[20] Art. in PRE{3} VIII 30–36. Verg. verder BÜCHER, Die Frauenfrage

im Mittelalter, Tübingen 1882. GRUPP, Kulturgeschichte des

Mittelalters I Stuttgart 1894. H. FINKE, Die Frau im Mittelalter,

Kempten 1913. MAUSBACH, Altchristl. und moderne Gedanken über

Frauenberuf. M. Gladbach 1905. RÖSLER, Die Frauenfrage{2}

Freiburg Herder 1907.

Niet alleen godsdienstig en kerkelijk, maar ook zedelijk was daarom eene

radicale hervorming noodzakelijk. Tegen het einde der Middeleeuwen

kwamen Renaissance en Reformatie gelijkelijk tegen het ascetisch

levensideaal met zijne treurige gevolgen in verzet. De Renaissance was

echter eene aristocratische beweging en kwam, wat de vrouwen betreft,

slechts aan de ontwikkeling van een kleine schare uit de hoogere

kringen der maatschappij ten goede; tot de verheffing der vrouw, tot

de veredeling van huwelijk en gezinsleven heeft ze weinig bijgedragen,

omdat ze, vol bewondering voor de klassieke oudheid, dikwerf verviel

tot eene naturalistische ethiek en op het volk, ook op de vrouw uit

het volk, uit de hoogte neerzag; toen ze in de 17e eeuw in Frankrijk

doordrong, kweekte zij een geslacht van femmes savantes en femmes

précieuses, die den spot van MOLIÈRE verdienden. De Reformatie greep

veel dieper in, ontwortelde het ascetisch ideaal door hare leer van de

rechtvaardiging uit het geloof, en stelde ervoor in de plaats den

trouwen arbeid in het aardsche en tevens goddelijke beroep.

Daardoor werd ze, vooral in hare Gereformeerde vertakking, in hooge mate

bevorderlijk aan het eereherstel van het huwelijk, aan de verheffing van

het gezinsleven, aan het kweeken van allerlei huiselijke en burgerlijke

deugden, en ook aan de ethische waardeering der vrouw. De Hervormers

gaven daarin door hun huwelijk en gezinsleven zelven een voorbeeld; want

al legt LUTHER, uit reactie, soms al te sterk den nadruk op het huwelijk

als medicijn der hoererij, en al is zijn raad inzake het tweede huwelijk

van PHILIP VAN HESSEN in 1539 niet te verdedigen, men vindt bij hen geen

satire of spot met de vrouw, gelijk die in de kringen der Humanisten

dikwerf voorkwamen, maar eene waardige bespreking van alwat op huwelijk

en gezin betrekking heeft, en eene hooge waardeering van de roeping, die

aan de vrouw, in onderscheid van den man, in haar huis is toebetrouwd.

De huwelijksformulieren en huwelijksboeken, die in menigte verschenen,

leggen van deze ethische waardeering van vrouw en moeder, van huwelijk

en gezin een welsprekend getuigenis af. En het huiselijk leven, dat in

de Protestantsche landen tot ontwikkeling kwam en de vergelijking met

dat in de Roomsche landen uitnemend kan doorstaan, drukt daarop het

zegel der practijk. Zelfs werd in de Gereformeerde kerken in Nederland

en in het Rijnland, ten deele ook in Frankrijk, eene poging beproefd, om

het weduwenambt van 1 Tim. 5 : 9, 10 te herstellen, maar deze poging

slaagde slechts voor korten tijd. En daar zij de vergoeding der

vrouwelijke hulpdiensten miste, die in Rome door de nonnen bewezen

werden, kon de Protestantsche kerk door ELISABETH MALO niet geheel ten

onrechte de „rechtlich organisirte Männerkirche” genoemd worden. Eerst

de nood der tijden dwong in de vorige eeuw, om, inzonderheid op

initiatief van THEODOR FLIEDNER en AMALIE SIEVEKING, een georganiseerden

vrouwenarbeid voor allerlei werken van barmhartigheid in het leven te

roepen.

De Hervormers en hunne volgelingen dachten er dan ook niet aan, om de

vrouw te verachten; zij leeren allen overeenkomstig de Schrift, vooral

in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mensch is, en naar

Gods beeld geschapen.[21]

[21] Verg. bijv. DE MOOR, Comm. in Marckii Comp. II 982 v. III 46.

Maar toch was men er ver van af, om de ongelijkheid van man en vrouw

uit te wisschen. Zelfs leefde daarbij nog eenigermate voort de antieke

en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid der vrouw, welke

met Schriftuurplaatsen als Gen. 2 : 18, 3 : 16, 1 Cor. 11 : 7 v.

Ef. 5 : 23, 24, 1 Tim. 2 : 13, 14 gesteund werd. Al stond de vrouw

religieus-ethisch met den man gelijk en al muntte zij in deugden van

vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit; ze was toch in waardigheid,

kracht en heerlijkheid de mindere van den man. LUTHER zeide: eine

Weibsperson ist von Gemüt und Leib viel schwächer, verführlicher und

beweglicher als eine Mannsperson, en zoo ongeveer lieten allen zich

uit. Vrouwen zijn „mindermenschen” zooals HUYGHENS zegt; of naar de

uitdrukking van CATS: alwat een man gelijct, een hooger wesen heeft.

WITTEWRONGEL noemt zonder meer de vrouw de mindere, den man den

meerdere, het hoofd, den heer, den meester, den leidsman van de vrouw;

hij behandelt eerst de plichten van de vrouw, daarna die van den man,

want officium ascendit, amor descendit: de plicht klimt opwaarts, de

liefde daalt nederwaarts. Als de vrouw begint met haar plichten te

vervullen, beweegt zij haar man, om zich behoorlijk jegens haar aan te

stellen. Onder die plichten neemt de onderdanigheid, de onderwerping, de

gehoorzaamheid de eerste plaats in[22]. In het huwelijksformulier van de

Geref. kerken in Nederland wordt aan de vrouw het voorbeeld der heilige

vrouwen voor oogen gehouden, welke op God hoopten en haren eigenen

mannen onderdanig waren, gelijkerwijs Sara haren man Abraham gehoorzaam

geweest is, hem noemende heere. Wel wordt deze gehoorzaamheid der vrouw

in datzelfde formulier beperkt tot de dingen, die recht en billijk

zijn, en opgewogen door den plicht van den man, om zijne vrouw lief te

hebben en bij haar te wonen met verstand enz. Maar in de ethiek wordt

toch altijd zeer sterk nadruk gelegd op de behulpzaamheid, volgzaamheid,

zachtmoedigheid, eerbiedigheid enz., welke de vrouw jegens haren man in

acht heeft te nemen.

[22] WITTEWRONGEL, Christelijke Huyshoudinghe I 108. v. LOBSTEIN, Die

Ethik Calvins, Strassburg 1877 bl. 99. De voorstelling van BUSKEN

HUET, Het Land van Rembrand II 3 bl. 11 v. is echter zeer

eenzijdig.

Deze geringere waardeering der vrouw hangt ongetwijfeld voor een deel

met het intellectualisme samen, met de leer, dat verstand en rede de

grootste voorrechten zijn van den mensch. Wijl deze echter in hoogere

mate aan den man dan aan de vrouw geschonken waren, vloeide daaruit de

minderwaardigheid der vrouw vanzelve voort. En daarmede verbond zich

terstond eene tweede eigenaardigheid, welke men aan de vrouw toeschreef;

wijl zij in intellectueele gaven bij den man achterstond, was ze ook

lichter verleidbaar, meer toegankelijk voor verzoekingen des duivels,

vatbaarder voor bijgeloof, ketterij, tooverij, hekserij enz. Zeide

Paulus ook niet in 1 Tim. 2 : 14, dat Eva tot overtreding van Gods

gebod kwam, doordat zij zich door de slang liet verleiden en bedriegen,

maar dat Adam viel, naardien hij door zijne vrouw overreed werd? De

suprematie, die aan het intellect werd toegekend, en de geringere

waarde, welke aan het gemoed werd gehecht, droeg er toe bij, om de vrouw

bij den man achter te stellen en die deugden, waarin zij hem evenaart of

overtreft, in de schaduw te dringen.

Daarbij kwam ook nog het gebrek aan historischen zin. Als uit Gen.

18 : 12, (Richt. 19 : 26, 27) en 1 Petr. 3 : 6 de plicht van de

onderdanigheid der vrouw wordt afgeleid, ziet men geheel over het

hoofd, dat de verhouding, waarin de vrouw in de dagen des Ouden en

Nieuwen Testaments naar gewoonte en wet tot haar man stond, eene geheel

andere was, dan die, welke langzamerhand onder de Christenvolken tot

stand kwam.[23] Op dezelfde wijze trekt WITTEWRONGEL uit teksten als

Gen. 30 : 1, 31 : 4, (Esth. 1 : 7) het besluit, dat eene vrouw op de

vermaningen en bestraffingen van haren man behoorlijk acht moet geven en

komen moet, zoodra zij door hem ontboden wordt; ja zelfs, dat godzalige

vrouwen, „bijaldien oock de man zijne huisvrouwe, sonder en buyten

eenige schuldt ('t welck de beste kan gebeuren) soude bestraffen, soo

discreet zullen zijn, dat sij liever met een stille sachtmoedigheydt

dat sullen verdragen ende over haer laten gaen, alsdat zij daerom haren

man met eenige scherpe en onbetamelicke redenen souden bejegenen;

wel wetende dat het is de eygenschap van een goetaerdige dispositie,

somtijdts een schuldt te erkennen, even daer geen en is”.[24]

[23] De Hollandsche Spectator merkte daarom reeds op, dat „zulks was

in een tijd, dat de vrouw volstrekt aan haar gemaal als haar

koning en wetgever onderworpen was”, aangehaald door Mej. Dr. S.

I. VON WOLZOGEN KÜHR, De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e

eeuw. Leiden, Brill 1912 bl. 102.

[24] T. a. p. bl. 116, 117.

Natuurlijk valt ook in dergelijke vermaningen wel eenige waarheid op te

merken, maar de toon, waarin ze gesteld zijn, verraadt toch duidelijk,

dat de vrouw als de mindere van den man wordt beschouwd.[25] En zulke

gedachten voeren nog in tal van kringen den boventoon. Enkele jaren

geleden maakte een Duitsche baron een reis naar het Oosten en deelde na

zijn terugkeer, in den _Lokal-Anzeiger_, eenige van zijne ervaringen

mede. Daarin toonde hij zich bijzonder ingenomen met de zachtaardigheid,

gedienstigheid en trouw der Japansche vrouwen. Want naar zijn oordeel

was verstand en geleerdheid het domein van den man, en moest de vrouw

niets zijn dan eene liefelijke, vriendelijke, trouwe en bescheidene

echtgenoote, die haar levensdoel erkent in het den man het leven zoo

aangenaam mogelijk maken. Dit ideale type der trouw trof hij het meest

volmaakt bij de Japansche aan, die de slavin van haar man is, maar eene

allerliefste slavin, en van geen emancipatie en vrouwenrechten weet.[26]

[25] Zoo ook BILDERDIJK, verg. mijn Bilderdijk als Denker en Dichter,

Kampen J. H. Kok 1906 bl. 174 v.

[26] _Handelsblad_ 23 Nov. 1904.

Maar de vrouwen zijn met dit ideaal niet meer tevreden, en de mannen

haasten zich tegenwoordig, met te verklaren, dat de vrouw niet is de

mindere, maar dat zij is eene andere dan de man.

4. DE VROUWENBEWEGING.

Deze verandering in de waardschatting der vrouw is te danken aan den

omkeer, die in de achttiende eeuw in het denken en leven der volken werd

teweeggebracht eenerzijds door het Piëtisme en anderzijds door het

Rationalisme. Rome vond een uitweg voor het individualisme in het

kloosterwezen, en wist het tevens in deze instelling aan zichzelf

ondergeschikt en dienstbaar te maken. Het Protestantisme sloot dezen

uitweg af, en zag toen in eigen kring het conventikel- en het sectewezen

opkomen.

Daar zijn nu eenmaal menschen, die in het gewone gareel niet meeloopen

kunnen, en hun eigen weg verkiezen te gaan. Op godsdienstig gebied

kunnen zij zich niet vinden in het compromis, dat de officieele kerken

naar hunne meening steeds genoodzaakt zijn, in de practijk met de

wereld te sluiten; zij zonderen zich af, stichten kleinere of grootere

gemeenschappen en trachten overeenkomstig de eischen der Bergrede te

leven. Bij al deze secten laat het subject, het individu zijne rechten

gelden, zoodat òf strenge maatregelen van orde en tucht noodig zijn, òf

de gemeenschap licht door onderlinge verdeeldheid en twist tenietgaat.

En het individualisme komt ook daarin uit, dat de kloosters van monniken

gewoonlijk ook kloosters van nonnen naast zich zien opkomen, of dat

binnen de kringen der secten (Wederdoopers, Independenten, Kwakers,

Piëtisten, Methodisten enz.) aan de vrouw veel meer rechten worden

toegekend dan in de officieele kerken.

Het Rationalisme, dat aan het Piëtisme verwant is, werkte in dezelfde

richting. Het werd reeds voorbereid door Renaissance en Humanisme,

nieuwere wijsbegeerte en natuurwetenschap; en uit deze bewegingen

gingen reeds stemmen op, om de rechten der vrouw te bepleiten. AGRIPPA

VAN NETTESHEIM gaf reeds in 1505 een tractaat uit de nobilitate

et praecellentia feminei sexus; ANNA MARIA SCHUURMAN schreef eene

verhandeling de capacitate ingenü muliebris ad scientias, die door Prof.

RIVETUS in 1638 te Leiden werd gepubliceerd; en Dr. JOHAN VAN BEVERWYCK,

geneesheer en schepen te Dordrecht, gaf in 1643 een boek in het licht

over de uitnementheyt des vrouwelichen geslachts, dat door DANIEL

JONCKTIJS in zijn: Der mannen opperwaerdigheydt, bestreden werd. Maar

deze geschriften stonden meer of min op zichzelve, en oefenden weinig

invloed uit. Heel anders was dit gesteld met de Aufklärung, die den

individueelen mensch als redelijk wezen trachtte vrij te maken van alle

uitwendige autoriteit en traditie, en met dit streven een omkeer in

Europa teweegbracht, welke in beteekenis Renaissance en Reformatie nog

overtrof. De mensch, de individueele, redelijke mensch ging zich zelf

gevoelen; trotsch op de verlichting, die thans was bereikt, zag hij uit

de hoogte op het donkere verleden neer; in zijne rede en wil had hij

genoegzame macht, om de waarheid te kennen en het goede te doen; hij was

en had aan zichzelf genoeg.

Zoodra nu het individualisme de organische beschouwing van gezin,

maatschappij en staat vervangt, komen vanzelf ook de rechten der vrouw

aan het woord. In de tweede helft der 18e eeuw verscheen er eene rijke

litteratuur over de opvoeding en de religieuse verlichting der vrouw,

over de hervorming van het huwelijk en de huwelijkswetgeving. Aan de

hoven en in de salons vonden de denkbeelden der Aufklärung bij de dames

gereeden ingang. ROUSSEAU kwam er wel tegen op, en ging ook in dit

opzicht tot de natuur terug. In het vijfde boek van zijn Emile wijst

hij op het onderscheid tusschen man en vrouw en leidt daaruit af, dat

de vrouw speciaal geschapen is pour plaire à l'homme en pour être

subjuguée. Hare opvoeding moet daarmede overeenstemmen; ze moet geheel

zijn relative aux hommes; de vrouw mag en moet wel veel leeren, doch

alleen die dingen, welke zij behoort te weten; beter een eenvoudig

opgevoed meisje, dan eene geleerde, die een geesel is voor haar man

en kinderen en hare vrouwelijke plichten verwaarloost.

Maar ROUSSEAU was zelf te veel een man der Aufklärung, dan dat hij

den stroom kon keeren. In Duitschland publiceerde TH. G. VON HIPPEL

een werk over het huwelijk in 1774, over de burgerlijke verbetering

in 1792 en over de opvoeding der vrouw in 1801. In Engeland gaf MARY

WOLLSTONECRAFT, die in 1790 tegen EDM. BURKE de menschenrechten der

Fransche Revolutie verdedigde, twee jaar later A vindication of the

rights of women in het licht, waarin zij de noodzakelijkheid der

opvoeding voor de vrouw bepleitte en op eene gelijke moraal voor man

en vrouw aandrong. In Frankrijk trok men uit de menschenrechten de

consequentie, dat de vrouwen ook in politieke rechten met de mannen

gelijk moesten gesteld worden. De encyclopaedist, MARKIES DE CONDORCET,

nam het reeds in 1789 in een artikel voor de burgerrechten der vrouwen

op, en werd als lid der wetgevende vergadering en van de Nationale

Conventie de pleitbezorger van hare belangen.[27]

[27] LILY BRAUN, Die Frauenfrage, Leipzig Hirzel 1901 bl. 76–90. Hoe

Condorcet over het vrouwenkiesrecht dacht, wordt medegedeeld in:

Studiemateriaal voor Vrouwenkiesrecht. Amsterdam, van Rossen 1907

bl. 9–17.

Maar ook de vrouwen zelve werden door de Revolutie aangegrepen; zij

dienden niet alleen adressen en petities in, maar traden, onder

leiding van THEROIGNE DE MERICOURT, ROSA LACOMBE en OLYMPE DE GOUGES,

ook handelend op. Nadat de mannen op 14 Juli 1789 de Bastille hadden

veroverd, bestormden zij 5 October van dat jaar het stadhuis en trokken,

8000 in getal, naar Versailles, om den koning te dwingen tot erkenning

der rechten van den mensch. Sedert namen zij aan de omwenteling een

werkzaam, niet zelden gewelddadig, aandeel; zij mengden zich in de

debatten der mannenclubs, richtten eigen vereenigingen op en dienden

bij de Nationale Conventie verzoekschriften in voor politieke

gelijkstelling van de vrouw met den man. Maar het dikwerf revolutionair

optreden der vrouwen wekte in en buiten het parlement sterken

tegenstand; vele leden van het parlement bestreden de politieke rechten

der vrouw, wijl de physische en psychische kracht haar daartoe ontbrak

en haar roeping in het huisgezin ligt; en zoo nam de Conventie 30 Oct.

1793 het besluit, om alle vrouwenvereenigingen te verbieden. Sedert

verliep de beweging; Napoleon voelde voor de emancipatie der vrouw

weinig sympathie, achtte hare bestemming vooral in het voortbrengen en

opvoeden van kinderen gelegen, en plaatste haar in den Code civil van 21

Maart 1804 onder de heerschappij van den man.

Toch bleef de gedachte van de rechten der vrouw voortleven. In Frankrijk

bij St. SIMON, ENFANTIN, de romancière GEORGE SAND, CONSIDÉRANT e. a.;

in Duitschland voor een deel in de kringen van het neo-classicisme en de

romantiek, maar vooral bij de mannen van het jonge Duitschland, HEINRICH

HEINE, GUTZKOW enz. En zij kreeg in de eerste helft der negentiende

eeuw aangrijpenden ernst en practischen steun in de ontwikkeling van

het bedrijfsleven. Al heeft de vrouw schier overal ook wel arbeid

buitenshuis verricht, toch kan men in het algemeen zeggen, dat de

vrouw vroeger in eigen huis haar werkzaamheid vond. Maar toen in de

achttiende eeuw de machine werd uitgevonden en het handwerk verdrong

(de spinmachine dagteekent van 1764, de weefmachine van 1787), straks

de stoommachine uit den jare 1774 den fabrieksarbeid deed opkomen, toen

had er allengs eene groote verandering in de huishouding plaats. Tal van

werkzaamheden, zooals spinnen, weven, vervaardiging van kleedingstukken,

wasschen, strijken, bakken, slachten enz., werden meer en meer aan het

huisgezin onttrokken; het opleggen van voorraden voor den winter werd

onnoodig, wijl alles steeds in de winkels verkrijgbaar was; het huis

hield meer en meer op, eene productie-gemeenschap te zijn. Vooral na de

invoering der naaimachine in 1844 werd deze verandering steeds dieper

gevoeld, en zij werd daarin vooral openbaar, dat vrouwen en dochters

uit de arbeiderskringen in menigte stroomden naar de fabrieken, om met

de bijverdienste van een karig en zuur verdiend loon de veel te geringe

inkomsten van het gezin te vermeerderen.[28] In die fabrieken kon men

bij de machines elke arbeidskracht gebruiken, zelfs die van jonge

kinderen, want de vraag naar waren nam toe, naarmate door stoomboot

en spoortrein het wereldverkeer zich uitbreidde en het getal markten

en afzetgebieden vermeerderde. Welke droeve toestanden er zich toen

onder de arbeiders in huis en werkplaats voordeden, kwam o. a. bij

de Chartistenbeweging in Engeland aan het licht. Daar kwam ook de

vrouwenvraag aan de orde, toen de census van 1851 openbaar maakte, dat

van de 7043701 vrouwen er 3107791 werkzaam waren in een of ander bedrijf

en daar menigmaal op schandelijke wijze werden geëxploiteerd (Song of

the shirt).[29]

[28] LILY BRAUN, Die Frauenfrage, Leipzig Hirzel 1901 bl. 209 v.

[29] Verg. Het lied van het hemd, naar Thomas Hood, door N. BEETS,

Dichtwerken III 363.

Een geest des ontfermens ontwaakte toen in de Engelsche maatschappij, en

tal van vrouwen gingen zich wijden aan werken der barmhartigheid. HANNAH

MORE vestigde de aandacht op de opvoeding der vrouw en drong op het

oprichten van scholen voor de armere bevolking aan. MARY CARPENTER

reisde driemalen naar Indië, om de opvoeding van het vrouwelijk geslacht

te verbeteren en werd stichtster van de National India Association, die

de nationale tegenstellingen tusschen Engeland en Indië trachtte te

verzachten. ELIZABETH FRY nam den arbeid onder de gevangenen ter hand,

LOUISE TWININGS in de werkhuizen, FLORENCE NIGHTINGALE onder gewonden en

kranken, Mrs. CHRISHOLM onder emigranten en kolonisten enz.[30]

[30] JOHANNA W. A. NABER, Wegbereidsters, Groningen 1909, geeft eene

schets van het leven van Elisabeth Fry, Florence Nightingale,

Josephine Butler en Priscilla Bright-Mac Laren.

Een ander gevolg van de ontwikkeling der grootindustrie bestond daarin,

dat dochters uit den burgerstand de huishouding gingen minachten en

naar een anderen, meer bevredigenden arbeid begonnen uit te zien. En te

meer werden zij in deze richting gedreven, wijl het met haar eergevoel

streed, om lijdelijk op de gelegenheid tot een huwelijk te wachten of

voortdurend ten laste van hare ouders te blijven leven. Zoo besloten zij

in steeds grooter getale, om voor de uitoefening van een of ander beroep

in de maatschappij zich voor te bereiden en alzoo haar eigen brood te

verdienen. Sedert het midden der vorige eeuw kwam er daarom naast eene

z. g. n. proletarische, ook eene burgerlijke vrouwenbeweging op.

De proletarische vrouwenbeweging vertoonde van den beginne af een eigen

karakter. Het was n. l. niet de behoefte aan of de lust tot arbeid, maar

de nood des levens, die vrouwen en meisjes in grooten getale naar de

fabrieken dreef, om het karig loon van den man met eenige bijverdienste

tot onderhoud van het gezin te vermeerderen. Maar deze ellendige

toestanden in de gezinnen en in de fabrieken vormden een vruchtbaren

bodem voor de verlossende gedachten der sociaaldemocratie, die in

dienzelfden tijd in Duitschland opkwam. MARX en ENGELS waren de

stichters van het z. g. n. wetenschappelijk socialisme, dat een verband

legde tusschen maatschappij en wetenschap, en uit de geschiedenis van

verleden en heden trachtte aan te toonen, dat de ontwikkeling van het

kapitalisme noodwendig leiden moest tot voortdurende vermeerdering

van de ellende des volks en tot ineenstorting der tegenwoordige

maatschappij. De geschiedenis werd daarbij bezien in het licht van

het historisch materialisme, dat van FEUERBACH, DARWIN e. a. de

materialistisch-evolutionistische wereldbeschouwing overnam, en over den

oorsprong en de ontwikkeling der familie zich aansloot bij de destijds

opgang makende theorieën van BACHOFEN, MORGAN, MCLENNAN e.a.

Deze theorieën kwamen in het kort hierop neer: de aanvang der

menschelijke samenleving was de horde, waarin promiscuiteit (regelloos

geslachtsverkeer) heerschte evenals bij de dieren des velds. Maar

langzamerhand ontwikkelde zich daaruit een andere vorm van gemeenschap,

n. l. de gunaikokratie, de periode der vrouwenregeering, waarvoor de

grond voornamelijk gelegen was in het feit, dat de band tusschen moeder

en kind vóór en na de geboorte veel inniger en sterker was dan die

tusschen vader en kind. Omdat er n. l. regelloos geslachtsverkeer en

geen band des huwelijks bestond, was de vader van het kind onbekend;

maar de moeder bleef aan het kind gebonden, en had het ook na de

geboorte nog jaren lang te verzorgen; de afstamming kon dus niet naar

den vader, maar moest naar de moeder gerekend worden (moederrecht);

zij was het hoofd en middelpunt des gezins, oefende in dezen kring een

onbeperkt gezag uit en was volkomen zelfstandig; het was de gouden eeuw

voor de vrouw.

Maar aan dezen idyllischen toestand kwam een einde door de cultuur,

welke ook hier weer de natuur bedierf; toen n.l. de mannen hun nomadisch

leven lieten varen, en zich gingen toeleggen op landbouw en nijverheid,

toen ze bezitters werden van landerijen, kudden en slaven, van wapenen

en voorraden, toen verdrongen ze allengs ook de vrouwen uit haar

voormalige eervolle positie en namen zelven de eerste plaats in het

gezin en de familie in. Het moederrecht maakte toen voor het vaderrecht

plaats, het oorspronkelijk communisme voor het privaat bezit, de

heerschappij van de vrouw voor die van den man, de polygamie voor de

monogamie.

Van deze verkregen macht heeft de man vervolgens in den loop der

eeuwen een steeds schandelijker misbruik gemaakt; de vrouw is het

eerste menschelijk wezen, dat in knechtschap kwam; zij werd uit het

openbare leven teruggedrongen in haar huis, mocht niet met mannen

omgaan en buitenshuis niet anders dan gesluierd verschijnen; door eene

ongemakkelijke kleeding werd zij bovendien voor elke vrije beweging, en

voor allerlei nuttigen arbeid ongeschikt gemaakt. De mannen behielden

zich allerlei vrijheden voor, van veelwijverij, hoererij enz., maar de

vrouw werd allengs door gewoonte en ook door de wet van al hare rechten

beroofd; de vrouw werd in vollen zin rechtloos, het eigendom van den

man, die met haar handelen kon naar welgevallen. De man werd de heer,

de eigenaar, het hoofd, de bourgeois, en de vrouw werd de slavin,

vertegenwoordigster van het proletariaat.

De vrouw in de hedendaagsche maatschappij · 第 3 / 16 段