aandacht getrokken. Voor een deel is dat te verklaren uit de
overdreven verwachtingen, die daarop door de voorstanders zijn gebouwd;
en voor een ander deel vindt het zijne oorzaak hierin, dat dit stemrecht
eene bestrijding ondervond, die niet geevenredigd is aan zijne
beteekenis. Het vrouwenkiesrecht is toch niet het een en al, zelfs niet
het voornaamste onder de vraagstukken, die de positie der vrouw in de
tegenwoordige maatschappij betreffen; het is er maar een onderdeel van,
in zekeren zin de, althans voorloopig, laatste consequentie, waartoe
de vrouwenbeweging leiden moest. Zoolang de vrouw tevreden was met de
bescheiden plaats, welke haar vroeger beschoren was, ergerde zij zich
volstrekt niet aan het feit, dat zij in de regeering des lands weinig
of niets te zeggen had; maar zoodra zij zich tengevolge van tal van
veranderde omstandigheden als vrije en zelfstandige burgeres van den
Staat gevoelen ging, moest zij wel den eisch gaan stellen, dat evenals
in andere landen, het artikel van de Grondwet hier te lande, volgens
hetwelk ieder Nederlander tot elke landsbediening benoembaar is, te
haren opzichte niet eene doode letter bleef, maar gerealiseerd werd in
de practijk.
De eisch van de politieke rechten der vrouw kwam vooral aan de orde
tegen het einde der achttiende eeuw, als gevolgtrekking uit de
verklaring van de rechten van den mensch. Voor inwilliging van dien
eisen was de tijd echter nog niet rijp; hij was te abstract gesteld, en
vond geen steun in de werkelijkheid. Maar de sociale omwentelingen, die
in de vorige eeuw door de grootindustrie werden veroorzaakt, hebben hier
verandering in gebracht; het vrouwenkiesrecht kreeg eene actueele,
practische beteekenis.
Daarom moet men dit vraagstuk ook niet in het afgetrokkene beschouwen,
want dan valt het betrekkelijk gemakkelijk, om er den spot mede te
drijven. Maar men moet het in verband zetten met heel de verandering en
ontwikkeling, die er onmiskenbaar plaats greep in het leven der vrouw,
en die er den grondslag en de drijfkracht van uitmaakt. Het verlangen
naar politiek stemrecht is dus bij de vrouw niet een inval of gril;
maar het komt op uit het ontwaakte zelfbewustzijn, uit de idee van
persoonlijkheid en vrijheid, die zich van haar heeft meester gemaakt;
het vindt steun in de inkrimping van den gezinsarbeid, in het bedrijfs-
en beroepsleven, waartoe haar leven zich heeft uitgebreid, in de
veranderde positie, welke zij ten opzichte van het openbaar leven is
gaan innemen; en het hangt ten nauwste samen met het belang, dat
zijpersoonlijk gekregen heeft bij het bestuur des lands, en met de
belangstelling, welke zij daarom is gaan gevoelen voor de publieke
zaak. Het gaat niet meer aan en druischt tegen de werkelijkheid in, den
werkkring der vrouw te beperken tot de vijf K's (Kamer, Keuken, Kelder,
Kinderen en Kleeren); de ontwikkeling der maatschappij drijft haar op
nieuwe banen.
Trouwens, de vraag, welke politieke rechten aan een volk in een gegeven
tijd toekomen, is nooit een abstracte, schoolsche quaestie. Men kan ze
zoo wel behandelen, maar brengt het dan nooit tot eene oplossing, die op
de werkelijkheid past. Op de vraag, aan wie het kiesrecht toekomt, geeft
geen principe of theorie, anders dan in vage termen, antwoord. Het is
eene vraag, die practisch, in de historie van een volk aan de orde komt
en in verband daarmede hare oplossing moet vinden. Dit rekenen met de
werkelijkheid corrigeert dan menigmaal de gebreken van de theorie. Van
het individualistische kiesrecht is in het afgetrokkene niets goeds te
zeggen, want het abstraheert van elke qualiteit, ziet in den mensch een
nummer, en legt de beslissing in de handen van de helft plus één. Doch
als het toegepast wordt, wordt het verleend, niet aan abstracte wezens,
maar aan menschen van vleesch en bloed, aan concrete, levende personen,
aan een kleiner of grooter aantal burgers, die zekere overtuigingen en
inzichten koesteren, die bepaalde belangen hebben, en die met alle
vezelen van hun leven gebonden zijn aan de toestanden, die in een
gegeven tijd onder een volk bestaan.
Zoo staan we nu ook bij het vrouwenkiesrecht niet voor eene abstracte
vraag, die theoretisch kan opgelost worden. Natuurlijk, indien hierbij
een geloofsbeginsel in het spel ware, zou het zonder aarzeling bestreden
en verworpen moeten worden, zou het zelfs, indien aangeboden, door onze
vrouwen niet aanvaard mogen worden. Maar feitelijk wordt dit standpunt
door slechts weinigen ingenomen; allen beijveren zich om te verzekeren,
dat de vrouw wel eene andere is, maar niet eene mindere dan de man;
dat de leer van Schrift of kerk het vrouwenkiesrecht niet verbiedt; en
dat men, zoodra dit kiesrecht er komt, de vrouwen met alle kracht zal
aansporen, om zich van de nieuwe taak naar plicht en geweten te kwijten.
Zoo komt het vrouwenkiesrecht toch voornamelijk neer op de practische
vraag, of wij, mannen, het in de tegenwoordige omstandigheden en bij het
heerschende kiesstelsel zullen weerstaan, ook als het in toenemende mate
en met steeds sterker drang door de vrouwen in tal van landen, en ook
hier te lande, wordt begeerd.
Nu doet het al aanstonds vreemd aan, dat men de vrouwenbeweging,
afgezien van de valsche beginselen, waardoor zij zich dikwerf liet
leiden en ontdaan van de excessen, waaraan zij zich schuldig maakte, in
hare historische ontwikkeling als eene noodzakelijke evolutie aanvaardt
en in haar goed recht erkent, maar eensklaps aan de vrouwen het halt
toeroept, als zij toegang vragen op het terrein der politiek. Dit
staat toch wel vast, dat het in hooge mate ongerechtigd zou zijn, in
den tegenwoordigen staat van zaken aan de vrouw het recht te willen
betwisten, om door het zoeken van allerlei bediening en bedrijf haar
sociale positie te sterken.[88]
[88] Dr. A. KUYPER, Antirev. Staatkunde, II, 361.