allengs, evenals de arbeider, zichzelve bewust; zij gaat beseffen,
dat zij de gelijke is van den man en dezelfde rechten heeft als hij,
en daarom bindt ze met kracht en moed den strijd voor hare vrijmaking
aan, liefst met, desnoods tegen den man. In den eersten tijd voelde
de sociaaldemocratie niet zoo bijzonder veel sympathie voor de
proletarische vrouwenbeweging; want naarmate de vrouwen het huis
verlieten en daarbuiten allerlei arbeid gingen verrichten, scheen het
gevaar te dreigen, dat zij de loonen verlaagden en de mannen verdrongen.
Toen de geschiedenis echter bewees, dat dat gevaar niet zoo groot was
als eerst werd gevreesd, nam de sociaaldemocratie eene vriendelijker
houding tegenover de vrouwenbeweging aan, en trachtte zij ze aan haar
eigen belangen dienstbaar te maken. Beide vereenigden zich in het
streven naar hetzelfde ideaal: omverwerping van de tegenwoordige, en
stichting van eene nieuwe maatschappij.
Tot de wantoestanden in de hedendaagsche maatschappij, die bestreden
en afgeschaft dienen te worden, behooren ook het huwelijk—de eenige
werkelijke lijfeigenschap, die de wet nog kent,—de monogamie, de
opvoeding der kinderen in het huisgezin enz. En in de nieuwe
maatschappij, die op komst is, zullen mannen en vrouwen in rechten
volkomen gelijk zijn; zonder onderscheid des geslachts, zal er voor
allen worden ingevoerd een gelijke arbeidsplicht en na den arbeid eene
gelijke, vrije ontspanning. De vrouw zal in dien toekomststaat volkomen
vrij en onafhankelijk zijn; het huwelijk, dat met het privaat bezit ten
nauwste samenhangt, zal een privaat contract zijn, de echtscheiding elk
oogenblik vrij staan, het huisgezin beperkt en de opvoeding der kinderen
spoedig na de geboorte aan de maatschappij worden toebetrouwd.[31]
[31] BEBEL, Die Frau und der Sozialismus{16}, Stuttgart 1892. FR.
ENGELS, Der Ursprung der Familie, des Privateigenthuns und des
Staats.{3}. Stuttgart Dietz z. j. Dr. J. RUTGERS, Nieuw of Oud?
in: Studiemateriaal voor Vrouwenkiesrecht bl. 227–229. Ook STUART
MILL, De vrijmaking der vrouw bl. 8, zegt, dat de ongelijkheid der
rechten van mannen en vrouwen geene andere oorzaak heeft dan het
recht van den sterkste.
Vele van deze in den eersten tijd uitgesproken gedachten zijn,
evenals die over het historisch materialisme, de inrichting van den
toekomststaat, de verdwijning der religie enz., in de kringen der
sociaaldemocratie, allengs verzacht en teruggedrongen; en met name
nam men tegenover de beweging voor het vrouwenkiesrecht eene steeds
vriendelijker houding aan. Eerst stelde de partij nog slechts, van 1863
af, den eisch van gelijk, direct, geheim kiesrecht voor alle mannen
boven 20 jaar; maar te Gotha 1875 en te Erfurt 1891 ging zij reeds
verder, en eischte stemrecht voor alle mannen en vrouwen boven 20 jaar
en gelijkstelling in rechten voor beiden op alle terreinen. In 1895 trad
de sociaal-democratische partij in den Rijksdag voor deze eischen op; de
strijd voor de rechten der vrouw werd een onderdeel van den strijd tegen
de kapitalistische maatschappij, en CLARA ZETTIN werd in 1896 opgenomen
als lid in het bestuur der partij.
Van deze proletarische of socialistische vrouwenbeweging is de
burgerlijke in verschillende punten onderscheiden. Deze kwam tegelijk
op met de liberale partij, dus omstreeks het jaar 1848, en stond
aanvankelijk scherp tegenover de vrouwenbeweging, die uit de kringen
der arbeiders opkwam en almeer door de sociaaldemocratie zich leiden
liet. In Duitschland stond hare opkomst rechtstreeks in verband met
de gebeurtenissen in het genoemde revolutiejaar; want wel werden de
vrouwen, die zich aan het hoofd dezer beweging stelden, ook tot optreden
bewogen door de treurige toestanden, waarin de arbeidsters in de
fabrieken verkeerden; ze werden echter evenzeer en in nog sterker
mate gedreven door de zucht naar vrijheid en zelfstandigheid; de
emancipatie-idee huwde zich in dezen kring met den wensch der
democratie. Zooals deze op staatkundig gebied naar meer vrijheid
streefde, zoo ontwaakte er ook onder de burgervrouwen van dien tijd
een sterk verlangen naar intellectueele, moreele, sociale, economische
en politieke verheffing der vrouw. Op de vraag, of vrouwen ook recht
hadden op deelneming in de behartiging van de belangen van den Staat,
gaf LOUISE OTTO (1819–1895) die van deze beweging de ziel was, reeds
in 1844 ten antwoord: zij hebben er niet alleen het recht, maar ook den
plicht toe. Doordrongen van het door haar zelf aldus genoemde groote
recht der individualiteit, om alles te worden, wat ze worden kan, was
zij het, die in den eersten tijd aan de vrouwenbeweging in Duitschland
den weg aanwees en het doel voorschreef. Dat doel was óók wel practisch;
voor de vrouw moest de arena van denkarbeid geopend worden, opdat zij in
haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Maar op den voorgrond stond
toch het ideëele doel, om de vrouw door verstandelijke, zedelijke,
nationale opvoeding op te heffen, haar gezichtskring te verruimen, deel
te doen nemen aan de hedendaagsche cultuur; en door haar mede-arbeid de
zedelijke waarden der menschheid te verhoogen. Vrijheid van ontwikkeling
en vrijheid van arbeid zijn voor de vrouw noodig voor haar eigen
volmaking, en tevens eischen der gerechtigheid.[32]
[32] LOUISE OTTO schreef o. a. Das Recht der Frauen auf Erwerb. Leipzig
1863. Andere voorstanders der beweging waren LUISE BÜCHNER,
Die Frauen und ihr Beruf. Darmstadt 1855, FANNY LEWALD, Meine
Lebensgeschichte 1861, Osterbriefe für die Frauen 1863, Für und
wider die Frauen 1870, AUGUSTE SCHMIDT, die vooral als redenares
eene rol speelde. In 1886 kreeg de vereeniging een orgaan in: Neue
Bahnen.
De beweging ondervond van den aanvang af sterke bestrijding, en ging
onder den druk der reactie, die na de revolutie intrad, ook merkbaar
achteruit. Maar ze wortelde te diep in de werkelijkheid, dan dat ze te
niet kon gaan. Integendeel, het vrouwenvraagstuk begon, vooral van zijne
economische zijde, meer en meer de aandacht te trekken; vele werken
zagen het licht over den beroepsarbeid der vrouw; op het voorbeeld
van Engeland werden verschillende beroepen, bijv. bij post, telegrafie
enz. ook voor vrouwen opengesteld; de inrichtingen tot opleiding van
vrouwen voor onderwijs, handel, bedrijf enz. namen toe; in 1866 werd
opgericht de z.g.n. Letteverein, d. i. de naar W. A. LETTE (1799–1868)
genoemde vereeniging, die, met terzijdestelling van alle politieke
emancipatie-ideeën, eenvoudig vermeerdering der arbeidsgelegenheden en
van de daarvoor noodige opleiding voor de vrouwen zich ten doel stelde.
De vrouwenbeweging herleefde dan ook in den aanvang der zestiger jaren
en kreeg eene organisatie in de Allgemeine Deutsche Frauenverein, die
voor de eerste maal 16–18 Oct. 1865 te Leipzig onder leiding van LOUISE
OTTO samenkwam („Leipziger Frauenschlacht”).
Ofschoon eerst meer practisch werkende, door het oprichten van
industriecursussen, vrouwenavonden, arbeidsbazars enz., nam de
vereeniging allengs ook andere vraagstukken ter hand, vooral inzake
de opvoeding der vrouw, hare opleiding voor allerlei bedrijven in
nijverheid en handel, en ook hare studie aan de universiteit in
verschillende wetenschappen. Onder invloed van wat in Amerika te dezen
opzichte plaats had, begon men ook aan te dringen op deelname der vrouw
aan werkzaamheden, die van de burgerlijke gemeente uitgingen, zooals
armenzorg, weezenverpleging, fabrieksinspectie, en in 1877 ging er zelfs
eene petitie naar den Rijksdag, om verbetering aan te brengen in de
burgerrechtelijke positie der vrouw. Al deze vragen gaven tot verschil
van meening aanleiding, en vooral ontstond er een principiëele discussie,
toen het boek van MILL over de onderwerping der vrouw door de vertaling
van JENNY HIRSCH in Duitschland meer bekend werd, en de vrouwenbeweging
voor velen in een ander licht kwam te staan [33].
[33] Tegen 't boek van Mill en de brieven van Fanny Lewald, Für und
wider die Frauen, Berlin 1870 werd van positieve zijde de strijd
aangebonden door PH. VON NATHUSIUS, Zur Frauenfrage. Halle 1871
en vele anderen, verg. Handbuch der Frauenbewegung I 67 v. Vooral
lokte het streven der vrouwen naar het artsenberoep sterk verzet
uit, o. a. van Prof. TH. L. W. VON BISCHOFF te München, 1872.
De pennestrijd wierp dit dubbele voordeel af, dat het vrouwenvraagstuk
veel dieper dan tot nu toe, van physiologisch-psychologische, ethische
en cultuurhistorische zijde werd bezien, en dat vele vrouwen, zooals
bijv. ELISABETH GNAUCK-KÜHNE, GABRIELLE REUTER, LAURA MARHOLM, HELENE
LANGE enz. in de overtuiging werden versterkt, dat het doel der
vrouwenbeweging niet in emancipatie zonder meer kan bestaan; man en
vrouw bleken toch in elk opzicht zoo onderscheiden te zijn, dat het
ideaal voor beiden niet gelijk kan wezen; aan de vrouw komt in de
maatschappij een eigen terrein toe, dat bij de natuur der vrouw en bij
het moederschap past en de eigenaardige gaven der vrouw tot ontwikkeling
kan brengen.
Wijl echter naast deze Allgemeine Deutsche Frauenverein allerlei
andere vereenigingen zich vormden, van huisvrouwen, onderwijzeressen,
kunstenaressen, handelsbedienden enz., met allerlei bijzondere
doeleinden (het oprichten van volkskeukens, het stichten van scholen
voor voortgezet onderwijs, de bescherming van de rechten der vrouw in
de industrie, de kinderverzorging, de bestrijding van de prostitutie,
van het alcoholisme enz.), kwam het verlangen op, om al deze
vereenigingen op te nemen in éénen Bond. De dames HANNA BIEBER-BÖHM,
AUGUSTE FÖRSTER en ANNA SIMSON hadden op de wereldtentoonstelling te
Chicago kennis gemaakt met den National Council of Women in the United
States, en wisten, in het vaderland teruggekeerd, te bewerken, dat een
soortgelijke Bond ook tusschen de vrouwenvereenigingen in Duitschland
werd opgericht, 28–29 Maart 1894. Deze Bond beperkte zijne werkzaamheden
tot die, waarmede alle aangesloten vereenigingen instemden, en riep
Commissies in het leven voor de verschillende takken van arbeid
(bedrijfsinspectie, burgerrechtelijke positie der vrouw, opvoeding,
bescherming, matigheid, zedelijkheid, enz.); in 1897 sloot hij zich aan
bij den International Council of Women, die in 1888 te Washington was
opgericht en om de vijf jaren een congres houdt.[34]
[34] Voorzitter van den Bond was eerst AUGUSTE SCHMIDT, sedert 1900
MARIE STRITT. Orgaan is het Centralblatt des Bundes deutscher
Frauenvereine. Ook het maandschrift: Die Frau, opgericht 1892,
onder redactie van HELENE LANGE, staat op het standpunt van den
Bond.
Maar de Bond haalde door deze vereeniging ook allerlei elementen
binnen, die slecht bij elkander pasten. Er waren vrouwen, die met al de
genoemde werkzaamheden niet tevreden waren, maar ook verlangden, dat de
strijd zou aangebonden worden voor het politieke stemrecht der vrouw.
Anderen begonnen de oudere leden van den Bond conservatief te vinden,
dienden zich zelve als de radicalen aan en richtten een verband van
fortschrittliche vrouwenvereenigingen op (in 1899), waarin men niet
alleen voor het politieke stemrecht der vrouw, maar ook voor hervorming
van het familierecht, verbetering der vrouwenkleeding enz., inzonderheid
ook voor toenadering tot de proletarische vrouwenbeweging den strijd kon
aanbinden. Dit laatste punt had trouwens reeds van de stichting van den
Bond af moeilijkheden opgeleverd; de Bond verklaarde zich zelf tegen de
toelating van arbeidstersvereenigingen, die eene duidelijke politieke
tendenz hadden, maar vooral vier vrouwen, MINNA CAUER, LINA MORGENSTERN,
LILY VON GIZYCKY (later LILY BRAUN) en GEBAUER konden zich hiermede niet
vereenigen; MINNA CAUER en LILY BRAUN richtten een eigen orgaan: Die
Frauenbewegung op, dat de radicale richting vertegenwoordigt en ook naar
hervorming van het huwelijk streeft.
Naarmate vele vereenigingen in den Bond den radicalen kant uitgingen,
hielden de Christelijke vrouwen zich op een afstand of richtten eigen
vereenigingen op. Maar onderling was men van Christelijke zijde in zijn
oordeel over de vrouwenbeweging volstrekt niet eenstemmig; sommigen,
zooals BETTEX, zagen er weinig goeds in en achtten ze met letter en
geest des Bijbels in strijd; anderen, zooals JOH. WEISS en GUSTAV GEROK,
betoogden, dat het Christelijk ideaal juist de bevrijding der vrouw
eischte; en er waren er ook, zooals H. KÖTZSCHKE, W. BORNEMANN e. a.,
die een bemiddelend standpunt innamen. Toch kwam het door de bemoeiïngen
van FRAU ELIS. GNAUCK-KÜHNE tot de vorming van eene Evangelisch-sociale
Frauengruppe, Dec. 1894 te Berlijn, die het volgend jaar in verbinding
trad met het Evangelisch-sociale Congres. In 1896 nam ook de
nationaal-sociale partij van NAUMANN het vrouwenvraagstuk op in
haar program. Naast beide stichtte Prof. ZIMMER in 1894 nog een
Evangelische Diakonieverein., met het doel, om de behoeften en
belangen der evangelische diakonie in overeenstemming te brengen met de
eischen, welke de vrouwenbeweging stelt in betrekking tot de opvoeding
en de economische zelfstandigheid der vrouw.[35] In 1899 kwam de
Duitsch-Evangelische Frauenbund tot stand, die streeft naar oplossing
van het vrouwenvraagstuk in den zin des Evangelies en tot
godsdienstig-zedelijke verbetering van het volksleven.[36]
[35] BETTEX, Natur und Gesetz{3}, Leipzig 1898. JOH. WEISS,
Frauenberuf. Evang.-soziale Zeitfragen II{7}, Leipzig 1892.
BORNEMANN, Der Protestantismus und die Frauen, Magdeburg 1900.
[36] Handbuch der Frauenbewegung I 1580.
Op dezelfde wijze bleven natuurlijk de Roomsche vrouwenvereenigingen
hare zelfstandigheid bewaren. Ofschoon uit den aard der zaak met de
vrouwenbeweging weinig sympathie gevoelende, heeft Rome toch, in de
negentiende eeuw misschien nog meer dan vroeger, den vrouwenarbeid op
allerlei terrein weten te waardeeren en te organiseeren. Reeds dit is
opmerkelijk, dat de Mariavereering, vooral na de afkondiging van het
dogma der onbevlekte ontvangenis 8 Dec. 1854, in buitengewone mate
is toegenomen en thans de afkondiging van het leerstuk van Maria's
hemelvaart voorbereidt. De Marianische congregaties breidden zich van
jaar tot jaar onder alle standen en rangen van de Roomsche Christenheid
uit. Terwijl oudere vrouwenorden, zooals bijv. die der Ursulinnen, in
ledental wonnen, kwamen er nieuwe orden en vereenigingen in grooten
getale bij; van 1816 tot 1865 werden er niet minder dan 198 door den
paus geapprobeerd. En al deze vereenigingen namen werkzaamheden ter
hand, wier noodzakelijkheid door de sociale toestanden van den nieuweren
tijd aan het licht was getreden, armenzorg, ziekenverpleging, in- en
uitwendige zending enz., inzonderheid ook de opvoeding van meisjes.
Langzamerhand werden er ook vereenigingen opgericht, die meer
rechtstreeks met de vrouwenbeweging in verband stonden, vereenigingen
van arbeidsters, dienstboden, onderwijzeressen, studeerenden, vrouwen,
moeders enz. Zoo was de gang van zaken in alle Roomsche landen, Italië,
Oostenrijk, Frankrijk, België enz., ook in Duitschland. Hier veroverde
op de Katholiekendagen ook het vrouwenvraagstuk zich eene plaats;
sociale cursussen gingen er rekening mede houden; en in 1903 werd
de Katholische Frauenbund opgericht, die tegenover de moderne
vrouwenbeweging positie nam, een breed werkprogram ontwierp, en in
Die Christliche Frau zich een orgaan schiep.[37]
[37] RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 497–519. Behalve uit dit werk, kan men
het oordeel der Roomschen over de vrouwenbeweging leeren kennen
uit J. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M.
Gladbach 1906, en V. CATHREIN, Die Frauenfrage, Freiburg Herder
1901.
De strijd voor de vrijmaking en verheffing der vrouw beperkt zich
echter niet tot één land, maar heeft zich in den loop der vorige eeuw
tot alle volken uitgebreid; het vrouwenvraagstuk is in vollen zin een
internationaal vraagstuk geworden. Er valt niet aan te denken, om van
de vrouwenbeweging in de verschillende landen een, al ware het maar
beknopt, overzicht te geven; genoeg zij het, op te merken, dat zij
zich in alle beschaafde landen voordoet. Het vrouwenvraagstuk is aan
de orde in alle landen van Europa, in alle staten van Noord-Amerika,
Zuid-Amerika en Australië, en het komt aan de orde in Indië, China,
Japan, ook, blijkens het optreden van Raden KARTINI, in Nederlandsch
Indië. Wij hebben daarin dus met een vraagstuk te doen, dat niet door
enkele personen is opgeworpen, maar dat uit de maatschappij zelve opkomt
en steeds meer in zijne algemeene beteekenis wordt erkend.
Toch wordt het vraagstuk niet altijd op dezelfde wijze voorgesteld, en
ontwikkelt de vrouwenbeweging zich niet overal in dezelfde richting.
Ofschoon ze wel eene zekere algemeene strekking vertoont, vat ieder
land het vrouwenvraagstuk toch, overeenkomstig zijne eigenaardige
verhoudingen en toestanden van eene bijzondere wijze aan. In België en
Italië, zegt HELENE LANGE, valt de vrouwenbeweging nog grootendeels met
die der arbeidsters saam; in Amerika staat het streven naar politieke
gelijkstelling op den voorgrond; en in Griekenland bepaalt men zich
nog hoofdzakelijk tot verbetering van den socialen toestand der
vrouw.[38] Ook is de beweging over het algemeen veel krachtiger in
de Protestantsche, dan in de R. Katholieke, in de Germaansche en
Angelsaksische, dan in de Romaansche landen; bij gene openbaart ze zich
meer in een streven naar intellectueele, ethische en politieke, bij deze
meer in een streven naar economische en sociale verheffing der vrouw.
[38] Handbuch der Frauenbewegung, Vouvort I bl. VI.
Verder is er in de vrouwenbeweging een zekere ontwikkelingsgang te
bespeuren. Ze kwam tegen het einde der 18e eeuw in Frankrijk op, dankte
toen haar oorsprong aan de idee der rechten van den mensch, en was dus
eerst meer eene ideëele en politieke, dan eene economische en sociale
beweging. Dit laatste werd ze vooral omstreeks het midden der vorige
eeuw door de veranderingen, welke de grootindustrie in de werkzaamheden
van het huisgezin aanbracht. Met de proletarische vrouwenbeweging
verbond zich weldra die van de dochters en vrouwen uit de burgerkringen
des volks, welke streefde naar opleiding voor een beroep, vrijen toegang
tot alle scholen, en openstelling van alle beroepen voor de vrouw.
Maar toen langs dezen weg de vrouwen meer en meer met de maatschappij
in aanraking kwamen, kregen zij een open oog voor de misstanden,
die daar overal voorkwamen, en zagen zij zich tot allerlei werken van
barmhartigheid en zending geroepen. Met of zonder de mannen bonden
zij den strijd aan tegen alcoholisme en prostitutie, wijdden zij
zich aan armenzorg, ziekenverpleging, meisjesopvoeding, kinder- en
moederbescherming enz. En naarmate zij zich buitenshuis gingen bewegen
en in de maatschappij eene eigene plaats gingen innemen, kwam bij velen
de wensch op, om ook burgerrechtelijk en staatsrechtelijk meerdere
zelfstandigheid deelachtig te worden.
De strijd voor het politieke stemrecht der vrouw kwam, behalve in
Frankrijk tijdens de Revolutie, het eerst in Amerika op. Daar werden bij
den opstand tegen Engeland soortgelijke onveranderlijke menschenrechten
afgekondigd, als in Frankrijk, zij het ook op anderen grondslag. Reeds
in 1776 stelde ABIGAIL SMITH den eisch, dat de vrouwen toegelaten zouden
worden tot alle openbare scholen en gelijke rechten met de mannen
ontvangen zouden. Maar de tijd was voor de inwilliging dezer eischen nog
niet rijp, schoon de staat New Jersey in 1790 op grond van het ontbreken
van het adjectief mannelijke (male) vóór ingezetenen (inhabitants) in de
wet een korten tijd aan de vrouwen het stemrecht verleende. In de eerste
helft der 19e eeuw was het streven der vrouwen in Amerika ook meer op
verbetering der opvoeding van meisjes, op de openstelling van de gewone
openbare scholen (coëducatie), of op de stichting van aparte
meisjesscholen gericht.
Het vrouwenstemrecht kwam vooral op het tapijt, toen de beweging tegen
de slavernij opkwam, en vrouwen (vooral Kwakervrouwen, zooals LUCRETIA
MOTT) daaraan in het openbaar, door vergaderingen, redevoeringen enz.
deelnamen. Ofschoon dit optreden veel tegenstand ontmoette, zetten de
vrouwen toch door en lieten meer en meer ook op maatschappelijk gebied
haar invloed gelden (bijv. in de bestrijding van het alkoholisme, de
prostitutie enz.) Trouwens, de vrouwen hadden in Amerika reeds lang eene
geëerde positie; zij werden, ook omdat zij in getal verre bij de mannen
achterstonden, hoog gewaardeerd; zij genoten eene groote mate van
zelfstandigheid, en gingen sedert het midden der vorige eeuw clubs
vormen, waar zij zich oefenden in litteratuur, geschiedenis, kunst,
natuurwetenschap, philosophie, staatswetenschap, huishoudkunde enz.
Ondragelijk was voor haar de gedachte, dat zij in het openbaar niet
mochten optreden en spreken, en vooral ook, dat zij, als straks de
negers burgerrecht en stemrecht verkregen, bij dezen zouden achterstaan.
Den 14den Juli 1848 kwam dan ook, gehoorgevende aan den oproep van
LUCRETIA MOTT en ELISABETH CADY STANTON te Seneca Falls in den staat
New-York eene vergadering van ongeveer honderd personen samen, om
de maatschappelijke, rechtelijke en kerkelijke positie der vrouw
en hare rechten te bespreken. Van dit jaar dagteekent de dikwerf
heftige en gewelddadige, in den eersten tijd ook meermalen tegen
de onderdrukking van den man gekeerde actie der vrouwen voor hare
huiselijke en maatschappelijke, burgerrechtelijke en politieke
rechten. En langzamerhand wonnen ze veld; de scholen werden voor haar
opengesteld, de toegang tot al meerdere en hoogere beroepen werd haar
ontsloten; veranderingen in de burgerrechtelijke positie der vrouw
werden in bijna alle staten aangebracht; en het territory Wyoming gaf
haar in 1869 het stemrecht en behield dit, toen het 1890 als staat in de
Unie werd opgenomen. En sedert hebben vele andere staten dit voorbeeld
gevolgd.[39]
[39] Handbuch der Frauenbewegung I 456–482. Eene lijst der staten,
die het vrouwenstemrecht voor schoolcommissies, gemeenteraden,
volksvertegenwoordiging enz. hebben ingevoerd, is te vinden in:
Studiemateriaal bl. 181–192, verg. ook de Bijlage B van de
Memorie van Toelichting bij de voorstellen ter herziening der
Grondwet No. 6. (Zitting der Tweede Kamer 1915–1916 No. 226).
In Engeland werd ten jare 1832 het vrouwenkiesrecht nog opzettelijk
uitgesloten, door in het ontwerp van kiesrechthervorming aan het woord
kiezers het adjectief: mannelijke toe te voegen. Deze verandering gaf
den stoot tot eene beweging voor het vrouwenkiesrecht, welke in 1851
krachtig bevorderd werd door een artikel van Mrs. JOHN STUART MILL in
de Westminster Review, dat later werd opgenomen onder de werken van
haar echtgenoot. Toen deze in 1865 lid van het parlement werd, bond hij
ook daar den strijd voor het vrouwenkiesrecht aan. In 1867 diende hij
het voorstel in, om in de kieswet de woorden: mannelijke kiezers te
vervangen door: kiesgerechtigde personen. Dit voorstel werd toen wel
met 194 tegen 73 stemmen verworpen, maar de quaestie raakte sedert niet
meer van de baan. De onder MILL'S leiding opgerichte National Union of
Women's Suffrage Societies kreeg hare vertakkingen over alle deelen van
het land, en hield de actie levendig. Zij onderscheidde zich daarbij
gunstig van de Women's social and political Union, wier leden meenden,
dat zij door „militante” daden het kiesrecht der vrouw aan Regeering
en Volksvertegenwoordiging moesten afdwingen en daardoor velen van
de vrouwenbeweging afkeerig maakten. Maar de zaak won toch veld; de
oppositie werd in het parlement steeds zwakker; in Nieuw-Zeeland werd
in 1893 aan de vrouwen het actieve kiesrecht toegekend; Zuid-Australië
volgde in 1895, West-Australië in 1900, N. Zuid-Wales in 1902. Indien de
suffragettes de zaak niet bedorven hadden, zou Engeland misschien
spoedig gevolgd zijn.