ook in de mobiliseerende landen, moesten de vrouwen den arbeid van de
mannen overnemen. In eens werden alle beroepen en bedrijven voor haar
opengesteld, niet alleen de dienst bij het Roode Kruis en in allerlei
werken van barmhartigheid, maar ook die van koetsiers, conducteurs,
postbestellers, in landbouw, nijverheid, mijn- en bouwbedrijf,
munitiefabrieken enz. En in al dien arbeid hebben ze zich, tot in de
kleeding toe, aan de nieuwe omstandigheden aangepast en buitengewone
praestaties geleverd. Zoo is in wijden kring het oordeel over de vrouw,
over hare positie in de maatschappij, over haar gaven en ook over het
vrouwenkiesrecht gewijzigd.
Nergens kwam dit duidelijker dan in Engeland aan den dag. Vroegere
tegenstanders, zooals ASQUITH, gaven zich gewonnen, en menigeen was
blij, dat de quaestie op deze wijze tot eene oplossing kwam. Eenige
maanden geleden sprak het Parlement zich met groote meerderheid ten
gunste van het vrouwenkiesrecht uit, en den 7 Dec. l.l. nam het
Lagerhuis een wetsvoorstel aan, waarbij het kiesrecht eene belangrijke
uitbreiding ontving en o. a. ook verleend werd aan vrouwen boven de
dertig jaren, met inbegrip van vrouwen van kiezers, terwijl haar
tevens het gemeentelijk kiesrecht werd verleend. Den 10 Jan. l.l.
hechtte ook het Hoogerhuis aan dit wetsvoorstel zijne goedkeuring met
134 tegen 71 stemmen; vele leden, die ertegen waren, onthielden zich
van stemming, ten einde een conflict met het Lagerhuis te vermijden.
Maar de aartsbisschoppen van Canterbury en York en alle aanwezige
twaalf bisschoppen stemden voor. Dit resultaat van de actie voor
vrouwenkiesrecht heeft daarom te meer beteekenis, wijl tot dusver
over het algemeen nog slechts kleinere staten het vrouwenkiesrecht
hadden ingevoerd, thans echter met Engeland ook de grootere staten dit
voorbeeld gaan volgen. Zoo kwam enkele weken geleden ook uit Amerika het
bericht, dat de staat New-York eveneens met groote meerderheid zich voor
het vrouwenstemrecht had verklaard, terwijl het Ministerie-WEKERLE bij
de Hongaarsche Kamer een wetsvoorstel indiende, dat het kiesrecht o. a.
ook verleenen wil aan vrouwen, die met goed gevolg de vierde klasse
eener burgerschool hebben doorloopen, die sinds twee jaren werkend
lid zijn van eene erkende wetenschappelijke, litteraire of artistieke
vereeniging, of aan oorlogsweduwen, die een of meer kinderen hebben.[40]
[40] Chr. N. in het Alg. Handelsblad Zondag 6 Jan. 1918.
Hier te lande was de Réveil voor de vrouwenbeweging in zooverre van
belang, als hij voor de godsdienstige en zedelijke ellenden in de
maatschappij de oogen opende, in ruimen zin tot evangeliseerenden en
philanthropischen arbeid aanspoorde en niet alleen mannen, maar ook
vrouwen opwekte, om zich te vereenigen en de belangen zich aan te
trekken van arbeidsters en dienstboden, weezen en weduwen, gevallen
meisjes en vaderlooze kinderen, zuigelingen en kraamvrouwen enz. Na de
bevrijdingsoorlogen heeft zich hier, evenals in andere landen, op het
gebied van barmhartigheid en menschenliefde eene actie ontwikkeld,
waarin vorstinnen op den troon, vrouwen uit de hoogere en uit de
lagere standen met elkander wedijverden, en die voor de hervorming der
maatschappij van groote beteekenis is geweest.
Maar de eigenlijke vrouwenbeweging had een anderen oorsprong. Ze kwam op
met den nieuwen, liberalen en radicalen geest, die in de vrouwenwereld
binnendrong en vooral door een man als MULTATULI bevorderd werd. BETSY
PERK en MINA KRUSEMAN waren de eerste strijdsters voor de vrijmaking en
verheffing der naar hare meening tot dusver onderdrukte vrouw, maar ze
vonden weinig sympathie voor haar streven en werden niet zelden met
spot overladen. Hierin kwam verandering door het optreden van Mej. W.
DRUCKER, die in Oct. 1889 de Vrije Vrouwenvereeniging stichtte, welke
bij geene politieke partij zich aansloot, maar in het algemeen voor de
economische en politieke rechten van de vrouw opkwam. De arbeid van
Mej. DRUCKER, die o. a. sterk aandrong op opheffing van het verbod van
onderzoek naar het vaderschap, en op eene vergadering te Heerenveen
20 Mei 1890 zich voor vrouwenkiesrecht verklaarde—wat toen nog een
storm van verontwaardiging verwekte—droeg er veel toe bij, om de
vrouwenbeweging hier te lande in breederen kring bekend te maken en
billijker te doen beoordeelen.
Maar de Vrije Vrouwenvereeniging met haar orgaan: _Evolutie_, onder
redactie van Mevr. W. DRUCKER en Mevr. BAERVELDT-HAVEN nam een te
radicaal standpunt in, dan dat ze aan velen behagen kon. Ze was naar
veler oordeel ultra- of revolutionair-feministisch, begeerde volkomen
gelijkstelling van man en vrouw, wilde de vrouw ook in het huwelijk
economisch zelfstandig maken, pleitte vóór het Neo-Malthusianisme, en
beschouwde den vrouwenstrijd als een strijd tegen den man. Daarom werd
er 5 Febr. 1894 eene andere Vereeniging opgericht, die den naam ontving
van Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en haar stichting dankte aan Mevr.
ALETTA JACOBS, de eerste vrouw, die hier te lande promoveerde (in de
medicijnen te Groningen 1879) en die door BETSY PERK en BETSY KRUSEMAN
hier te lande, en door BRADLAUGH, ANNIE BESANT e. a. in Engeland, kennis
maakte met de vrouwenbeweging.
Deze Vereeniging erkende het natuurlijk onderscheid van man en vrouw,
de rechten van moeder en gezin, en wilde niet revolutionair, maar
evolutionair verbetering aanbrengen in den toestand der vrouw. Maar
ze werd allengs zoo geestdriftig voor het algemeen vrouwenstemrecht
gestemd, dat ze haar oorspronkelijk, tegenover de politieke partijen
ingenomen neutrale standpunt prijsgaf en in 1899 zich aansloot bij het
Comité voor Algemeen Kiesrecht. Bovendien noodigde zij (zeer tegen den
zin van Mej. Dr. VAN DORP) eene Engelsche suffragette uit, om hier te
lande voor het vrouwenkiesrecht te pleiten, stelde in 1914 denzelfden
eisch als de S. D. A. P. en de Vrijz. Democr. Bond, nl. algemeen
stemrecht voor (mannen en) vrouwen, en zocht in 1915 steun, wel niet bij
de politieke partijen, maar toch bij het Ned. Vakverbond, dat steeds
handelt in overleg met de S. D. A. P., en dit zonder zelfs de leden er
over te raadplegen. De Vereeniging begon dus steeds meer politieke actie
voor het _algemeen_ (mannen en) vrouwenkiesrecht te voeren, en handelde
alzoo in strijd met de beginselverklaring der neutraliteit.
Deze verandering in den koers der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had
ten gevolge, dat den 27 Febr. 1907 onder leiding van Mej. Dr. E. C. VAN
DORP e. a. eene nieuwe Vereeniging werd opgericht, die den naam aannam
van Nederlandsche _Bond_ voor Vrouwenkiesrecht en in _De Ploeger_ haar
orgaan ontving. Deze Bond stelde zich op den grondslag van een, niet
revolutionair of evolutionair, doctrinair of rationalistisch, maar van
een _ethisch_ feminisme, verwierp daarom elke actie in den zin der
Engelsche suffragettes, onthield zich ook van inmenging in eenige
politieke actie, en wilde alleen een vereenigingspunt vormen voor mannen
en vrouwen, die vrouwenkiesrecht, hetzij alleen het actieve, hetzij
zoowel het passieve als het actieve kiesrecht voorstaan, en dus het
kiesrecht willen losmaken van geslachtsverschil. De Bond wil dus niet
de rationalistische strooming volgen, die uit de Fransche Revolutie
afkomstig is, uit het abstract principe van menschenrechten den eisch
van vrouwenstemrecht afleidt, en eerst eenigen concreten inhoud kreeg
door de economische veranderingen, die de 19e eeuw ook in het leven der
vrouw aanbracht. Maar hij sluit zich aan bij, en zoekt zijne kracht
in die beweging, welke opkwam uit het innerlijke wezen der vrouw
zelve, en haar deed streven naar individualiteit, persoonlijkheid,
zelfstandigheid, geestelijke ontwikkeling. Vandaar dat de Bond ook niet
streeft naar gelijkstelling van man en vrouw, veel minder een strijd
tegen den man voert, maar alleen zoekt naar den besten weg, waarlangs de
vrouw overeenkomstig haar eigen aard opgevoed en ontwikkeld kan worden,
in aansluiting bij moederschap en huishouden, waartoe zij in de eerste
plaats geroepen is.[41]
[41] Zie Mr. E. FOKKER in _De Ploeger_ van Juli 1916. Eene brochure:
Tweeërlei strooming, uitgegeven door den Nederl. Bond voor
Vrouwenkiesrecht. En ook: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het
Vrouwenvraagstuk I 302 v.
Behalve deze Bond, werd door uitgetreden leden van de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht ook nog opgericht De Neutrale, eene Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht, waarvan NINE MINNEMA te Hilversum de presidente
is. Zij kwam tot stand na de vergadering van de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht te Zwolle 14 Mei 1916, en noemde zich de Neutrale,
wijl ze strikte onzijdigheid in acht wil nemen tegenover alle politieke
partijen en godsdienstige richtingen, geen leden toelaat, die lid zijn
van eene politieke partij, en overigens zich ten doel stelt, om het
kiesrecht voor de vrouw te verwerven, op dezelfde voorwaarden als
voor den man. Met de Grondwetsherziening, die aan de mannen het
algemeen kiesrecht geeft en dit in de Additioneele artikelen tot in
bijzonderheden regelt, maar voor de vrouwen alleen de mogelijkheid van
het actieve stemrecht opent, is de Neutrale dan ook volstrekt niet
ingenomen; zij ijverde ertegen, zooveel zij kon.[42]
[42] Zie de brochure: Geen blinde volgelingen. NINE MINNEMA, Van Femina
en van Rood en Rose. Haar orgaan is _'t Hoefje_, Amsterdam
Marnixstraat 344.
Voorts bestaat er ook nog een Sociaaldemocratische Bond van
Vrouwen-propagandaclubs, waarvan Mevrouw WIBAUT voorzitster is, en die
geheel de leiding volgt van de S. D. A. P., met pl.m. 11000 leden; een
Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, die 26 Febr. 1908 werd opgericht en
waarvan de Heer W. E. A. MANSFELDT te Utrecht president werd enz. Vele
van deze vrouwenvereenigingen, meer dan 30 reeds in getal, sloten zich
aaneen in den Nationalen Vrouwenraad van Nederland, waarvan de statuten
laatstelijk werden goedgekeurd bij K. B. van 25 Juni 1912 en die Mevr.
H. VAN BIEMA-HIJMANS tot presidente koos.
De oprichting van dezen Nationalen Vrouwenraad van Nederland was een
gevolg van het bezoek van Mej. ALEXANDRA GRIPENBERG uit Finland aan de
Tentoonstelling van Vrouwenarbeid te 's Gravenhage in 1898, die bij die
gelegenheid erop aandrong, dat de Nederlandsche Vrouwenvereenigingen
zich zouden aansluiten tot een Nat. Vrouwenraad en als zoodanig zouden
toetreden tot den in 1888 te Washington opgerichten Internationalen
Vrouwenraad op initiatief van SUSAN B. ANTHONY en met medewerking van
genoemde ALEXANDRA GRIPENBERG.[43] In ons land worden thans, afgezien
van rubrieken en artikelen in dag-, weekbladen en tijdschriften,
achttien bladen uitgegeven, speciaal voor de vrouwen bestemd. Van
Protestantsch-Christelijke zijde werd ten vorigen jare het _Christelijk
Vrouwenleven_ opgericht, dat maandelijks verschijnt bij E. J. BOSCH te
Nijverdal. En _De Standaard_ opende kort geleden, evenals vroeger reeds
_de Nederlander_, eene rubriek voor Vrouwenleven.[44]
[43] Zie over dezen Internat. Vrouwenraad met haar presidente LADY
ABERDEEN: JOHANNA W. A. NABER, Om en bij de Tentoonstelling:
De Vrouw 1813–1913, Groningen, G. Römelingh & Co. bl. 47–52.
[44] Een rijk overzicht van alwat door en voor de vrouw in ons vaderland
wordt verricht, geeft het Vrouwenjaarboekje voor Nederland,
bewerkt door MARIE HEINEN, dat in 1917 reeds zijn 13en jaargang
beleefde, 's Gravenhage, Van Speyckstraat 30.
5. HET VROUWENVRAAGSTUK.
Het vraagstuk, dat door de vrouwenbeweging aan de orde is gesteld,
overtreft in gewicht nog dat, hetwelk door de arbeidersbeweging werd
opgeworpen; het is veelzijdiger, grijpt dieper in het sociale leven
in, en staat in allernauwst verband met het wezen en de toekomst van
het huisgezin, dat den grondslag vormt van alle maatschappelijke en
staatkundige verhoudingen. Men kan het al dadelijk van onderscheidene
zijden bezien. Het vrouwenvraagstuk sluit immers eene religieus-ethische
quaestie in; er zijn door Gods bestel in de natuur en in de H.
Schrift voor het leven der vrouw wetten en ordinantiën vastgesteld,
die van principiëele beteekenis zijn en zonder schade niet kunnen
worden verwaarloosd. Voorts is er aan het vrouwenvraagstuk ook eene
physiologische en eene psychologische zijde verbonden, want krachtens
de schepping zijn aan de vrouw naar lichaam en ziel bijzondere
eigenschappen en voorrechten verleend, maar daarmede tegelijk ook
grenzen en perken gesteld; en het is van het grootste belang voor de
behandeling van het vrouwenvraagstuk, om zoowel die voorrechten ten
volle te erkennen, als ook van die grenzen zich helder bewust te zijn.
Maar er ligt in dit vraagstuk nog veel meer opgesloten; het is evenals
de arbeidersquaestie, niet één, maar een complex, een bundel van
vraagstukken; het beperkt zich niet tot een enkel terrein, maar breidt
zich tot alle gebieden van het leven uit. Op _burgerrechtelijk_ terrein
neemt het den vorm aan, welke positie aan de vrouw in het huwelijk en in
het gezin toekomt, in hare verhouding tot den man, tot de kinderen, tot
het bezit en het beheer harer goederen. _Sociaal_ dient het zich aldus
aan, welke beroepen, bedrijven, ambten of betrekkingen overeenkomen
met de natuur en de roeping der vrouw, en derhalve voor haar moeten
worden opengesteld. Waarmede dan weder ten nauwste samenhangt,
welke bescherming zij bij al dezen arbeid buitenshuis, in landbouw,
nijverheid, handel, wetenschap enz. genieten moet, en voorts ook de
belangrijke _economische_ vraag, welk loon haar toekomt, en in hoever
haar daarover, in het huwelijk, de zelfstandige beschikking vrij staat.
In de _kerk_ luidt het vrouwenvraagstuk aldus, of de vrouw, inzonderheid
bij de verkiezing van ambtsdragers, tot het uitbrengen van haar stem
gerechtigd is, of ook misschien zelve tot het ambt verkiesbaar is.
In den _staat_ beweegt het vrouwenvraagstuk zich voornamelijk om
het actieve en passieve stemrecht der vrouw. En—om niet meer te
noemen—_paedagogisch_ doet het zich in deze gestalte voor, op welke
opvoeding in den tegenwoordigen tijd de vrouw, in overeenstemming met
haar aard en bestemming, aanspraak mag maken.
Nu kan er hierover eigenlijk geen verschil van meening bestaan, dat
wij bij de bespreking van al de bovengenoemde vraagstukken van deze
twee beginselen hebben uit te gaan; de eenheid en gelijkwaardigheid, en
tegelijkertijd het onderscheid en de ongelijkheid van man en vrouw. Deze
beginselen worden ons door de natuur, maar veel duidelijker nog in de H.
Schrift geleerd. Beiden, man en vrouw, zijn mensch in vollen zin, ieder
voor zichzelf naar Gods beeld geschapen, lichamelijk uit het stof der
aarde genomen, en geestelijk eene onsterfelijke ziel deelachtig, die
met verstand en wil is toegerust; bovendien verkeeren zij beiden in
denzelfden staat van zonde en ellende, zijn zij in Christus dezelfde
genade deelachtig, en zijn ze erfgenamen van dezelfde beloften des
eeuwigen levens; en in dat eeuwige leven huwen zij niet meer, want zij
kunnen niet meer sterven, omdat zij den engelen gelijk en, als zonen der
opstanding, zonen Gods zijn. Deze leer der Schrift is daarom van zoo
groot belang, wijl de eenheid van man en vrouw principiëel alleen op
religieuse gronden te handhaven is, en alle verachting, verlaging en
onderdrukking der vrouw daardoor in beginsel veroordeeld worden. Wanneer
wij de geschiedenis bezien in het licht van deze gegevens der H.
Schrift, getuigt zij op iedere bladzijde van het groote onrecht, dat
door den man aan de vrouw is aangedaan. Het is een oude overlevering,
zegt GRAAF DE GASPARIN, om de vrouwen te minachten. Zij bestond reeds
in de vroegste oudheid en duurt tot op onzen tijd voort. De scherts der
dichters van Griekenland en Rome, de kluchtspelen uit de Middeleeuwen,
de sermoenen en preeken, geheel de stroom van de Renaissance, van
Rabelais tot Voltaire en Béranger, dat alles vormt ééne doorloopende
ironie, die zonder ophouden hare kracht heeft gebruikt ten koste van de
eene helft van het menschdom.[45] Het lot der vrouw wisselt overal af
tusschen de rol van speelpop of slavin; ze wordt vergood of geminacht;
zelden wordt ze door den man als gelijkwaardige behandeld.
[45] GRAAF DE GASPARIN, De emancipatie der vrouw. Amsterdam Höveker
1874 bl. 1.
Maar ter andere zijde is het van even groot gewicht, om in de eenheid
het onderscheid en de ongelijkheid tusschen man en vrouw te handhaven.
Ook deze staan blijkens de ervaring en niet minder volgens het
getuigenis der Schrift onomstootelijk vast. Eene vrouw is eene andere
dan de man; eenheid is geen gelijkheid, en gelijkwaardigheid geen
identiteit. Het onderscheid van man en vrouw gaat achter de cultuur
terug; het is geen product van evolutie of uit langzame ontwikkeling te
verklaren; het is met de natuur gegeven en in de schepping gegrond. Toch
valt het moeilijk, om het kort in enkele woorden te omschrijven. Hetzij
men het trachte weer te geven door de tegenstelling van activiteit en
passiviteit, verstand en gemoed, hoofd en hart, kracht en schoonheid
enz.; hetzij men beider neiging en streven daardoor poogt uit te
drukken, dat de man in den tijd, de vrouw in de ruimte leeft, de man
wat wil zijn, de vrouw wat wil schijnen, gene aan de idee hecht, op
wetenschappelijke analyse gesteld is, tot het algemeene zoekt door te
dringen, deze den vorm bemint, met afkeer van speculatie en abstractie
zin voor de werkelijkheid verbindt, en door intuitie, vlugge bevatting
en snelle handeling uitmunt; hetzij men eindelijk beider werkkring op
die wijze begrenst, dat de man aan den buitenkant van het leven, in
maatschappij en staat, zich beweegt en de vrouw naar den binnenkant van
het leven, in den kleinen kring van het huisgezin zich terugtrekt; bij
al deze en dergelijke distincties voelt men terstond weer, dat ze
gebrekkig en eenzijdig zijn, en door een meer of een minder moeten
worden verzacht.[46]
[46] Verg. over het onderscheid van man en vrouw o. a. ROTHE, Theol.
Ethik §305. LOTZE, Mikrokosmos II 382–392. HEYMANS, De psychologie
der vrouwen en de daar aangehaalde litteratuur. STUART MILL in
zijne Slavernij der vrouw bl. 33 meent wel, dat tusschen de
beide seksen redelijk en zedelijk geen verschil bestaat, dat in
elk geval de gronden, waarop men zulk een verschil aanneemt,
onvoldoende zijn. Maar desniettemin erkent hij, dat dat verschil
thans, tengevolge van eene lange geschiedenis, toch inderdaad
bestaat; en hij omschrijft het vrijwel op dezelfde wijze, als
anderen vóór en na hem hebben gedaan, bl. 84 v. Overigens ligt er
veel waars in zijne opmerking, bl. 34, dat men het karakter van
iemands vrouw kan opmaken uit zijne meening over de vrouwen.
Bovendien al deze onderscheidingen gelden alleen den man en de vrouw in
het algemeen, zijn individueel steeds eindeloos gevariëerd, en bereiden
ieder oogenblik in het concrete leven teleurstelling of verrassing aan
elk, die ze als eene schablone hanteert. De onderscheiding van man en
vrouw loopt ook niet door tusschen verstand en gevoel, of tusschen een
paar andere vermogens of krachten. De man is in alles man, en de vrouw
in alles vrouw; beiden zijn physisch in alle opzicht verschillend, en
psychisch zien en hooren, denken en voelen, willen en werken, spreken en
schrijven ze anders. Zooals JEAN PAUL zegt: an der Frau ist Alles Herz,
selbst ihr Kopf ist Herz.
Desniettemin gingen Aufklärung en Fransche Revolutie van de abstracte
idee van mensch uit en leidden daaruit de volkomen gelijkheid der
seksen af. Onder invloed van de onderzoekingen van MORGAN e. a. kwam het
historisch materialisme van MARX, ENGELS, BEBEL er zelfs toe, om aan de
vrouw de prioriteit en de superioriteit toe te kennen; in den aanvang
der geschiedenis heerschte het moederrecht en was er een tijdperk van
vrede en geluk. Uit dergelijke theorieën werden de eischen afgeleid, dat
de vrouw dezelfde rechten moest hebben als de man, dat alle beroepen
voor haar moesten openstaan, dat de vrouw in het huwelijk volkomen
zelfstandig tegenover den man moest staan, dat het huwelijk niet meer
mocht wezen dan een privaat, ieder oogenblik verbreekbaar contract, en
dat de opvoeding der kinderen zoo spoedig mogelijk moest komen ten laste
van den Staat. Al deze abstracte, onhistorische en onpsychologische
beschouwingen hebben langen tijd en in vele kringen aan de
vrouwenbeweging veel kwaad gedaan, haar zelve in verkeerde banen geleid
en vele hoofden en harten in de war gebracht. Nog altijd lijdt de
beweging onder deze revolutionaire theorieën; zij is zich nog volstrekt
niet helder bewust en is daarom nog ten zeerste verdeeld, wat ze wil en
waarnaar zij te streven heeft.
Toch is daarmede niet geheel de vrouwenbeweging veroordeeld. Er moet
in haar tusschen eene goede en eene verkeerde richting onderscheiden
worden; zij heeft den strijd ook aangebonden tegen veel, dat in de
tegenwoordige maatschappij onbillijk en onrechtvaardig is. Zelfs mag
men haar daarover niet al te hard vallen, dat zij in den eersten tijd
menigmaal gedwaald en aan buitensporigheden zich heeft schuldig gemaakt;
elke krachtige beweging gaat van excessen vergezeld. Veeleer valt het te
prijzen, dat de voorstandsters der vrouwenbeweging in de latere jaren
meer bezadigdheid en wijsheid in acht hebben genomen; want van alle
kanten verzekert men ons, dat ze niet meer streven naar uitwissching van
het onderscheid van man en vrouw, maar juist naar erkenning van die
rechten, welke aan de vrouw als meisje, als echtgenoote, als moeder
toekomen.
In den Open Brief aan de Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
van Sept. 1916 legt het Hoofdbestuur van de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht, ten bewijze, dat velen de ware beweegredenen, waarom
de vrouwen het kiesrecht vragen, niet kennen of niet willen begrijpen,
het volgende getuigenis af: „Zoo wordt beweerd, dat wij het kiesrecht
begeeren, om gelijk te zijn aan de mannen, terwijl wij integendeel onze
aanspraken op medezeggenschap op de ongelijkheid der geslachten bouwen.
Wij vinden het voor het algemeene belang, dus voor het welzijn van den
Staat verkeerd, dat alle zaken, welke de gemeenschap betreffen, slechts
door de mannen alleen worden behartigd. Evenmin als de vrouwen alleen
zouden weten, wat goed is voor allen, weten dit de mannen.” Nog veel
sterker drukt de Nederl. Bond voor Vrouwenkiesrecht zich ongeveer in
deze woorden uit: „de sociale productie der vrouw _kan_ geen gelijken
tred met den man houden, omdat de kleine handen van het kind zich
aan haar klemmen en haar het voortgaan moeilijk en onmogelijk maken.
Als men eenzijdig het oog vestigt op het recht der vrouw, komt men
tot miskenning van de waarde van het eigenaardige werk der vrouw,
het liefderijk en trouw leiden der kinderen, het vervullen van haar
kleinen kring met een geest van erbarming en goedheid, het vormen boven
alles van een kleine wijkplaats van rust en vrede in den onrustigen,
verbijsterenden, moordenden wedloop van sociale eerzuchten onzer
dagen”[47]. Zoo blijkt op den duur de natuur bij de vrouw veel sterker
dan de leer te zijn.
[47] Kleine geschriften no. 3: Tweeërlei strooming bl. 5.