der achttiende eeuw te danken is en toch niet onbepaald te veroordeelen
is; en dat is de ontwaking bij de vrouw tot zelfbewustzijn en gevoel van
eigenwaarde[48]. Wel is deze ontwaking in de vrouwenwereld lang zoo diep
niet doorgedrongen als in de kringen der arbeiders; en ook is buiten
kijf, dat ze hier en daar hare schaduwzijde vertoont; zij brengt licht
zelfverheffing, verwerping van alle gezag, omkeering van alle orde mede.
Maar dit alles neemt niet weg, dat met die ontwaking tot zelfbewustzijn
een proces is begonnen, dat zich doorzet en niet te keeren is. Men kan
het betreuren, maar doet het daarmede niet te niet. Het is echter niet,
in elk geval, niet in ieder opzicht te betreuren, evenmin als de opkomst
der vrije burgerij tegenover adel en geestelijkheid in de Middeleeuwen,
als de wording van ons volk in den strijd tegen Spanje, als de
vrijmaking van den Christenmensch door de Reformatie. De bewustwording
der vrouw vormt eene belangrijke periode in de geschiedenis der
menschheid, waarvan de strekking en de gevolgen nog lang niet zijn te
overzien, maar die op zichzelve reeds zoo ernstig en gewichtig is, dat
ze, in plaats van hooghartige minachting, aller belangstelling verdient.
[48] Mrs. FRANCIS SWINEY, Het ontwaken der vrouw of de rol der vrouw
in de evolutie der menschheid, vertaald door MARTINA G. KRAMERS.
Almelo Hilarius 1902.
Men moet zich ook niet vleien met de hoop, dat ze, als eene wolk aan den
helderen hemel, spoedig voorbijdrijven of verdwijnen zal. Juist omdat ze
een keer in het bewustzijn, eene verandering in de zielsgesteldheid der
vrouw betreft, zal ze steeds verder om zich grijpen en steeds dieper
indringen in alle klassen der maatschappij. Bewijzen worden ons daarvoor
geleverd van dag tot dag. De meisjes uit den werkmansstand schamen zich
voor den naam, de kleeding en het werk eener dienstbode en zoeken eene
betrekking in magazijn of fabriek, op atelier of kantoor. De dochters
uit den burgerstand hebben nauwelijks de lagere school verlaten, of ze
gaan aan het overleggen, wat ze later in de maatschappij zullen worden
en waarvoor zij zich zullen laten opleiden; zij willen niet lijdelijk
op de komst van een man blijven wachten en hebben van huishoudelijke
werkzaamheden een afkeer. Als ze verloofd zijn en straks in het huwelijk
zullen treden, voelen zij bezwaar tegen de belofte, om—gelijk het in het
huwelijksformulier der Geref. kerken luidt—om haren mannen onderdanig
te zijn, gelijkerwijs Sara haren man Abraham gehoorzaam geweest is, hem
noemende heere. En in het huwelijk voelen de vrouwen zich hoe langer hoe
minder geneigd, om altijd maar stil en gehoorzaam en gewillig te zijn;
de processen over echtscheiding leveren daarvan gansch andere
voorbeelden.
Nu kan men wel zeggen, dat dat alles lijnrecht tegen de Schrift
ingaat. Maar men dient daarbij toch te onderscheiden. Het bovengenoemde
huwelijksformulier beperkt de gehoorzaamheid van de vrouw aan den man
in het huwelijk tot de dingen, die recht en billijk zijn, en wijst niet
alleen de vrouw, maar ook den man op zijne heilige en dure plichten; het
houdt aan beiden het Woord Gods voor. En dat Woord legt in de eerste
plaats aan den man den plicht der liefde op, en maakt daardoor voor de
vrouw den plicht der gehoorzaamheid in alle dingen, die recht en billijk
zijn, licht. En voorts moet men hier, evenals bij de vermaningen tot de
heeren en de dienstknechten, onderscheid maken tusschen inhoud en vorm,
tusschen kern en schaal. In de Schrift wordt de verhouding van Overheid
en onderdanen, meesters en slaven, ouders en kinderen, man en vrouw op
ééne lijn gesteld en op dezelfde wijze behandeld.
Toch zijn deze verhoudingen, ook naar de leer der Schrift zelve,
onderling zeer verschillend, en in den loop der tijden ook sterk
gewijzigd. Wij staan thans tegenover eene constitutioneele Regeering
heel anders, dan de burgers van het Romeinsche rijk tegenover den
Keizer; wat toen ongehoorzaamheid en opstand zou geweest zijn, is het
thans dikwerf niet meer. Zelfs zien wij in den tegenwoordigen tijd de
monarchieën meer en meer voor republieken plaats maken; het schijnt,
dat koning- en keizerschap haar tijd hebben gehad; de volken willen
zichzelf regeeren. Afgezien van de wijze, waarop deze zelfregeering
menigmaal tot stand komt, en vooral losgemaakt van het beginsel der
volkssouvereiniteit, dat er meestal aan ten grondslag ligt, is er
toch op zichzelf niets tegen, dat het volk in den naam Gods zijne
eigene overheid kiest. Zoo is er ook eene groote verandering gekomen
in de verhouding van heeren en knechten; in vroeger tijd hield men
de ondergeschiktheid van slaven aan hunne meesters voor volkomen
natuurlijk; er waren, naar men meende, van nature vrijen en slaven; de
slavenhouders in de Zuidelijke Staten der Amerikaansche Unie hielden
het er voor, dat de heerschappij van den blanke over den zwarte door
God was gewild. Thans zijn onze dienstknechten (arbeiders, werklieden,
werknemers) geen slaven of lijfeigenen of hoorigen meer, maar vrije
burgers, die in den dienst vrijwillig tot gehoorzaamheid zich
verplichten; en deze gehoorzaamheid wijzigt zich weer, naarmate de
dienst verschilt. Op dezelfde wijze sloot de vaderlijke macht oudtijds
het recht in, om zijne kinderen te vondeling te leggen, ten huwelijk te
geven, te verkoopen en zelfs te dooden; maar deze macht is langzamerhand
beperkt en thans maar eene schaduw meer van wat ze vroeger was. Gezag en
onderwerping kunnen nooit principiëel te niet worden gedaan, omdat eene
geordende maatschappij zonder deze niet bestaanbaar is, maar ze staan
toch lang niet zoo scherp tegenover elkaar als in vorige tijden; ze
naderen elkaar en komen tot zeker vergelijk.
Op analoge manier heeft er ook eene verandering plaats gegrepen in de
verhouding van man en vrouw in het huwelijk. De man was in de oudheid
en is nog bij vele volken de heer, de eigenaar van zijne vrouw, die met
haar handelen kan naar welgevallen, ze wegzenden en tot zich nemen, in
sommige gevallen zelfs dooden kon. Dit recht van den man sloot zeker
allereerst den plicht tot onderhoud en bescherming in, en werd voorts
door de natuurlijke liefde van man en vrouw, door zeden en gewoonten
beperkt; maar het bestond toch en leidde menigmaal tot onderdrukking
der vrouw. Maar ook hier hebben Christendom en beschaving verzachtend
ingewerkt, de macht van den man beteugeld, de zelfstandigheid der vrouw
bevorderd. Men kan tot zekere hoogte zeggen, dat de vooruitgang der
beschaving haar maatstaf vindt in de positie, welke de vrouw onder een
volk inneemt, indien men daarbij maar in het oog houdt, dat men evengoed
door overdrijving als door gebrek dwalen kan.
In het algemeen gesproken, zijn de zeden in den loop der geschiedenis
bij alle beschaafde volken verzacht. Wij houden er geen folterwerktuigen
meer op na, verbranden geen heksen meer, en behandelen krankzinnigen
niet meer als misdadigers. Overal en op elk gebied wordt de waarde en
het recht der persoonlijkheid beter dan vroeger erkend. Terwijl in de
oude staten de gemeenschap op den voorgrond stond en met onbeperkte
macht over hare leden heerschte, heeft langzamerhand de individu zich
vrij gemaakt en wenscht zelfstandig naar eigen inzicht te leven,
geestelijk en lichamelijk zichzelf te zijn. Het zij nog eens gezegd,
dat aan dit ontwaken der persoonlijkheid ernstige gevaren verbonden
zijn; rechtmatige individualiteit slaat gemakkelijk tot individualisme
en egoïsme over, gelijk de philosophie van MAX STIRNER en FRIEDRICH
NIETZSCHE bewijst. Maar we hebben in dezen gang van zaken met een
historisch proces te doen, dat wij leiden, maar niet keeren kunnen. En
in het licht der historie beschouwd, moet het geene verwondering baren,
dat ook de vrouwen buiten en in het huwelijk zich allengs van hare
persoonlijkheid bewust worden en voor haar eigen rechten gaan pleiten.
De ziel der vrouw is ontwaakt, en geene macht ter wereld brengt haar
terug tot de onbewustheid van weleer.[49]
[49] In zijn boek: Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil
worden, Nijmegen Malmberg 1917, bl. 34, zegt Dr. VAN GINNEKEN:
O, het bewustworden weet wat tegenwoordig! En ik zou niet graag
de verantwoordelijkheid voor al die ontevredenheid-kweekende
modebewustheid onzer dagen mee in het graf nemen. Maar dit kunnen
wij eruit leeren, dàt hebben de volksmenners heel goed begrepen:
dat het bewustzijn eigenlijk de éénige werkelijke oerkracht is in
het leven van de maatschappij, dat ook hier de ziel overwint, en
één bewuste meer waard is dan honderd onbewusten.
6. DE VROUW EN HET BURGERLIJK RECHT.
Toch neemt onze wetgeving nog veelszins het oude standpunt in, d. i. het
standpunt van den Code civil, die in 1804 door Napoleon in Frankrijk
ingevoerd werd en waarin o. a. deze beginselen voorkwamen, dat het
onderzoek naar het vaderschap verboden is, dat de man de wettige
voogd der vrouw is en de vrouw geen eigendom bezit, dat de vrouw geen
wettelijk recht heeft op hare kinderen, dat vrouwen alleen voogd kunnen
worden van haar eigen kinderen en kleinkinderen, dat eene vrouw niet als
getuige mag optreden bij den burgerlijken stand, dat de man zijne vrouw
mag dooden, als hij ze op de daad van overspel betrapt, dat de vrouw
geen burgerlijke en geen politieke rechten bezit. Napoleon achtte de
vrouw alleen goed, om kinderen te baren, en dat komt ook in zijne
wetgeving uit. Hier te lande werd deze Code civil, ingevoerd onder de
regeering van Napoleon, wel bij wet van 16 Mei 1829 afgeschaft, maar
het nieuwe Burgerlijk Wetboek behield de meeste van deze bepalingen,
zoodat met het opkomen der vrouwenbeweging oppositie niet uitblijven
kon. De geschiedenis der Nederlandsche wetgeving verhaalt dan ook van
vele veranderingen, die te dezer zake in het Burgerlijk Wetboek zijn
aangebracht, en die alle de strekking hebben, om aan de vrouw meerdere
zelfstandigheid toe te kennen.[50]
[50] Mr. E. FOKKER, De maatschappelijke en de rechtstoestand der vrouw
in Nederland in 1896. Amsterdam, van Looy (uitgave van het „Nut”).
Mevr. Mr. A. E. VAN DEN HOEK-KOK, De privaatrecht. positie van de
vrouw, in: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I
622–638 en Mr. E. FOKKER, De staatsrecht. positie der vrouw, ald.
639–654. Wetsartikelen en Kon. Besluiten, waaruit blijkt, dat de
Vrouw reden heeft over achterstelling te klagen en op herziening
of intrekking daarvan aan te dringen (uitgave van de Vereeniging
voor vrouwenkiesrecht en van de Vereeniging ter behartiging van
de belangen der vrouw). STUART MILL handelt over dit onderwerp
in het 2e hoofdst. van zijne Slavernij der vrouw, bl. 40, maar
heeft Engelsche toestanden op het oog, die door latere wetten
aanmerkelijk verbeterd zijn, bl. 42 noot.
In het Burgerlijk Wetboek, art. 342, 1e lid was het onderzoek naar
het vaderschap verboden; maar bij wet van 16 Nov. 1909, in werking
getreden 15 Dec. 1909, werd deze bepaling geschrapt, zoodat er thans
een actie tegen den vader kan worden ingesteld, ten behoeve van het
kind tot vordering van levensonderhoud, en ten behoeve van de moeder
tot vergoeding van de kosten van bevalling tot zes weken daarna. Vooral
de Kinderwetten van 6 Febr. 1901, ingevoerd 1 Dec. 1905, bevattende
wijziging en aanvulling van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek
omtrent de vaderlijke macht en voogdij, brachten groote verandering aan.
Terwijl de vrouw vroeger niet optreden mocht bij voogdij, curateele, als
getuige voor den rechter inzake de belangen van minderjarigen, voerden
de Kinderwetten eene bijna volkomene gelijkstelling van man en vrouw in.
Eene ongehuwde vrouw mag voogdes en curatrice zijn; eene gehuwde vrouw
eveneens, maar met toestemming van haar man; beide, gehuwde en ongehuwde
vrouw, mogen door den rechter over familieleden worden gehoord; zelfs
heeft de vrouw boven den man voor, dat zij de voogdij of curateele
weigeren kan.
Volgens art. 160, 161, 163 B. W. is de man het hoofd der
echtvereeniging; de vrouw is aan haar man gehoorzaamheid verschuldigd,
moet hem volgen waar hij zijne woning wil vestigen, staat haar vermogen
tot beheer aan den man af, tenzij bij huwelijksche voorwaarden vóór
het sluiten van den echt anders bedongen is, en kan niets geven,
vervreemden, verpanden, verkrijgen zonder bijstand of toestemming van
den man. Volgens art. 353–355 staan kinderen onder de macht hunner
ouders, maar de vader oefent deze „ouderlijke” macht uit, en de moeder
dan alleen, als de vader buiten de mogelijkheid verkeert, om ze uit
te oefenen. Ook hierbij bewoog de wetgever zich in de richting van
gelijkstelling van man en vrouw. In art. 195 en elders werd de
vaderlijke macht door de ouderlijke macht vervangen. Terwijl de man
vroeger vanzelf curator was over zijne vrouw, maar de vrouw over den
man alleen, als ze daartoe benoemd werd door den Kantonrechter, stelde
art. 505 man en vrouw thans in curateele over elkander gelijk. Doordat
overal, waar in het B. W. sprake was van de uitoefening der ouderlijke
macht door den vader, de vader vervangen is door: hij die de ouderlijke
macht uitoefent, is daaronder ook de moeder begrepen. Hierdoor kan
thans ook de moeder, als zij alleen de ouderlijke macht uitoefent, de
goederen van hare minderjarige kinderen beheeren en genieten van het
vruchtgebruik. Tevens moet thans, volgens art. 92, vóór het aangaan van
een huwelijk tusschen minderjarige echte kinderen, de toestemming van de
moeder niet alleen gevraagd, maar evenals die van den vader verkregen
zijn. In het algemeen rust de macht over het kind niet meer bij den
vader alleen, of, bij diens ontstentenis, bij de moeder, maar ze komt
aan beide ouders gezamenlijk toe, en wordt door beide uitgeoefend.
Moeilijk is de regeling van het huwelijksgoederenrecht. Vroeger
golden de bepalingen onbeperkt, dat de man het gansche vermogen van
het gezin, ook dat van de vrouw beheerde, en er mede doen kon, wat
hij wilde. Alleen had de vrouw het recht, om huishoudelijke inkoopen
en uitgaven te doen, en rekeningen te laten betalen door den man; de
wet onderstelt, dat zij daarvoor de bewilliging van haren man heeft
bekomen, B. W. art. 164. Ook kan de vrouw vóór het sluiten van den echt,
huwelijksche voorwaarden bedingen, waarbij het beheer harer roerende
en onroerende goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten
aan haar verblijft, art. 195 2e al. Van dit laatste recht wordt echter
weinig gebruik gemaakt. In een praeadvies over de vraag: is het
wenschelijk, het beginsel onzer huwelijkswetgeving van wettelijke
gemeenschap van goederen te behouden, voor de vergadering der Nederl.
Juristenvereeniging in 1904, deelde de Heer CH. MISEROY mede, dat van
de 40,071 in het jaar 1902 gesloten huwelijken, slechts 1483 gesloten
waren met huwelijksche voorwaarden, dat is slechts 3.70%, en van de
jonggehuwden in _eersten_ echt, 35077 in getal, slechts 1142, dat is
3.25%[51]. Blijkbaar ziet men tegen het aangaan van zulke voorwaarden,
kort vóór het sluiten van den echt, als een bewijs van wantrouwen op.
Over de toekomstige regeling van het huwelijksgoederenrecht zijn
trouwens de juristen en notarissen het volstrekt niet eens; sommigen
pleiten voor geheele scheiding zooals in het Romeinsche en tegenwoordig
bijv. in het Engelsche recht, anderen voor gemeenschap van goederen als
eisch van de volle levensgemeenschap der echtgenooten, zooals in het
Germaansche recht, nog anderen trachten de gemeenschap van goederen te
handhaven, maar zoo, dat de beheersbevoegdheid van den man ingekrompen
en de beschikkingsbevoegdheid der vrouw uitgebreid wordt[52].
[51] Handelingen van de Nederl. Juristenvereeniging 1904 bl. 246.
[52] Verg. de adviezen van Mr. A. LEVY en CH. MISEROY en de discussies
op de Vergadering der Nederl. Juristenvereeniging 1904 I, bl.
137–298 en II. 1–109. De vraag, of algeheele gemeenschap van
goederen regel moet blijven, werd met 41 tegen 18 stemmen
ontkennend beantwoord, en die, of uitsluiting van alle gemeenschap
regel moet zijn, met 35 tegen 24 stemmen eveneens ontkennend
beantwoord.
Intusschen is de wetgever voortgegaan, om ook te dezer zake het recht
der gehuwde vrouw uit te breiden. De Rijkspostspaarbankwet gaf aan
de vrouw het recht, spaarbankboekjes aan te leggen; de Kinderwetten
maakten de gehuwde voogdes evenals de ongehuwde, tot alle handelingen
betreffende de voogdij bevoegd en deswege aansprakelijk, B. W. art.
387b; en de wet op de Arbeidsovereenkomst van 15 Juli 1907 verleende aan
de gehuwde vrouw het recht, om eene arbeidsovereenkomst aan te gaan en
over het loon ten bate van het gezin te beschikken, B. W. art. 1637. Op
deze wijze wordt de goederengemeenschap in het huwelijk meer en meer
beperkt, en de vrouw tegenover den man zelfstandig gemaakt. Toch hebben
al deze veranderingen weinig tegenstand ondervonden; ze zijn door
de meerderheid als verbeteringen begroet, en bereiden den weg voor
andere, meer beslissende, wijzigingen voor. Niet weinigen zijn er,
die de gemeenschap des huwelijks zelfs in een privaat contract willen
veranderen, dat men ieder oogenblik aangaan en verbreken kan buiten den
wetgever om, en die daarom voorshands aandringen op eene
vergemakkelijking der echtscheiding[53].
[53] De echtscheidingen nemen onrustbarend toe; in 1900/9 bedroegen zij
op de 1000 huwelijken 0.76, in 1910–14: 0.95, in 1915: 1,08, in
1916: 1,26. Verg. Verruiming van echtscheidingsgronden: Pro Mr. J.
P. A. LEVY, Contra Mr. H. VERKOUTEREN, Baarn, Hollandia. Ook Jhr.
Mr. W. H. DE SAVORNIN LOHMAN, Huwelijk en Echtscheiding 1913.
In hoeverre de oorlog op de burgerrechtelijke positie der vrouw invloed
zal hebben, valt thans nog moeilijk te zeggen. Maar opmerkelijk is toch,
dat juist in dezen tijd, waarin zoovele huisgezinnen uiteengeslagen
worden en overspel bij mannen en vrouwen in sterke mate toeneemt,
in Engeland eene sterke beweging gaande is, om de echtscheiding te
vergemakkelijken, de gronden daarvoor uit te breiden, en ook in deze
zaak aan de vrouw gelijke rechten toe te kennen als aan den man[54].
De Duitsche novelle van 4 Aug. 1914 verleende aan de onechte kinderen
der soldaten dezelfde oorlogsondersteuning als aan de uit een wettigen
echt geborene, en beweegt zich in dezelfde richting als de 1 Jan. 1916
in Noorwegen in werking getreden wet, volgens welke het onechte kind
verschillende voorrechten van het echte verkrijgt[55]. In Rusland
voerde de maximalistische regeering het burgerlijk huwelijk in, stelde
de onechte kinderen met de echte gelijk, en breidde de gronden van
echtscheiding uit. Nog merkwaardiger is de hervorming, door de Turksche
regeering onlangs in de huwelijkswetgeving aangebracht, want daarbij
werd een burgerlijke stand opgericht, het verplichte burgerlijke
huwelijk en de verplichte openbare afkondiging ingevoerd, het recht
van den man, om zijne vrouw te verstooten, beperkt, de gronden voor
echtscheiding vastgesteld, de echtscheiding alleen mogelijk gemaakt na
een proces, het huwelijk aan meisjes beneden 10, aan jongens beneden 13
jaren verboden, en ook de polygamie eenigermate tegengegaan[56].
[54] N. Rott. C. 9 Oct. 1917 en verv.
[55] Sozial. Monatshefte Heft 15, 1917 bl. 798. Het bericht in het
_Handelsblad_ 18 Nov. 1917 aangaande de Ersatz-zedelijkheid (dat
is, de raad, in eene veel-verspreide brochure gegeven, om ter
vermeerdering van de bevolking bigamie in te voeren) is later
tegengesproken.
[56] N. Rott. C. 5 Dec. 1917 Ocht. A.
7. DE VROUW EN DE ARBEID.
Niet minder ernstig dan _in_ het huwelijk, wordt _vóór_ en _buiten_ het
huwelijk door de vrouw naar zelfstandigheid gestreefd, wijl hierbij niet
alleen het ontwaakte zelfbewustzijn, maar ook de sociale toestanden van
den nieuwen tijd hun invloed deden gelden. Natuurwetenschap, industrie
en techniek hebben de gedaante der maatschappij veranderd, en ook het
huisgezin vervormd. In oude tijden was het huisgezin een afgesloten
en zelfstandig geheel; man, vrouw, ouders, kinderen, grootouders en
kleinkinderen, slaven en slavinnen, samenwonende op hetzelfde erf,
maakten de ééne familie uit; het voorzag zelf in al zijne behoeften aan
spijze, drank, deksel, kleeding, huisraad enz. en oefende zelf in eigen
kring allerlei bedrijven uit; de vrouwen waren daarbij even productief
als de mannen, zij het ook in andere soorten van arbeid; zelden of
nooit gingen zij in huishoudelijke werkzaamheden en in de opvoeding der
kinderen op; zij verrichtten er steeds allerlei productieven arbeid op
het veld of in de werkplaats bij.
Maar langzamerhand heeft het huisgezin deze zelfstandigheid verloren;
het bakken, brouwen, weven, naaien, spinnen, timmeren, metselen enz.
zijn eigen bedrijven geworden; in de steden is het bezit van een eigen
huis en erf eene uitzondering geworden; duizenden gezinnen leven in
gehuurde woningen, verhuizen van jaar tot jaar, wisselen telkens van
huisraad en kleeding, en hechten zich nergens meer aan; het huisgezin
heeft in vele gevallen zijn eigen karakter en stijl verloren; de oude
patriarchale familie is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor het
moderne gezin, dat almeer van de banden van het feudale régime zich
bevrijdt. Dit proces is door de moderne cultuur sterk bevorderd; de
groot-industrie heeft tal van werkzaamheden, die vroeger tot het
huisgezin behoorden, naar de fabrieken overgebracht; de nieuwe woningen
bieden geen woonplaats meer voor groote gezinnen, geen gelegenheid meer
voor de groote wasch, geen kelder meer voor den inmaak, geen bergplaats
meer voor kolen of brandhout; alwat het huisgezin voor zijn bestaan
behoeft, krijgt het dagelijks van buiten, beter en goedkooper dan het
zelf daarin kan voorzien. De zelfstandigheid van het gezin heeft voor
afhankelijkheid van de maatschappij plaats gemaakt, evenals op hunne
beurt dorp en stad en land meer en meer in het wereldverkeer worden
opgenomen, eigen karakter verliezen en van de wereldproductie
afhankelijk worden gemaakt.
Gevolg van dit alles is, dat de vrouwen voor een deel van hare eigene
werkzaamheden in het gezin werden beroofd en elders bezigheid zochten.
In de lagere kringen des volks dreef echter niet emancipatiezucht of
behoefte aan arbeid, maar de _nood_ de vrouwen met de mannen naar
de fabrieken en werkplaatsen. De machine nam in zekeren zin den
arbeider het werk uit de handen, maar gaf het hem in anderen vorm in de
fabrieken terug, in den vorm menigmaal van eentonigen, geestdoodenden,
machinalen arbeid. Naarmate daarbij het wereldverkeer toenam, de
afzetgebieden vermeerderden en de productie steeg, kwam er behoefte aan
arbeidskrachten; en hiervoor konden allen, mannen, vrouwen, knapen,
meisjes gebruikt worden, want bekwaamheid was geen vereischte meer,
nu de machine den arbeid verrichtte; de grootte van het aanbod van
arbeidskrachten hield de stijging der loonen weer tegen, en het lage
loon dreef vrouwen en meisjes in steeds grooter getale heen naar de
fabriek. Door allerlei wettelijke bepalingen en sociale maatregelen is
er toen wel in den droeven toestand, zooals die omstreeks het midden der
vorige eeuw bestond, belangrijke verbetering aangebracht. Maar het feit
blijft bestaan, dat fabrieken, werkplaatsen, magazijnen, ateliers,
kantoren, winkels enz. vol zijn van vrouwelijke arbeidskrachten. De
vrouw behoort in het huisgezin—is een mooie leus, maar de werkelijkheid
drijft er dikwerf den spot mede.