geene moeilijkheden in den weg gelegd; in huis was haar de opvoeding der
kinderen voor het grootste deel toebetrouwd, en met eigenlijk onderwijs
zag zij ook in vorige eeuwen menigmaal in huis of school zich belast.
Maar zeer veel strijd kostte het aan de vrouw, om zich in de vorige en
deze eeuw den toegang tot de hoogere scholen te ontsluiten. Wel zijn
er van de oudste tijden af enkele vrouwen geweest, die aan kunst en
wetenschap zich wijdden en daarin naam verwierven. Men denke in de
oudheid slechts aan SAPPHO, ASPASIA, LAIS, en later HYPATIA; in den
Christelijken tijd aan PAULA, HROSWITHA, HILDEGARDIS, VITTORIA COLONNA,
CHARITAS PIRKHEIMER, HELENE CORNARO, die in 1678 aan de universiteit
Padua den doctoralen graad in de philosophie verwierf en daarmede door
den paus werd gelukgewenscht, en LAURA BASSI † 1778, die een leerstoel
voor physisch-medische studie bekleedde aan de hoogeschool te Bologna.
In de 17e en 18e eeuw nam door den invloed der Renaissance het aantal
geleerde vrouwen, vooral in Frankrijk, toe; en in de 19e eeuw zagen
de vrouwen nieuwe wegen voor zich geopend en maakten zich beroemd
als dichteressen, romancières, journalisten, tooneelspeelsters,
wetenschappelijke onderzoeksters enz.; enkele jaren geleden werd
de geleerde aardrijkskundige THERESE VAN BEIEREN tot eerelid der
Koninklijke Akademie van wetenschappen te München benoemd.
Maar al deze vrouwen brachten het op enkele uitzonderingen na zoover
door private studie; ze waren bijna alle autodidacten. Allengs begonnen
de vrouwen sedert het einde der 18e eeuw op eene hoogere opvoeding aan
te dringen, en sedert ongeveer het midden der vorige eeuw de toelating
tot de universiteiten te begeeren. Maar het studeeren van vrouwen was
iets zoo vreemds en ongehoords, dat er in tal van landen, o.a. ook in
het zoogenaamde vrije Amerika, een krachtig verzet tegen opkwam. Doch
de vrouwen hielden aan en wisten ten slotte allen tegenstand te breken;
zij behaalden op dit terrein in tal van landen, Zwitserland, Frankrijk,
Zweden, Noorwegen, Denemarken, België, Italië, Engeland, Amerika enz.
eene volledige overwinning; in Duitschland stelden de Bondsstaten in
1908 alle hoogescholen voor haar open; zelfs werden er in vele landen
bijzondere scholen van middelbaar, voorbereidend hooger en hooger
onderwijs voor meisjes opgericht.
Ook op dit gebied dringen de vrouwen meer en meer uit het huisgezin
naar het maatschappelijk leven door. En niet alleen als studenten, maar
ook als hoogleeraressen verwierven zij zich allengs eene plaats in
de universiteit; korten tijd geleden werd bijv. te Leipzig de eerste
vrouw, ANNA MARIA CURTIUS, tot lector in de Fransche taal aangesteld,
en te Utrecht Mej. Dr. WESTERDIJK tot hoogleerares benoemd. Vrouwelijke
advocaten, doctoren in rechts- en staatswetenschap, in letteren en
wijsbegeerte, in wis- en natuurkundige en technische wetenschappen,
vooral ook in medicijnen, zijn er dan ook reeds in vrij grooten getale;
tal van vrouwen zijn in de practijk werkzaam als apothekers, tandartsen,
artsen, leeraressen, privaat-docenten, assistenten enz.; en het getal
vrouwelijke studenten neemt in alle landen, ook in ons vaderland, van
jaar tot jaar, toe.[72]
[72] Over de vrouw en de studie handelen Prof. HEYMANS e.a. in De
Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk bl. 708–767.
Voorts Prof. DAMSTÉ te Utrecht in zijne rectorale oratie over de
studie der vrouwelijke studenten 17 Sept. 1917. HELENE LANGE,
Intellektuelle Grundlinien zwischen Mann und Weib. Berlin 1897.
CATHREIN, Die Frauenfrage, Freiburg Herder 1901 bl. 113 v.
Handbuch der Frauenbewegung herausgeg. v. HELENE LANGE und GERTRUD
BÄUMER I 81 v. IV 372 v. Het derde deel handelt over Der Stand
der Frauenbildung in den Kulturländern. ERNST BUMM, Ueber das
Frauenstudium, Berlin Hirschwald 1917.
Er bestaat geen voldoende grond, om aan de vrouw den toegang tot de
hoogescholen en tot de hoogere beroepen te weigeren; hier te lande
bestond dan ook geene wettelijke bepaling, welke de universiteiten voor
de vrouwen sloot. Dwang werkt trouwens hier, evenals bij vele andere
beroepen en bedrijven, het tegendeel uit van wat ermede beoogd wordt;
tegenstand kweekt verzet en doet de geweigerde zaak met te meer ijver en
hartstocht begeeren. Dat de vrouw in het algemeen voor studie ongeschikt
zou zijn, wordt meer en meer als een vooroordeel prijsgegeven; de vrouw
is ook in dit opzicht anders, maar niet minder dan de man; ze is minder
dialectisch aangelegd, maar overtreft den man in intuitief vermogen en
noesten vlijt. Bovendien moet men zich van het aantal vrouwen, dat den
weg der studie inslaat, geen overdreven voorstelling maken.
Van de mannen is het reeds een klein percentage, dat de hoogescholen
bezoekt, en van de vrouwen is en blijft dit getal nog veel kleiner. In
Duitschland bedroeg het aantal vrouwen, in hoogere beroepen werkzaam,
als tooneelspeelster, zangeres, studente, leerares enz. in 1895:
176,648, en in 1907: 288,311. Zeer waarschijnlijk zal het aantal
vrouwelijke studenten, als het nieuwtje eraf is, eer dalen dan stijgen.
Want studie heeft voor de vrouw zeer groote bezwaren; en in den laatsten
tijd worden deze door velen, zoowel vrouwen als mannen, dieper dan
vroeger gevoeld. Men behoeft de vrouw volstrekt niet voor minderwaardig,
ook niet wat de intellectueele vermogens betreft, aan te zien, om toch
te erkennen, dat zij lichamelijk zwakker zijn, zich enkele dagen in
de maand beter in acht moeten nemen, en het zitten op de banken, het
leven op eene kamer en het werken voor een examen niet zoo goed kunnen
volhouden als de mannelijke studenten.
Aan ijver en toewijding ontbreekt het haar niet, maar ze moeten
spaarzamer zijn met hare kracht; en als ze hiermede niet rekenen en
toch doorzetten, spannen ze zich veel te veel in en gaan lijden aan
nerveusiteit. De academische studie is bovendien op mannen berekend
en voor mannen ingericht; als deze in denzelfden strengen zin aan de
vrouwelijke studenten wordt opgelegd, vergt ze niet alleen te veel van
hare krachten, maar doet zij der vrouwelijke natuur geweld aan en rekent
niet met hare onderscheidene individualiteit. Prof. DAMSTÉ eischt daarom
niet ten onrechte dat, als de vrouwen gaan studeeren, er bijzondere
scholen van voorbereidend hooger en hooger onderwijs moeten worden
opgericht, die een ander program van werkzaamheden volgen en op de
physische en psychische capaciteiten der vrouw berekend zijn.
Een groot bezwaar is ook daarin gelegen, dat de vrouw in het algemeen
voor eigenlijk wetenschappelijke studie, voor de dikwerf zeer
ingewikkelde en abstracte vraagstukken, die zich voordoen, veel minder
belangstelling gevoelt dan de man in doorsneê. Ze zit veel vaster aan
huisgezin en maatschappij gebonden, ze wortelt dieper in het concrete,
werkelijke leven, zij kan zich moeilijker van huiselijke zorgen en
familieplichten ontslaan dan de man, en ziet in de studie daarom meer
een middel, om een diploma te behalen en eene positie te verwerven,
dan eene zaak, die haar om zichzelve bekoort. Natuurlijk zijn er
uitzonderingen op dezen regel, maar de regel schijnt toch wel vast te
staan. En daaruit is dan ook te verklaren, dat de resultaten van de
studie der vrouwen niet al te bemoedigend zijn. Van de 79 dames, die de
studie in klassieke letteren begonnen, brachten volgens Prof. DAMSTÉ
slechts vier het tot een gelukkig einde; en Prof. BUMM deelt mede, dat
van de 1242 vrouwelijke studenten, die in de jaren 1908 tot 1912 aan de
Berlijnsche hoogeschool waren ingeschreven, 60 percent tot uitoefening
van haar beroep kwamen, en dat van de overige 40 percent de meeste in
het huwelijk traden. En daarmede volgen zij de inspraak der natuur.
Eene vrouw, die den weg der studie inslaat, kan nooit van te voren
weten, of zij al dan niet huwen zal. Maar als zij in de gelegenheid
gesteld wordt, om het huwelijk in te treden, zal zij in den regel de
studie prijsgeven en het huiselijk leven verkiezen. Natuurlijk is die
studie dan niet in elk opzicht voor haar onvruchtbaar geweest; maar de
vraag rijst toch, of tijd, kracht en geld niet beter besteed hadden
kunnen worden, als zij deze toekomst had kunnen voorzien. Het is deze
onzekerheid, die voor menige vrouw het leven zoo pijnlijk en den arbeid,
ook in de studie, zoo zwaar maakt.
En daarbij komt nog, dat, als de studie voltooid is, het dikwerf
moeilijke beroepsleven wacht, dat aan teleurstellingen zoo rijk kan
zijn. Laat de gestudeerde vrouw straks in de maatschappij optreden als
leerares, als advocaat, als arts, enz.; de moeilijkheden breken dikwerf
dan eerst recht aan, want enkele vrouwen, die boven andere uitmunten,
weten zich eene goede en geëerde positie te verwerven, maar de meesten
gaan een eenzaam leven tegemoet, dat zeker niet boven het huiselijk en
familieleven, en ook niet boven den philanthropischen of socialen arbeid
te verkiezen is. Weten zij bovendien ook zeker, dat zij in die hoogere
beroepen boven de mannen verkoren zullen worden en in de practijk een
behoorlijk bestaan zullen vinden? Voor enkele vrouwen blijft er zeker
in al die betrekkingen van leerares, professorin, advocate, arts,
ingenieur enz. plaats; maar de maatschappij zal in den regel aan den
man de voorkeur blijven geven en dus den stroom der vrouwen naar de
universiteiten en hoogere beroepen vanzelf tegenhouden of afleiden.
Daarom is de groote toename der vrouwelijke studenten niet in elk
opzicht een verblijdend verschijnsel, voor de wetenschap en de practijk
niet, en allerminst voor de vrouwen zelve. Bij nuchtere beschouwing
wordt het aantal studeerende vrouwen toch inderdaad veel te groot, en
het dreigt in en na den oorlog nog toe te nemen. In 1908 waren er in
Berlijn 400 vrouwelijke studenten, maar in het wintersemester 1916 17
bedroeg dat getal reeds 1276 (van de ongeveer 8000 studenten). Aan alle
Duitsche universiteiten studeerden in 1908 1200, maar in het genoemde
semester 5730 vrouwen. En hier te lande waren er in 1916/17 te Utrecht
ingeschreven 277 vrouwelijke studenten van de 1249 studenten, in
Groningen 178 van de 588, in Amsterdam 330 van de 1370; in Leiden 288
van de 1804; voorts studeerden er in den cursus 1915/16 in Delft 85, en
aan de Nederl. Handelshoogeschool te Rotterdam 11 vrouwelijke studenten.
Al deze getallen geven wel eenigen grond voor het vermoeden van Prof.
BUMM, dat het studeeren bij sommige vrouwen tot eene modezaak wordt. En
ouders en meisjes zullen wèl doen, om, voordat zij deze loopbaan kiezen,
ernstig de bezwaren in overweging te nemen, die op dezen weg zich
voordoen; Prof. NYHOFF aarzelde zelfs, aan de vrouwen den raad te geven,
om in de geneeskunde te gaan studeeren,[73] hoewel deze studie voor de
vrouwen de meeste attractie schijnt te hebben.
[73] De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk, I bl. 767.
Het intreden der vrouw in tal van bedrijven en beroepen heeft—gelijk
boven reeds gezegd werd—twee ernstige quaesties aan de orde gesteld,
die van de loonregeling en van de vereenigbaarheid van het beroep met
de waarneming van de huiselijke en moederlijke plichten. De oorlog heeft
ze nog zwaarder gemaakt, dan ze uit zichzelve reeds waren, want de vrouw
zal na den oorlog nog meer dan vroeger als arbeidskracht worden begeerd,
en ze zal tevens in sterker mate dan weleer als echtgenoote en moeder
onmisbaar zijn. Hoe zullen arbeid en moederschap dan met elkander
verbonden kunnen worden, en hoedanig zal de loonregeling wezen voor de
arbeidende vrouw? Zal de vrouw met den man gelijk worden gesteld, of zal
ze, lager bezoldigd, het loon der mannen drukken, dezen uit de bedrijven
verdringen, of hun in elk geval eene onaangename concurrentie aandoen?
En nog ernstiger wordt het probleem, als wij de arbeidskrachten in
andere deelen der wereld in rekening brengen. Zal het ontwrichte en
uitgemergelde Europa den wedstrijd kunnen volhouden met de arbeiders in
Japan en China en Indië, die weinig behoeften hebben en voor lage loonen
werken? De loonvraag is inderdaad een hoogst ingewikkeld en moeilijk
vraagstuk.
Nu schijnt er geen wet eenvoudiger en rechtvaardiger te zijn, dan dat
voor gelijken arbeid gelijk loon moet worden betaald. En vele feministen
zijn dan ook aanstonds met de conclusie gereed, dat de vrouw, als zij
denzelfden arbeid verricht als de man, ook hetzelfde loon ontvangen
moet. In het afgetrokkene kan deze regel ook worden toegestemd, zonder
dat wij daarmede echter een stap verder komen. Want de vraag is juist,
of de vrouw werkelijk denzelfden arbeid als de man verricht, m.a.w.
of haar arbeid voor den werkgever volkomen dezelfde waarde heeft als
die van den man. Het is mogelijk, maar het staat toch niet apriori
onomstootelijk vast en dient eerst nauwkeurig onderzocht te worden; de
quaestie is niet zoo eenvoudig als ze lijkt. In ieder geval leert de
geschiedenis, dat de arbeid der vrouw nooit en nergens als gelijkwaardig
met die van den man is beschouwd en op gelijke wijze is beloond. Dat kan
eene groote, eeuwenoude en algemeene dwaling zijn geweest, maar het zou
ook kunnen wezen, dat er goede gronden voor aan te voeren zijn.
Echter dient de quaestie zuiver gesteld te worden. De vraag is niet, of
de arbeid van _iedere_ vrouw, in _elk_ bedrijf, al dan niet dezelfde
waarde heeft als die van _iederen_ man. Want het is buiten twijfel, dat
menige vrouw in vlugheid en kracht menigen man te boven gaat, dat in
sommige bedrijven de arbeid der vrouw meer waard is dan die van den man,
bijv. in kinderverpleging, ziekenzorg enz., en dat soms ook het loon
der vrouw dat van den man terecht overtreft. Maar de vraag geldt alleen
den arbeid van den man en de vrouw in het algemeen; en dan leert de
geschiedenis van vroeger en van dezen tijd, dat de loonen der vrouw
over het algemeen aanmerkelijk lager zijn dan die van den man[74].
Voor een deel is deze lagere belooning van den vrouwelijken arbeid aan
de hardvochtigheid, zelfzucht en uitbuiting van de werkgevers toe te
schrijven; en in zoover wordt de bestaande loonregeling hier met geen
enkel woord in bescherming genomen, integendeel zoo scherp en zoo sterk
mogelijk afgekeurd; als vrouwen en meisjes in plaats van mannen in
dienst genomen worden, alleen omdat ze goedkooper zijn, en dan hare
loonen nog op allerlei wijze beknibbeld en gedrukt worden, dan is daarop
het oordeel van Jak. 5 : 4 ten volle van toepassing.
[74] Zie bijv. breedvoerig over de loonen der vrouwen LILY BRAUN, Die
Frauenfrage bl. 287 v.
Maar desniettemin zijn er redenen, waarom de arbeid van de vrouw in
den regel lager geschat en beloond wordt dan die van den man. Ze
zijn menigmaal uiteengezet en springen zoo in het oog, dat alleen de
„verbazingwekkende begripsverdorvenheid” van het feministisch denken
ze miskennen kan[75]. Ten eerste is de opleiding der vrouw voor een of
ander beroep over het algemeen niet zoo deugdelijk als die van den man.
Natuurlijk kan men hierbij terstond opmerken, dat de oorzaak van de
minderwaardigheid van den arbeid der vrouw dan niet aan de vrouw, maar
aan hare gebrekkige opleiding, dat is aan staat of maatschappij is te
wijten; maar dit verandert toch niets aan het feit. Er zijn zelfs nog
tal van bedrijven en beroepen, waarvoor de vrouw geen opleiding bekomen
kan,[76] en waarvoor zij ze ook nog niet begeert. Ouders zijn ook
dikwerf kortzichtig, sturen hunne jonge meisjes, zoodra zij de lagere
school hebben afgeloopen, om eenige bijverdienste voor het gezin, in
een of anderen dienst, en offeren de belangen der kinderen, soms ook
wel noodgedwongen, aan hunne eigene belangen op. En het gevolg is,
dat meisjes veel minder bekwaam zijn voor hun arbeid dan de jongens.
[75] H. ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidersbeweging en de
sociaaldemocratie bl. 22.
[76] Vrouwenjaarboekje 1917 bl. 358.
Ten andere is de beroepsarbeid voor de vrouw in den regel maar een
intermezzo, een tusschenbedrijf, eene voorbijgaande, korte episode in
haar leven. Ouders redeneeren al zoo, en denken, dat hunne dochters
niet zoo veel voorbereiding voor haar dienst noodig hebben, omdat zij
toch na enkele jaren in het huwelijk treden. En de dochters, die in
eene betrekking gaan, kunnen nooit zeggen en veel minder beloven, dat
zij, als de gelegenheid zich aanbiedt, niet het huwelijk boven den
beroepsarbeid zullen verkiezen. Integendeel, ze zouden geen vrouw
moeten zijn, indien zij, generaal genomen, niet aan huwelijk en gezin
de voorkeur gaven. De vrouw kan in den regel in den beroepsarbeid haar
levensdoel, haar bestemming niet zien. En daarom kan zij zich aan dien
arbeid ook niet ten volle geven gelijk de man, die daarbij zijn gansche
leven blijft en daarin zijne roeping ziet; zij is er zelden met hare
gansche ziel bij, omdat ze vrouw is en eene andere bestemming heeft; zij
denkt voortdurend aan iets anders, dat in de lijn van hare natuur ligt.
Ten derde heeft de man grootere lichaamskracht en kan den gestadigen
arbeid langer uithouden; de vrouw moet, vooral in sommige perioden,
spaarzamer zijn met hare kracht, en als ze dit niet doet, gaat ze
spoedig lijden aan overspanning en nerveusiteit. Zoo gaat bijv. reeds
de arbeid, die van de vrouw in de lagere school gevraagd wordt, hare
krachten te boven; het verzuim der onderwijzeressen wegens ziekte is
daarom veel grooter dan dat der onderwijzers; dikwerf zijn de meisjes
door de studie, het blokken voor de examens, het solliciteeren en de
proeflessen reeds zenuwpatient, voordat ze eene vaste aanstelling
verkrijgen. En de slotsom is overal, dat de onderwijzeressen door haar
lichamelijken en geestelijken aanleg, alsmede door hare opleiding en
sociale verhoudingen, in het algemeen niet zoo geschikt zijn voor den
arbeid in de school als de onderwijzers.[77] En dit wordt nu gezegd van
den beroepsarbeid in het onderwijs, die voor de vrouw zoo geschikt
geacht wordt. Hoeveel te meer geldt het dan van vele andere beroepen en
bedrijven, die volstrekt niet in dezelfde mate zich aanpassen bij de
vrouwelijke natuur! Gelukkig daarom, dat—gelijk boven werd opgemerkt—de
arbeid van mannen en vrouwen zich, ondanks alle gelijkheidstheorie, meer
en meer specialiseert en dat er in hetzelfde bedrijf verdeeling van den
zwaarderen en den lichteren arbeid wordt toegepast.
[77] WIRTZ, Onbevredigende Bevrediging, Meppel 1916 bl. 35 v.
Ten vierde moet men in aanmerking nemen, dat de vrouw veel minder
behoeften heeft dan de man. De man heeft meer noodig voor ontspanning en
genot, voor bier en tabak, wijn en sigaren; maar dit is het voornaamste
niet en wordt slechts in het voorbijgaan vermeld; hij heeft ook meer
noodig voor zijn onderhoud, want hij voedt zich beter, terwijl de vrouw
dikwerf op haar voedsel uitspaart, wat zij uitgeeft voor hare kleeding.
Maar afgezien van deze behoeften, de vrouw heeft in den regel alleen
zichzelve te onderhouden, terwijl de man niet alleen voor zichzelf,
maar ook voor vrouw en gezin den kost te winnen heeft. En wel is het
waar, dat de behoeften van een gesalarieerde nooit een goede maatstaf
voor de bezoldiging kunnen zijn, maar de berekening van het loon gaat
ook nooit strikt naar de praestatie toe. Veelmeer wordt het loon steeds
door een aantal factoren bepaald, zooals maatschappelijke positie,
arbeidspraestatie, bekwaamheid enz., waarvan men niet één enkelen tot
absoluten maatstaf verheffen kan. In een gegeven maatschappij wordt de
een of andere arbeid op zoodanige wijze gewaardeerd, dat het loon een
zekeren levensstandaard van den man met zijn gezin mogelijk maakt.
Indien dat niet het geval is, komt er botsing en is streven naar
lotsverbetering plicht.
Al deze redenen bewijzen, dat de gelijkheidstheorie aangaande man en
vrouw ook bij het loon niet opgaat.[78] De vrouw is eene andere dan de
man, ook in arbeid en in loon; zij heeft aanspraak op eene zelfstandige
waardeering van haar persoon en haar dienst. Dat ze hierop recht heeft,
blijkt ook uit de bijzondere bescherming, welke de wetgeving meer en
meer in alle landen haar verleent. De voorstanders der volstrekte
gelijkheid van man en vrouw moeten zich hiertegen verklaren; zij kunnen
daarin niet anders zien dan een bevoorrechting van den man ten koste
van de vrouw, een streven, om het ouderwetsch gezin te behouden en
de overmacht van den man te bestendigen.[79] Maar de werkelijkheid
gaat hiertegen in; de sociaaldemocratie, ofschoon door eenzelfde
communistisch ideaal bekoord, gaf toch aan de bescherming der vrouw eene
plaats op haar revisionistisch program; en de sociale wetgeving erkende,
dat bij den arbeid der vrouw nog andere belangen betrokken waren dan
bij dien van den man. Toch zal, ofschoon velen dit wenschen, de Staat
weinig kunnen doen tot verhooging van het loon van den vrouwelijken
arbeid; want in het uiterste geval zou hij, in verschillende beroepen
en bedrijven, een minimumloon kunnen vaststellen, maar daardoor juist
de kans beloopen, dat hij de loonen eer deed dalen dan stijgen. Bij
de vrouwen zelve ontbreekt het dikwerf aan de noodige energie en
samenwerking, om op verbetering van hare positie aan te dringen; zij
zijn nog slechts voor een klein gedeelte georganiseerd, en zijn nog al
te weinig doordrongen van haar gemeenschappelijk belang. Het meeste heil
is daarom nog van zulk eene ontwikkeling der maatschappij te verwachten,
dat de beroepen en bedrijven voor mannen en vrouwen zich steeds verder
differentiëeren, de opleiding der vrouw voor de haar passende
werkzaamheden allengs verbeterd, en de arbeid der vrouw zelfstandig
getaxeerd en beloond wordt.[80]
[78] Verg. ook HENRIETTE ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidswetgeving en
de sociaaldemocratie bl. 20 v.
[79] Zie bijv. Mevr. RUTGERS-HOITSEMA, aangehaald door HENR. ROLAND
HOLST, t. a. p. bl. 4.
[80] Sozial. Monatshefte 1917, Heft 3 bl. 141 v. Heft 4 bl. 195 v. 206
v. Heft 12 bl. 636, Heft 18 bl. 924. RÖSLER, Die Frauenfrage bl.
131 v. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben bl. 100
v.
Nog moeilijker is het andere probleem, dat de vrouwenbeweging aan de
orde heeft gesteld, de vereenigbaarheid n.l. van gezinstaak en beroep.
Hoeveel onderzoek en nadenken aan dit vraagstuk reeds is besteed, de
oplossing is nog verre van gevonden[81]. Van de zijde van hen, die de
gelijkheid van man en vrouw tot het uiterste willen doordrijven, wordt
een middel aan de hand gedaan, dat erger is dan de kwaal. Wijl arbeid
voor hen het hoogste is, verlangen zij, dat de vrouw evenals de man in
de eerste plaats voor den arbeid zal worden opgeleid, en door het
gelijke loon voor dien arbeid, zoowel in als buiten het huwelijk, tot
dezelfde economische zelfstandigheid zal worden verheven als de man.
Maar dit gelijkheidsideaal eischte verder, dat het private huishouden
opgelost werd, de huishoudelijke werkzaamheden door rondgaand
dienstpersoneel werden verricht, de maaltijden uit centrale keukens aan
huis bezorgd of anders in gemeenschappelijke eetzalen genuttigd zouden
worden. Man en vrouw zouden dan over dag gedurende acht uren arbeid
verrichten, hunne kinderen in dien tijd met die van andere ouders aan
beroepverzorgsters toevertrouwen, en den avond met hunne kinderen
doorbrengen. Soms werd er ook de wensch mede verbonden, dat het huwelijk
veranderen mocht in een privaat, ieder oogenblik verbreekbaar contract
en de kinderen spoedig na de geboorte voor rekening kwamen van den
Staat.
[81] Zie bijv. BEBEL, Die Frau und der Sozialismus{16} 1892 bl. 342
v. Handbuch der Frauenbewegung IV 380–397. MARIANNE WEBER,
Beruf und Ehe, Berlin, Schöneberg 1906. Mr. E. FOKKER, De
gehuwde vrouw als moeder en ambtenaar, Gids 1909. De Vrouw, de
Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 193 v. Praeadviezen
over de maatschappelijke beteekenis van den arbeid der gehuwde
vrouw, en de houding, door de Overheid aan te nemen tegenover
dat vraagstuk, uitgegeven door de Vereeniging voor de
Staathuishoudkunde en de Statistiek, 's Gravenhage Nijhoff 1910.
Deze praeadviezen werden uitgebracht door Mej. A. POLAK, I. P. DE
VOOYS, en Mej. Dr. E. C. VAN DORP. Discussie volgde erover in de
Vergadering der Vereeniging te 's Gravenhage 8 Oct. 1910.
Al deze wenschen en verwachtingen zijn niet alleen op valsche
gelijkheidstheorieën gebouwd, maar vinden ook geen steun in de
werkelijkheid.[82] Wel is in de moderne maatschappij ook het huisgezin
aan eene groote verandering onderworpen; tal van werkzaamheden zijn
allengs aan de huishouding ontnomen en naar de fabrieken overgebracht;
en volgens sommiger meening zullen nog meerdere volgen, zooals bijv. de
wasch, het naaien en verstellen, het koken en inmaken enz., gelijk in
vele gezinnen ook reeds het geval is. Het huisgezin heeft inderdaad zijn
karakter van productiegemeenschap voor het grootste gedeelte verloren en
is allengs in eene consumtiegemeenschap overgegaan. Maar daarmede is het
huisgezin niet vernietigd.
[82] Verg. Mr. CLARA WICHMANN, De moraal in de maatschappij der
toekomst, in: De Toekomst der Maatschappij, Maatsch. v. goede en
goedk. Lectuur. Amsterdam 1917 bl. 278 v. Dezelfde ook in: De
vrouw in Nederland voor honderd jaar en thans, ib. bl. 77 v.