gestadig toe. In ons land bijv. waren er bij nijverheid, landbouw,
handel en verkeer, en huiselijke diensten in 1889 werkzaam: 1.305.041
mannen en 353.093 vrouwen; in 1896: 1.490.185 mannen en 433.399 vrouwen;
en in 1909: 1.720.602 mannen en 540.989 vrouwen.[57] En hetzelfde
verschijnsel doet zich in andere landen voor.[58] Men moet hierbij
echter in aanmerking nemen, dat de bevolking van jaar tot jaar, in
ons land bijv. in de jaren 1889–1909 met 30 percent, toeneemt, en dat
de beroepen en werkgelegenheden door vermeerdering der productie,
uitbreiding van het fabriekswezen en specialiseering der techniek,
zoowel voor vrouwen als voor mannen voortdurend vermeerderen. Zooals in
vroeger tijd de slavernij en de lijfeigenschap de vrouwen van zwaren
arbeid bevrijd hebben, zoo heeft in de laatste eeuw de machine het werk
in huis aan de vrouwen veelszins uit de handen genomen; maar met de
schaduwzijde eraan verbonden, dat diezelfde machine de vrouwen naar
de fabrieken trok. Voorts bewijst de statistiek in geenen deele de
verwachting van KARL MARX, dat de vrouw als arbeidster de loonen
drukken, de mannen verdringen, en de „Verelendung” der maatschappij
bevorderen zou. Want de loonen zijn voortdurend gestegen; het lot der
vrouw in de verschillende takken van bedrijf is verbeterd; en de mannen
zijn niet uit den arbeid verdreven, maar nemen nu nog even goed hunne
plaats bij den arbeid in als eene halve eeuw of meer geleden; de
verhouding van de arbeidende mannen tot de arbeidende vrouwen is over
het geheel genomen, zichzelf vrij wel gelijk gebleven. De economische en
sociale ontwikkeling bewoog zich vóór den oorlog niet in de richting
van eene verkwijning en ontbinding der maatschappij, maar in meerdere
of mindere mate, in die van grootere welvaart voor alle klassen der
maatschappij, niettegenstaande het aantal vrouwen in arbeid en beroep
voortdurend steeg.[59]
[57] Beroepsklapper. Excerpt van den Vrouwenarbeid uit de uitkomsten der
Beroepstelling in het Kon. d. Ned. gehouden 31 Dec. 1909 door ANNA
POLAK. Bureau voor Vrouwenarbeid, 's Gravenhage bl. 8.
[58] Verg. voor Duitschland JULIUS PIERSTORFF, Weibliche Arbeit und
Frauenfrage, in Handwörterbuch der Staatswissenschaften VIII{3}
678–732, en het geheele vierde deel in het Handbuch der
Frauenbewegung over Die Deutsche Frau im Beruf.
[59] Zoo ook EDMUND FISCHER, Tendenzen der Frauenarbeit, Social.
Monatshefte 1917 Heft 10 bl. 536–540.
Alverder moet men in gedachte houden, dat cijfers zonder meer nog weinig
bewijzen voor den ongunstigen toestand, waarin de arbeidende vrouwen
verkeeren. In enkele bedrijven is het aantal gehuwde vrouwen grooter
dan dat der ongehuwde; maar het zijn alle bedrijven, waarin zeer weinig
vrouwen arbeiden; de bouwbedrijven tellen 312 gehuwde en 190 ongehuwde
vrouwen, de scheepsbouw resp. 61 en 13, visscherij en jacht resp. 36
en 24 enz.[60] Voorts zijn er onder de ongehuwde vrouwen ook vele, die
zelfstandig zijn en aan het hoofd van een bedrijf staan; weduwen, wier
getal door het late trouwen van vele mannen toeneemt, en die na den dood
van haar echtgenooten de zaak voortzetten of een eigen zaak opzetten; en
eindelijk ook een groot aantal vrouwen, die tusschen den kinderleeftijd
en het huwelijk, dus tusschen ongeveer het 15e en 25e jaar, een beroep
uitoefenen. EDMUND FISCHER zegt in het boven aangehaalde artikel, dat
het aandeel der gehuwde vrouwen in de geheele industrie zeer gering
is; in Nederland bedraagt het 2, in Denemarken en Noorwegen 3, in
Duitschland vóór den oorlog 4, en in Oostenrijk 6 percent. In Frankrijk
bedroeg dit wel 14 percent, maar dit is daaruit te verklaren, dat de
gehuwde vrouwen, die in de huisindustrie arbeiden, medegeteld zijn.[61]
In het handelsbedrijf nam het aantal arbeidende vrouwen toe, maar onder
de 545177 vrouwelijke personen, die daarin in Duitschland in 1907
werkzaam waren, bevonden zich slechts 158181 gehuwde vrouwen, en van
deze waren 88,5 percent zelfstandig of deelgenoot in de zaak. In het
winkelbedrijf verlieten reeds 30 percent hare betrekking met het 18e, en
75 percent met het 25e levensjaar; in 1907 waren er slechts 5595 gehuwde
vrouwen of 3,2 percent in dit bedrijf werkzaam. Uit deze cijfers mag men
misschien afleiden, dat gehuwde vrouwen niet in industrie, handel en
verkeer gaan uit lust tot een beroep, maar eenvoudig, omdat zij door de
omstandigheden ertoe gedwongen worden.[62]
[60] Beroepsklapper bl. 11.
[61] Beroepsklapper bl. 209 zegt, dat in de nijverheidsbedrijven slechts
15,1 percent van de arbeidsters gehuwd is, maar daaronder zijn ook
begrepen de 1498 gehuwde vrouwen, die in de veenderijen arbeiden.
[62] EDMUND FISCHER t .a. p. bl. 537.
Nog merkwaardiger is de verschuiving, die er langzamerhand in den arbeid
der mannen en der vrouwen plaats grijpt. Men kan in het afgetrokkene wel
eischen, dat alle beroepen zonder onderscheid voor beide seksen moeten
openstaan, en ook wel beweren, dat vrouwen voor al die beroepen even
geschikt als de mannen zijn. Maar de natuur spreekt ook een woord mede,
en de keuze der vrouwen gaat krachtens die natuur altijd weer eene
andere richting dan die der mannen uit; zij voelen zich het meeste
aangetrokken tot die bedrijven, welke 't nauwst zich aansluiten bij
huiselijke werkzaamheden. Zoo vinden wij in ons land, dat niet minder
dan 38,9 percent van de mannen werkzaam zijn in de nijverheidsbedrijven
en slechts 20,6 percent van de vrouwen; daarentegen zijn van de vrouwen
39,7 percent werkzaam in huiselijke diensten (n.l. 215046) en van de
mannen slechts 7480 of ⅜ perc. Verder zijn van de mannen, die arbeiden
in de nijverheidsbedrijven, 26 perc. werkzaam in de bouwbedrijven en
16,9 perc. in de bereiding van voedings- en genotmiddelen; van de
vrouwen, in de nijverheid werkzaam, arbeiden er slechts 0,4 perc. in de
bouwbedrijven, 6 perc. in de bereiding van voedings- en genotmiddelen,
maar 60,9 perc. bij kleeding en reiniging en 17,6 perc. in de
textielnijverheid; van de weduwen en gescheiden vrouwen werken er zelfs
66,5 perc. bij kleeding en reiniging, en 12,3 perc. bij de bereiding
van voedings- en genotmiddelen. Van de mannen, die in handel en verkeer
arbeiden, zijn 57,2 perc. werkzaam in het verkeerswezen, 40,5 perc. in
den warenhandel; van de vrouwen daarentegen zijn er 72,3 perc. werkzaam
in den warenhandel en 27,3 perc. in het verkeerswezen. Van de mannen in
dienst van een publiekrechtelijk lichaam, zijn 55,3 perc. in dienst
van den staat, en 41,5 perc. in dienst van eene gemeente; van de
vrouwen daarentegen zijn 95,5 perc. in dienst van eene gemeente (meest
onderwijzeressen) en slechts 4,2 perc. in dienst van den staat.[63]
[63] Beroepsklapper bl. 208 v.
Het aantal beroepen, waarin de vrouwen arbeiden, is dus veel grooter,
dan in vorige tijden, en het breidt zich nog voortdurend in allerlei
richting uit. De vrouwelijke arbeid bepaalt zich niet meer tot de
betrekking van dienstbode, werkster, schoonmaakster, waschvrouw,
breister, naaister, besteedster, huishoudster, kinderjuffrouw,
assistente of directrice in een gesticht enz.; maar tal van beroepen
staan tegenwoordig voor de vrouwen open op het gebied van landbouw,
handel, nijverheid, onderwijs, post, telegraphie, kunst, tooneel,
journalistiek, wetenschap enz. En toch, al stelt de wet geene enkele
belemmering in den weg, toch differentieeren zich de beroepen naar
de psychische en physische natuur van den man en de vrouw. Er zijn
bedrijven, waarvoor de vrouw weinig gevoelt en ook lichamelijk en
geestelijk minder geschikt is; zoo de arbeid in bergwerken, mijnwezen,
bouwbedrijf, scheepsbouw, machinebouw, glasindustrie, chemische
nijverheid, transportbedrijf enz., evenals ook de dienst bij leger
en vloot, bij brandweer en nachtwacht. Zelfs als de vrouwen in de
nijverheid gaan arbeiden, worden zij het sterkst aangetrokken door
die bedrijven, die 't meest passen bij haar aard, bij de textiel-,
kleeding-, papier-, voedings- en genotmiddelen-industrie. En in
hetzelfde bedrijf heeft dikwerf nog weer deze differentiatie plaats,
dat de mannen den zwaarderen en beter betaalden arbeid verrichten,
en aan de vrouwen de lichtere en goedkoopere werkzaamheden worden
opgedragen.
De feministen, die met STUART MILL van een natuurlijk verschil tusschen
man en vrouw, althans psychisch, niet willen weten, zijn met deze
differentiatie, welke in het leven vanzelf zich voordoet, niet bijzonder
ingenomen. Zij zouden liever zien, dat de ontwikkeling der maatschappij
zich in de volkomen gelijkstelling van beide seksen bewoog. Hieruit
is, althans voor een deel, te verklaren, dat velen tegenwoordig een
gemeenschapsdienst der vrouwen voorstaan, die tegen den militairen
dienst van den man opweegt. Maar de gevoelens over de inrichting van
zulk een dienst loopen ver uiteen. Men spreekt van landsplicht,
dienstplicht, weerbaarheidsplicht, verplicht gemeenschapswerk,
gemeenschapsplicht, service sociale obligatoire, compulsory social
service, Dienstpflicht, Wehrpflicht enz., en de verschillende namen
wijzen reeds op de uiteenloopende opvattingen, welke van dezen dienst
gekoesterd worden.
Sommigen willen alleen een vrijwilligen, persoonlijken dienstplicht der
vrouw in de werkzaamheid bij het Roode Kruis, ten bate van 's lands
weerbaarheid;[64] maar anderen strekken hun eischen veel verder uit en
verlangen, dat de staat alle jonge vrouwen verplicht, om gedurende een,
twee, drie of zelfs meer jaren onderricht te ontvangen in de beginselen
en de practijk der gezondheidsleer, huishoud- en kookkunst, benevens
ziekenverpleging, of om in moederdienst-kazernes voor den moederdienst,
d. i. speciaal als kraamverzorgster, te worden opgeleid en van 18–21
jaar tot het uitoefenen van dezen dienst bereid te zijn, of om de
corveeën in het leger te verrichten, ten einde den soldaten meer tijd te
geven voor hun militair bedrijf, of om voor allerlei maatschappelijk
werk (ziekenverpleging, toynbeewerk, wijkverpleging, weezenverpleging,
verzorging van verwaarloosde kinderen enz.) te worden voorbereid
enz.[65]
[64] Zoo Generaal H. P. STAAL, De persoonlijke dienstplicht der vrouw,
Gids 1908 II 241–267.
[65] Verg. Mevr. W. WIJNAENDTS FRANCKEN-DIJSERINCK, Vrouwenplicht
en Gemeenschapsdienst. Uitgegeven door den Nederl. Bond voor
Vrouwenkiesrecht (1913). Dezelfde, Gemeenschapsdienst der vrouw
in: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I
664–681. Mevr. FRANCKEN bespreekt in het eerstgenoemde geschrift
verschillende brochures enz., die over dit onderwerp verschenen
zijn. Verg. dergelijke aankondigingen ook in de Sozial.
Monatshefte 1915 I 366, 1916 I 395, 1917 II 997. Een der
laatstverschenen geschriften, J. A. HOHMANN und E. REICHEL,
Die Dienstpflicht der Frau, Berlin—Zehlendorf, wordt ook
beoordeeld in Kath. Soc. Weekblad 13 Oct. 1917.
Aan al deze voorstellen ligt de gedachte ten grondslag, dat de
ongebruikte vrouwenkracht veel beter dan vroeger in dienst genomen
moet worden door en aangewend kan worden ten nutte van de gemeenschap;
de vrouw is toch niet louter een individu en ook niet alleen voor
den kleinen kring van het huisgezin bestemd, maar ze is tevens een
gemeenschapswezen, behoort tegenover de rechten, die zij eischt, ook met
liefde en toewijding de plichten te vervullen, die de gemeenschap haar
oplegt, en voor de uitoefening daarvan ook te worden opgeleid. Doch al
deze voorstellen genieten betrekkelijk slechts geringen steun en hebben
weinig kans op verwezenlijking; ze zijn onderling met elkander op vele
punten in strijd en rekenen niet genoeg met de werkelijkheid. Immers, de
jonge meisjes gaan na de lagere school verschillende richtingen in het
leven uit en oefenen in de betrekking, waarin zij geplaatst zijn, in het
vak, dat zij beoefenen, in het beroep, dat ze waarnemen enz., reeds in
voldoende mate die sociale plichten uit, welke zij aan de gemeenschap
verschuldigd zijn. Het zou van weinig doorzicht getuigen, om ze alle
uit die vrij gekozen werkzaamheden uit te halen, ze alle voor een en
denzelfden dienst, (verzorging van kinderen, zieken, kraamvrouwen enz.
of ook voor corveeën of Roodekruis-dienst bij het leger enz.) toe
te rusten en dus een veel te grooten overvloed van verpleegsters en
verzorgsters te kweeken. Bovendien, als ze later huwen—en dat is en
blijft de regel: van de vrouwen tusschen 25 en 50 jaren zijn er nog
altijd 77 percent gehuwd—dan bewijzen ze in haar beroep als vrouw
en moeder een dienst aan de gemeenschap, die door geene andere
plichtsvervulling te vergoeden is.
Intusschen heeft de oorlog in den beroepsarbeid der vrouw eene
buitengewone verandering aangebracht. Wijl de mannen bij leger en
vloot in dienst zijn, in menigte sneuvelen of ook verminkt en gebroken
terugkeeren, hebben de vrouwen in tal van bedrijven hunne plaats
moeten innemen. Ze dienen als kellners in hotels en restaurants, als
conducteurs en controleurs op trams, auto's en treinen, doen dienst als
bestellers van brieven en telegrammen, als kruiers en boodschaploopers,
ze arbeiden in ijzer- en staalfabrieken, maken bommen en granaten,
verrichten technisch werk bij den vliegdienst, dienen (zooals de
compagnieën van het Women's Army Auxiliary Corps) achter het front, om
de strijdende mannen dagelijks van voedsel en uitrusting te voorzien, en
richtten in Rusland zelfs een corps van Amazonen op. Het aantal vrouwen,
dat op deze wijze thans mannenwerk verricht, loopt in de tien- en
honderdduizenden.
In Italië wordt het getal vrouwen, in oorlogsbedrijven werkzaam, geschat
op 130,000; in Engeland waren er in Juni 1915: 140,000 vrouwen in zulken
dienst, thans 700,000; sedert het begin van den oorlog tot einde April
1917 werden 1,256,000 mannen door vrouwen vervangen. In Duitschland kan
men eene raming opmaken uit het aantal verzekeringsplichtige leden der
ziekenkassen, en dan blijkt, dat er in Pruisen op 1 Mei 1914 verzekerd
waren 3,453,208 mannen en 1,825,703 vrouwen, maar op 1 Mei 1917 bedroeg
dat getal resp. 2,262,741 en 2,392,502, en in de andere Bondsstaten
is de verhouding desgelijks veranderd.[66] En van al deze vrouwen in
mannendienst wordt om strijd de moed en de volharding, het goed humeur
en de toewijding, het aanpassingsvermogen en de bekwaamheid geroemd.
Zelfs is het aantal ongevallen aanzienlijk verminderd, wijl de vrouwen
geen alkohol gebruiken en voorzichtiger zijn.[67]
[66] Sozial. Monatshefte 1917, Heft 15 bl. 801. Heft 18 bl. 920.
[67] Sozial. Monatshefte 1917, Heft 10 bl. 538.
Nu weet niemand, hoe de toestand in de maatschappij zich na den oorlog
ontwikkelen zal. De vrouwen zullen straks weer in vele bedrijven voor
de teruggekeerde of aankomende mannen plaats moeten maken, en ze zullen
dat zeker ook gaarne doen. Hoe loffelijk zij zich ook van haar taak
gekweten hebben, niemand zal van haar verlangen, dat zij haar arbeid in
de munitiefabrieken, bij den woningbouw, in het mijnwezen enz. zullen
voortzetten.
Maar dit is toch wel zeker, dat de beteekenis der vrouw in de
toekomstige maatschappij grootelijks toenemen zal; ten eerste
als arbeidskracht, want voor het vele werk, dat er na den oorlog
overal te doen zal zijn, zullen de vrouwen het gebrek aan mannelijke
arbeidskrachten moeten aanvullen; ten tweede als vrouw, want de
gedemoraliseerde maatschappij zal in den strijd tegen alcoholisme,
prostitutie, sexueele krankheden enz. in sterke mate behoefte gevoelen
aan de caritatieve en philanthropische werkzaamheden der vrouw; en ten
derde als moeder, want ze zal bij de oorlogvoerende volken meer dan ooit
gewaardeerd worden als instandhoudster en opvoedster van het toekomstig
geslacht. En daarmede zullen twee problemen een nog ernstiger karakter
aannemen, dan ze thans reeds bezitten, n.l. de loonregeling voor den
arbeid der vrouw en de vraag naar de vereenigbaarheid van gezinstaak en
beroep.
Voordat hierover een kort woord in het midden wordt gebracht, dienen
we echter eerst nog kennis te nemen van de min of meer vrije beroepen,
welke door de vrouwen in den tegenwoordigen tijd begeerd en uitgeoefend
worden.
8. DE VROUW EN HET BEROEP.
Meisjes en vrouwen uit de arbeiderskringen zien zich menigmaal
genoodzaakt, naar de fabrieken te gaan, om door bijverdiensten het
inkomen van het gezin te vermeerderen. Maar er zijn ook vele jonge
vrouwen in de burgerklassen en in de hoogere standen, die om andere
redenen een werkkring zoeken in de maatschappij. Wel is het aantal nog
groot van die vrouwen en dochters, die haar arme levens van dag tot dag
in ijdelheid of verveling doorbrengen, lusteloos en zonder doel. Maar er
heeft in de ziel van vele dezer vrouwen toch langzamerhand eene groote
verandering plaats. De vrouwenbeweging, welke in deze kringen opkwam, is
echter van die, welke bij de proletarische vrouwen zich voordoet, in
velerlei opzicht onderscheiden.
De laatstgenoemde beweging had haar voornaamste oorzaak in de
ontwikkeling der grootindustrie; de proletarische vrouw ging arbeid
zoeken in de fabriek, niet uit een verlangen naar bezigheid, maar
hoofdzakelijk uit nood, om de inkomsten van het gezin te vermeerderen.
Zoodanige arbeid werd trouwens door haar niet eerst tengevolge van de
grootindustrie verricht, maar van oude tijden af was ze met dergelijke
werkzaamheden in of buiten haar huis belast. Tot in de 12e en 13e
eeuw werd de textielarbeid door de vrouwen in huis bedreven, maar met
de ontwikkeling van de techniek en de toenemende arbeidsverdeeling
werd het weven gildehandwerk, dat niet alleen door de vrouwen van de
meesters, maar ook door een aantal ongehuwde en gehuwde helpsters werd
uitgeoefend. Toen de fabrieken opkwamen, nam dit aantal vrouwen nog
toe; reeds in 1788 arbeidden 59000 vrouwen in de Engelsche en Schotsche
fabrieken, en de grootindustrie gaf aan het getal arbeidende vrouwen
eene grootere uitgebreidheid en richtte reusachtige fabrieken op, waar
geheele scharen vrouwen als kudden binnenstroomden. Deze vrouwen uit
de arbeiderskringen bekommerden zich niet om abstracte, feministische
theorieën, en werden niet gedreven door eenige emancipatiezucht, maar
ze werkten, omdat de nood des levens er haar toe dwong. Proletarische
vrouwenarbeid en feminisme hebben daarom weinig met elkander te
doen.[68]
[68] Zie het praeadvies van Mej. Dr. C. E. VAN DORP in: Praeadviezen
over De maatschappelijke beteekenis van den arbeid der gehuwde
vrouw, en de houding, door de Overheid aan te nemen tegenover dat
vraagstuk, uitg. door de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en
de Statistiek, 's Grav. Nijhoff 1910, bl. 130, 141.
Aan de burgerlijke vrouwenbeweging is van huis uit een ander streven
eigen. Terwijl de proletarische vrouwen volstrekt niet van de
huishouding afkeerig zijn, maar juist in den loonarbeid eene slavernij
zien, waarvan zij liefst bevrijd zouden willen worden, klagen de
vrouwen uit de kringen der kleinere en hoogere burgers juist over de
„slavernij der huishouding” en zoeken vrijheid en zelfstandigheid in
den beroepsarbeid, hetzij in de vrije beroepen van kunst en wetenschap,
hetzij in de meer vaste betrekkingen bij onderwijs, post, telegraphie
enz. Deze vrouwen zijn, min of meer onder invloed van de denkbeelden
der Fransche Revolutie, zichzelve bewust geworden; zij voelen zich
zelfstandige personen, wier eer het te na komt, om lijdelijk op den man
te wachten, die haar zijne hand biedt; haar gemoed komt er niet minder
tegen in opstand, om heel haar leven haar ouders of familieleden tot
last te zijn; en zoo streven ze ernaar, om in de maatschappij eene
eigene plaats in te nemen, en door eigen verdiensten in haar onderhoud
te voorzien.
Hierbij komt nog het besef, dat de hedendaagsche maatschappij met hare
vele nooden en ellenden aan de vrouwelijke krachten behoefte heeft, en
dat dus de vrouwen zich niet langer mogen beschouwen als op zichzelf
staande individuën met egocentrische belangen, maar zich moeten gaan
gevoelen als „gemeenschapswezens, verantwoordelijke staatsburgeressen”,
die eene sociale roeping te vervullen hebben. Meer en meer dringt deze
overtuiging ook tot de gehuwde vrouwen door; ook zij stellen zich met de
vervulling van hare huiselijke en moederlijke plichten niet tevreden,
maar nemen veelal een of anderen philanthropischen of socialen arbeid
ter hand. Ze richten Vereenigingen op, houden vergaderingen, treden
in het openbaar als spreeksters op, en behartigen de belangen van
zuigelingen, kinderen, ongehuwde moeders, van armen, kranken, gevangenen
enz. Er is een machtige drang, die de vrouwen van dezen tijd beweegt, om
een deel van haar tijd en haar kracht aan anderen arbeid dan dien van
het eigen gezin te wijden; de vrouw neemt steeds breeder plaats in het
maatschappelijke leven in.
Dat vele dochters uit den burgerstand eene betrekking zoeken of voor
een beroep zich laten opleiden, heeft voor een deel zeker zijne oorzaak
in de vermindering der huwelijkskansen. In de _Studies in Volkskracht_
schreef Mr. FALKENBURG indertijd eene brochure over de huwelijkskansen
der vrouwen, en kwam daarin tot de conclusie, dat de bewering omtrent
de vermindering van de huwelijkskansen der vrouw in Nederland, geene
bevestiging vindt in de feiten en daarom naar het rijk der legenden
verwezen moest worden. En werkelijk is de vermindering van het aantal
huwelijken in ons vaderland op zichzelf genomen zoo groot niet; eene
kleine daling begon in het jaar 1873, maar maakte daarna in 1888 en de
volgende jaren voor eene geringe, doch vrij regelmatige stijging plaats,
herhaalde zich echter weer sedert het jaar 1901; in 1901 werden er
40.261 huwelijken op de 5.221.180 inwoners gesloten (dat is 7.71 op de
1000 zielen) en in 1915: 42.651 op de 6.394.538 (dat is 6.67 op de 1000
zielen).[69]
[69] Jaarcijfers over 1915 bl. 11.
Maar tegenover Mr. FALKENBURG merkte de Heer F. VAN DER GOES terecht
op, dat men niet eenvoudig moet blijven staan bij de opgave van het
aantal huwelijken in de opeenvolgende jaren, doch ook letten moet op de
kringen en standen, waarin deze huwelijken gesloten worden. En dan leert
de statistiek, dat de daling van het aantal huwelijken niet voorkomt
in de arbeiderskringen, waar men in den regel vroeg trouwt, door het
huwelijk vanwege de bijverdienste der vrouw menigmaal zijne positie
verbetert, en niet zoo hooge eischen aan het leven stelt. Anders is het
echter in de meer gegoede kringen gesteld. Daar trouwt men gewoonlijk
veel later, stelt men veel meer op een voldoend inkomen en op een
onbezorgd leven prijs. In deze standen neemt nu het aantal ongehuwde
vrouwen wel terdege toe, en verminderen de huwelijkskansen. Daarbij komt
nog, dat er over het algemeen meer vrouwen dan mannen zijn (in 1909 in
ons land 2.899.125 mannen en 2.959.350 vrouwen); dat vele mannen dikwerf
eerst op lateren leeftijd in het huwelijk treden, zoodat het aantal
weduwen steeds toeneemt, en dat het aantal vrijwillige ongehuwden steeds
grooter wordt. Dit alles verklaart, dat een steeds grooter aantal
vrouwen een beroep gaat uitoefenen. Eene beperkte mate van welstand
schijnt aan de vermeerdering der huwelijken niet bevorderlijk te
zijn.[70]
[70] F. VAN DER GOES, art. Huwelijkskansen, in de Kroniek van P. L. Tak
18 Maart 1905.
In sommige beroepen is de vermeerdering van het aantal vrouwen al
bijzonder opmerkelijk; zoo bijv. bij post, telegraphie en telephonie,
voor welken dienst ze door haar scherp oog, fijn gehoor, duidelijke
spraak, geoefende hand en taai geduld bij uitnemendheid geschikt zijn,
maar inzonderheid bij het lager onderwijs. In de V. Staten van Amerika
is dit al schier geheel in handen der vrouwen gekomen, wijl de loonen te
laag zijn voor de mannen, die in andere beroepen het veel verder kunnen
brengen. Maar ook in ons land gaat het meer en meer dien kant uit.
In 1860 waren er nog maar 20 onderwijzeressen tegen 100 onderwijzers;
maar in 1890 was die verhouding al 35 tegen 100, en in 1912: 60 tegen
100. Bij de scholen met den Bijbel waren er in 1854: 289 mannelijke
en 12 vrouwelijke leerkrachten, dat is 4 vrouwen tegen 100 mannen,
maar in 1900 was de verhouding al 25, en in 1915: 45 vrouwen tegen
100 mannen[71]. Bij het examen voor de hoofdakte in 1917 boden zich
aan 1456 mannelijke adspiranten, waarvan 182 zich terugtrokken, 549
werden afgewezen en 725 werden toegelaten, dus nog geen 50 perc.;
van de vrouwelijke adspiranten kwamen er 1879 op, waarvan 211 zich
terugtrokken, 691 werden afgewezen, en 977 werden toegelaten, dus ruim
52 percent.
[71] WIRTZ, Onbevredigende Bevrediging. Meppel 1916 bl. 33 v.