Nu behoort er bij al deze verhoudingen onderscheid gemaakt te worden

tusschen den vorm, waarin ze toenmaals door zeden en wetten geregeld

waren, en het beginsel of wezen, dat er aan ten grondslag ligt. De

verhouding van kinderen en ouders, van dienstknechten en heeren, van

onderdanen en overheid heeft in onze gewoonten en wetgeving een gansch

anderen vorm aangenomen, dan die in de Grieksch-Romeinsche wereld

bestond; de macht der ouders, der patroons, der overheid is volstrekt

niet onbegrensd meer, maar is op allerlei wijze beperkt. En zoo is het

ook met de verhouding van de vrouw tot den man in het huwelijk; de man

is geen „heer” meer van de vrouw in den vroegeren zin van het woord,

en de vrouw is geen eigendom meer van den man, waarmede hij handelen

kan naar welgevallen, en waarvan hij zich ontdoen kan door een

scheidbrief, als hij wil. Christus heeft daar zelf door zijn verbod

der echtscheiding, anders dan om hoererij, een einde aan gemaakt, de

scheppingsordening hersteld en aan de vrouw eene vaste, blijvende plaats

geschonken aan de zijde van den man. Echter—niet in het afgetrokkene,

alsof elke vrouw aan elken man, of _de_ vrouw steeds aan _den_ man

onderworpen ware—maar in het _huwelijk_ blijft de natuurlijke, in de

schepping gegeven ordening bestaan, dat de man het hoofd is en de vrouw

hem tot eene hulpe tegenover hem gegeven is.[13] Aan deze in de natuur

zelve gelegen verhouding kan niemand iets veranderen; huwelijk en gezin

eischen een hoofd, dat de eenheid vertegenwoordigt en bewaart, en

daarvoor kan toch alleen de man in aanmerking komen.

[13] Tot recht verstand van 1 Cor. 11 : 7–12 merke men op, dat 1º de

man wel het beeld en de heerlijkheid Gods heet, maar de vrouw niet

het beeld, doch alleen de heerlijkheid des mans. Want ook de vrouw

is niet eerst middellijk door den man, doch rechtstreeks beeld

Gods; dat 2º de man daarin boven de vrouw verheven is, dat hij

de heerlijkheid Gods is, d. w. z. in het huwelijk en gezin de

heerschappij draagt, stand en rang bepaalt, en de vrouw daaraan

slechts door het huwelijk deel krijgt; en dat 3º deze verhouding

toch weer niet eenzijdig is op te vatten, alsof alles van de zijde

van den man komt en op de vrouw overgaat, maar in het Christelijk

huwelijk, in den Heere, is noch vrouw zonder man, noch man zonder

vrouw. En dit komt weer met de natuurorde overeen, want bij de

schepping ontstond wel de vrouw uit den man, maar daarna wordt de

man toch door de vrouw ter wereld gebracht; en dat alles is zoo

door God bepaald. Hieraan zij nog toegevoegd, dat de tweede hier

gemaakte opmerking ook verklaart, waarom wij God niet anders

dan mannelijk kunnen denken. Wel worden Hem in de Schrift ook

vrouwelijke eigenschappen toegekend, Jes. 49 : 15, 66 : 13, maar

wijl God altijd de Eerste is, de Onafhankelijke, de Schepper

en Regeerder van alle dingen, komt zijn beeld en gelijkenis

vergelijkenderwijs beter in den man, dan in de vrouw aan het

licht. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben,

M. Gladbach 1906 bl. 116. RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 232 v.

Dit beginsel is het, dat ook in het Nieuwe Testament, met name door den

apostel Paulus, wordt gehandhaafd. Daarnaar beoordeelt hij zelfs het

optreden der vrouw in het midden der gemeente. Vrouwen namen van den

aanvang af in de Christelijke gemeente eene eervolle plaats in; zij

waren met de apostelen eendrachtelijk volhardende in het bidden en

smeeken, in de gemeenschap en de breking des broods, Hand. 1 : 14,

2 : 42, en deelden in allerlei gaven des Geestes, Hand. 2 : 17,

inzonderheid in de profetie, Hand. 21 : 9, 1 Cor. 11 : 5 verg. Openb.

2 : 20. Tegen het bidden of profeteeren der vrouw in het midden der

gemeente verzet Paulus zich niet, 1 Cor. 11 : 5; alleen komt hij er

tegen op, dat zij dit doet met ongedekten hoofde; want de sluier, die

in de Christelijke gemeente uit het Jodendom werd overgenomen en later

het kenmerk der gewijde jonkvrouwen werd (virgines velatae), was voor

hem het bewijs, dat de vrouw, ofschoon zelfstandig, als profetes, in de

gemeente optredende, toch de natuurlijke ordening in het huwelijk bleef

erkennen en niet, door valsche emancipatiezucht gedreven, zich misschien

op hare gaven liet voorstaan en als eene „vrije vrouw” zich boven den

man wilde verheffen. Dreigde er ook niet eenig gevaar, dat vrouwen

misbruik maakten van de geestelijke eenheid in Christus, evenals slaven

in Corinthe op grond van hunne geestelijke gelijkheid vrijlating van

hunne heeren eischten? 1 Cor. 7 : 20 v.

Opmerkelijk blijft hierbij, dat Paulus zich tegen het bidden en

profeteeren der vrouw in het midden der gemeente niet verzet, mits

het geschiede in eerbiediging der bestaande verhoudingen in het

huwelijk. Zeker werd hij daarvan ook teruggehouden door het voorbeeld

der profetessen in het Oude Testament. Maar het schijnt, dat Paulus

deze vrijheid der profetie een paar hoofdstukken verder, in 1 Cor.

14 : 34, en later nog sterker in 1 Tim. 2 : 12 terugneemt. Want daar

zegt hij, dat de vrouwen in de gemeenten, moeten zwijgen, dat het haar

niet toegelaten is te spreken, dat zij niet mogen onderwijzen maar in

stilheid moeten zijn; als zij iets willen weten, moeten zij tehuis hare

eigene mannen vragen, want het staat leelijk voor de vrouwen, dat zij in

de gemeente spreken; ze moeten onderworpen zijn, gelijk ook de wet zegt.

Er zijn vele pogingen beproefd, om deze beide uitspraken van den apostel

met elkander in overeenstemming te brengen; maar de waarschijnlijkste

is die, welke tusschen het bidden en profeteeren eenerzijds en het

spreken andererzijds onderscheid maakt. In de gemeente van Corinthe n.l.

was nog het vrije woord geoorloofd, vooral in den vorm van profetie,

glossolalie, uitlegging der talen enz., en Paulus komt daar niet tegen

op, maar geeft er alleen eenige regelen voor aan. Zoo keurt hij ook het

charismatisch, dat is, het uit aandrift des Geestes geboren bidden en

profeteeren der vrouwen niet af, mits het niet vergezeld ga van eene

valsche emancipatiezucht. Maar wel verzet hij zich beslist in 1 Cor.

14 : 34 tegen het spreken, dat is waarschijnlijk tegen het vragen,

critiseeren, redeneeren, zooals dat wel bij de Grieksche hetaeren

gewoonte was, en in 1 Tim. 2 : 12 tegen het onderwijzen, d.i. het

optreden als leerares in de gemeente. Dat Paulus hier zoo nadrukkelijk

aan de vrouwen het zwijgen in de gemeente oplegt, bewijst wel, dat zij

in Corinthe van het vrije woord misbruik maakten, en ook later nog in

Efeze, toen dat vrije woord reeds tot het verleden behoorde, tegen deze

ordening in verzet kwamen. Voor het overige vergete men niet, dat, toen

de zendingsgemeente langzamerhand in eene volledig geïnstitueerde kerk

overging, de profetie met alle buitengewone geestesgaven uitstierf en

het vrije woord niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan de mannen

ontnomen werd; de ambtelijke dienaar des woords behield alleen het

recht, om in de gemeente te spreken en te leeren.

Van dezen specialen dienst uitgesloten, werd de vrouw toch in de eerste

Christengemeenten tot allerlei anderen arbeid geroepen. Ten eerste waren

er vele vrouwen, die haar woningen openstelden voor de samenkomsten der

gemeente, zichzelven den heiligen ten dienste schikten, gastvrijheid

bewezen, armen en kranken verzorgden, en daarom als dienaressen, Rom.

16 : 1, als voorstandsters of patronessen geëerd werden, Rom. 16 : 2,

1 Cor. 16 : 15, 16. Zulke „moeders der synagogen” waren ook al in het

Jodendom bekend en kwamen in de eerste Christengemeenten veelvuldig

voor; men denke slechts aan de moeder van Johannes Markus in Jeruzalem,

Hand. 12 : 12, PHEBE in Kenchreae Rom. 16 : 1, PRISCILLA met haar man

AQUILA in Efeze, later in Rome, Hand. 18 : 2, 26, Rom. 16 : 3, het huis

van STEPHANAS, eersteling van Achaje, 1 Cor. 16 : 15. Omdat PHEBE in

Rom. 16 : 1 eene diakonos heet, meende men vroeger algemeen, dat al deze

vrouwen diaconessen waren in onzen zin van het woord. Maar dit gevoelen

schijnt niet houdbaar te zijn; ze worden n.l. ook met andere namen

aangeduid, zoo als medearbeidsters in Christus Jezus, Rom. 16 : 3, Phil.

4 : 3 (evenals elders TIMOTHEUS, CLEMENS, PHILEMON, LUCAS, MARKUS enz.

zoo heeten), als voorstanders, Rom. 16 : 2, als dezulken, die met PAULUS

en andere medearbeiders medegestreden hebben in het Evangelie, Phil.

4 : 3. De dienst, door deze vrouwen verricht, was dus niet of althans

niet uitsluitend werk der barmhartigheid, maar een dienst in het

Evangelie, een mede-arbeiden met PAULUS en anderen in de

verbreiding van de boodschap des heils.

Hiermede stemt overeen wat ons van PRISCILLA en haar man AQUILA wordt

verhaald; waarschijnlijk waren zij beiden in Rome Christen geworden,

maar ze weken uit naar Corinthe om het bevel van CLAUDIUS, dat alle

Joden uit Rome vertrekken moesten, ontmoetten daar PAULUS en reisden met

hem naar Efeze; daar werkten zij een tijd lang met hem samen en bleven

er achter, toen PAULUS doorreisde naar Jeruzalem. In Efeze ontvingen ze

dezen zegen op hun arbeid, dat zij aan APOLLOS den weg Gods nauwkeuriger

konden uitleggen; en zoo arbeidden ze op hunne reizen in de zending

voort, en brachten zij eene schare van discipelen toe, Hand. 18 : 2,

18, 19, 26, Rom. 16 : 3, 4, 1 Cor. 16 : 19, 2 Tim. 4 : 19. HARNACK kwam

hierdoor op het vermoeden, dat PRISCILLA, die dikwerf vóór haar man

wordt genoemd, en AQUILA de auteurs waren van den brief aan de Hebreeën,

maar dit gevoelen is meer geniaal dan gegrond. Ook volgt uit dezen

arbeid niet, dat PRISCILLA in den ambtelijken zin als leerares optrad;

maar zij en haar man werkten toch met PAULUS en anderen mede in de

verbreiding van het Evangelie. PLINIUS maakt dan ook in zijn brief aan

keizer TRAJANUS gewag van twee Christelijke vrouwen, die ministrae

(dienaressen) genoemd werden. CLEMENS ALEXANDRINUS zegt, dat de

vrouwen, die den apostel PAULUS op zijne zendingsreizen vergezelden,

medewerkten in de leer, en, terwijl de apostelen het Evangelie aan

de mannen verkondigden, het Evangelie aan de Heidensche en Joodsche

vrouwen brachten, niet in het openbaar, maar privaat in de huizen.

En CHRYSOSTOMUS getuigt van de vrouwen, die met de apostelen

mede-arbeidden, dat zij de baan van apostelen en evangelisten betraden,

niet door in het openbaar in de vergadering der geloovigen het Evangelie

te verkondigen, maar wel door in privaat gesprek of ook wel door andere

diensten (gastvrijheid) bij de verbreiding des Evangelies behulpzaam te

zijn.

Zooals de genoemde plaatsen recht geven, om bij de verbreiding van het

Evangelie van een hulpdienst der vrouwen te spreken, zoo wijst 1 Tim.

5 : 9, 10 ons, ten tweede, op zulk een hulpdienst bij het presbyteraat

(opziener- of ouderlingschap). Wel is waar is ook in Tit. 2 : 3–5 van

bejaarde vrouwen sprake, die in heel haar handel en wandel zich zoo

gedragen moeten, als den heiligen betaamt, opdat zij de jonge vrouwen

leeren, voorzichtig te zijn en hare mannen en kinderen lief te hebben.

Doch deze vermaning moet door Titus niet gericht worden tot enkele

verkorene, maar tot alle bejaarde vrouwen, en ze houdt niet zoozeer

een leeren door het woord, als wel door het voorbeeld in, verg. 1 Pet.

3 : 1.

Van meer belang voor ons doel is hetgeen Paulus in 1 Tim. 5 : 9, 10

zegt. Nadat hij eerst de zorg voor de arme weduwen aan de familieleden

(kinderen en kleinkinderen) en daarna aan de gemeente heeft aanbevolen,

maakt hij in de genoemde verzen gewag van de verkiezing (of eigenlijk de

inschrijving op een rol of register) van eene weduwe, die niet minder

dan 60 jaren oud is en eens mans vrouw is geweest. Aan zulk eene weduwe

worden voorts vele eischen gesteld: ze moet getuigenis hebben van goede

werken, kinderen hebben opgevoed, gaarne geherbergd, de voeten der

heiligen gewasschen, aan verdrukten hulp bewezen hebben, in alle goed

werk ijverig geweest zijn. Uit deze vereischten laat zich afleiden, dat

deze weduwe tot een bijzonderen dienst in de gemeente geroepen werd, en

wel waarschijnlijk tot het bezoeken van armen, kranken, gevangenen, tot

het opvoeden van weezen en het geven van raad en leiding aan de jongere

vrouwen. De tegenstelling, welke in de volgende verzen 11–16 gemaakt

wordt, beveelt deze opvatting aan; want daar is sprake van jonge

weduwen, die eerst wel voor zulk een dienst zich aanboden, maar spoedig

ontrouw werden, omdat ze liever wilden hertrouwen en bij het huisbezoek

door hare ledigheid en babbelzucht meer kwaad dan goed deden. De apostel

beveelt dan ook, dat zulke jonge weduwen liever moeten huwen, kinderen

voortbrengen en haar huis wel regeeren, opdat zij aan den tegenstander

geen oorzaak van lastering geven. In de latere kerkelijke litteratuur

(bij den Pastor van Hermas, Clemens, Origenes, Tertullianus) vinden wij

dan ook enkele malen melding gemaakt van oudere weduwen, die als eene

soort vrouwelijke ouderlingen (presbytides, presbyterae, presbyterissae)

dienst deden en eene eereplaats in de gemeente innamen.

En zoo was er ten derde ook een hulpdienst der vrouwen bij het

diaconaat. De naam diakonos, in Rom. 16 : 1 aan PHOEBE gegeven,

is hiervoor niet beslissend, maar in 1 Tim. 3 : 11 zegt Paulus, dat

de vrouwen evenzoo (als de diakenen) eerbaar moeten zijn, geene

lasteressen, wakker, getrouw in alles. Sommigen hebben hierbij

aan de echtgenooten der diakenen gedacht, maar dit gevoelen is

onwaarschijnlijk, omdat het woord: insgelijks (of evenzoo) eene andere

categorie van personen inleidt; de tekst niet van _hunne_, maar alleen

van _de_ vrouwen spreekt; en ook bij de opzieners, wier vereischten in

vers 1–7 worden opgesomd, van hunne vrouwen niet de minste melding

geschiedt. Zulke dienende vrouwen, als hier waarschijnlijk worden

bedoeld, komen later in de kerkelijke litteratuur ook meermalen voor.

Maar het valt moeilijk te zeggen, in welk opzicht de bovengenoemde

weduwen en de hier bedoelde diaconessen van elkander onderscheiden

waren en in welke verhouding zij tot elkander stonden; soms gaan de

weduwen in rang aan de diaconessen vooraf, en soms volgen zij haar.

Tot de werkzaamheden dezer vrouwen behoorden niet alleen werken van

barmhartigheid, zooals armenzorg, ziekenbezoek enz.; maar men maakte

van haar dienst vooral ook gebruik, 1º. door vrouwen in hare woningen

te bezoeken en met de leer des Evangelies bekend te maken, en 2º om

behulpzaam te zijn bij het ontvangen der sacramenten, den doop, de

handoplegging, de zalving enz. Mannen konden deze diensten moeilijk

bewijzen, omdat daardoor allicht aanleiding gegeven zou zijn tot kwaad

gerucht. De hulpdienst van het diakonaat kwam daardoor in het Oosten

vooral tot ontwikkeling; in het Westen daarentegen bestond alleen het

viduaat (de weduwendienst), zelfs nog tot in de derde eeuw toe[14].

[14] HARNACK, Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei

Jahrh.{2}, Leipzig 1906. E. VON DER GOLTZ, Der Dienst der Frau in

der Christl. Kirche 1905, ZSCHARNACK, Der Dienst der Frau in den

ersten Jahrhunderten der Christl. Kirche, Göttingen 1902, die vóór

de inhoudsopgave ook litteratuur noemt. ACHELIS in PRE{3} IV 616.

RÖSLER, Die Frauenfrage 1907, bl. 239 v. LYDIA STÖCKER, Die Frau

in der alten Kirche, Tübingen 1907, GERLINGS, De vrouw in het

oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam, 1913. HARRENSTEIN, Het

arbeidsterrein der Kerk in de groote steden, Kampen J. H. Kok 1913

Bijlage J.

3. DE VROUW IN DE CHRISTENHEID.

Zoo was er in de Christelijke kerk oorspronkelijk een krachtig streven,

om voor de velerlei werkzaamheden binnen en buiten de gemeente van den

dienst der vrouwen gebruik te maken. Ook namen ze in den ouden tijd,

toen de bisschopskeuze nog niet aan een bepaald deel der geestelijkheid

was toebetrouwd, hier en daar soms met de mannen aan die verkiezing

deel[15]. Maar inzonderheid drie oorzaken hebben deze ontwikkeling in

haar loop gestuit, de haeresie, de hierarchie en de ascese. Wat de

haeresie betreft, de geschiedenis der godsdiensten bewijst, dat in

enthusiaste tijden de verbreiding eener religie ontzaglijk veel aan de

werkzaamheid der vrouwen te danken heeft. Men denke in den nieuweren

tijd slechts aan Mad. BLAVATSKY, Mrs. BESANT, Mrs. EDDY enz.; maar zoo

was het altijd en overal, in het oorspronkelijke Christendom, en daarna

in het Gnosticisme, Marcionitisme, Montanisme, Priscillianisme enz.

Deze secten droegen aan de vrouwen dikwerf het ambt op, om te leeren

en de sacramenten te bedienen. Naarmate deze vrouwelijke propaganda van

kettersche leeringen toenam en gevaarlijker werd, klemde de kerk zich

vast aan het woord van Paulus: mulier taceat in ecclesia, de vrouw

zwijge in de gemeente, en werd voor al wat op een ambtelijken dienst

der vrouw geleek, bevreesd. De ontwikkeling der hierarchie leidde in

dezelfde richting; de charismatische organisatie maakte meer en meer

voor de institutaire, gereglementeerde kerk plaats. Aan den leek,

niet alleen aan de vrouw, maar ook aan den man, werd het vrije

woord ontnomen; het woord bleef alleen aan den bisschop, aan de

geestelijkheid. De hoogste ambten in de kerk kregen een priesterlijk

karakter; en vrouwen kunnen en mogen, naar het woord van TERTULLIANUS,

alleen priesteressen der kuischheid zijn. Eindelijk kwam er nog de

ascese bij, die sedert de tweede eeuw meer en meer bij de Christenen

ingang vond, straks door de kerk erkend en opgenomen werd en alzoo aan

de dubbele moraal het aanzijn schonk. De martelaar, de kluizenaar, de

monnik, de bedelmonnik, de zelfpijniger werd de ware Christen. In de

Middeleeuwen gingen wereldvlucht en wereldzucht met elkander gepaard.

[15] MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M. Gladbach.

1906 bl. 58.

Deze ascetische richting is oorzaak geweest, dat kerkelijke mannen over

den zinnelijken lust, over het huwelijk en over de vrouw menigmaal een

eenzijdig en onbillijk oordeel hebben gevoeld. Op de tweede synode te

Macon in 585 werd er zelfs door een bisschop beweerd, dat vrouwen niet

in den vollen zin menschen konden genoemd worden.[16] Maar dit geval

staat vrijwel op zichzelf; de synode toonde uit den Bijbel aan, dat de

vrouw wèl een mensch mag heeten, want Jezus heette de Zoon des menschen,

dat is van Maria. En tegenover al de minachting, welke aan de vrouwen

van de zijde van kerkvaders, monniken, inquisiteurs enz. te beurt is

gevallen, mag men billijkheidshalve niet vergeten, dat de kerk de

ascetische buitensporigheden van sommige secten steeds bestreden heeft;

dat zij de ascetische levenswijze tot de raden, niet tot de geboden

rekende, en huwelijk, monogamie en onontbindbaarheid van den echt

hoog gehouden heeft. Ook gingen de Kerkvaders in hunne verachting

nooit zoover als de Manichaeën, die het sexueele met het zondige

vereenzelvigden; velen hunner, bijv. CLEMENS ALEXANDRINUS en AMBROSIUS,

hebben van de vrouw met hooge waardeering gesproken. Vrouwenhaters zijn

er bovendien, evenals vrouwenvergoders, steeds en onder alle richtingen

geweest; men denke slechts aan SCHOPENHAUER en NIETZSCHE.

[16] Verg. _De Katholiek_, Dec. 1903 bl. 463, en Aug. Sept. 1917 bl.

84. De vraag, of de vrouw een mensch verdiende te heeten, werd

ook later nog wel in scherts gesteld. In 1595 verscheen daarover

te Wittenberg eene disputatie, welke bestreden werd door Dr.

ANDREAS SCHOPPE in zijne Corona dignitatis muliebris 1596 en later

ook door Dr. S. GEDICKE te Maagdenburg in eene Defensie sexus

muliebris, Hagae Comitum 1638. Verg. DE MOOR, Comment. in Marckii

Comp. II 982. En in 1779 verscheen hier te lande nog een pamflet

getiteld: Bewijs dat vrouwen geen menschen zijn.

Vooral echter neme men nog in aanmerking, dat de kerk de hulpdiensten

der vrouwen wel langzamerhand geheel teruggedrongen en vernietigd heeft,

maar op eene andere wijze en in een anderen vorm toch behouden en

hersteld heeft. De vrouw, die in den dienst der kerk rechtstreeks niet

meer te gebruiken was, en toch daarvoor roeping gevoelde, zonderde

zich van de wereld af, ging met anderen samenwonen, of zocht eene

schuilplaats in het klooster. Want van het ontstaan van het monnikwezen

af werden er ook kloosters voor vrouwen gebouwd, dikwerf met die van

kloosters voor mannen onder één toezicht gesteld. Met BENEDICTUS VAN

NURSIA werkte zijne zuster SCHOLASTICA samen; LIOBA was medearbeidster

van BONIFACIUS en abdis van het klooster Bischofsheim aan den Tauber; de

abdis van het klooster te Fontévrault (dep. Maine et Loire) stond aan 't

hoofd van nonnen en monniken; de Zweedsche BIRGITTA stichtte niet alleen

een klooster voor 60 nonnen, maar daarnaast ook een klooster voor 72

monniken. Zoo ontstonden er dusgenaamde dubbele kloosters, ook in de

orde der Praemonstratensen, Cisterciensen, Gilbertijnen enz., en voegden

vele orden, zooals vooral die der Franciscanen en Dominikanen, ook nog

Tertiariërs en Tertiarinnen aan zich toe, die zonder het afleggen van

bepaalde kloostergeloften, toch naar den zoogenaamden derden regel

gingen leven; in den nieuweren tijd kwamen er nog tal van congregaties

van mannen en van vrouwen bij. De Roomsche kerk heeft de vrouwen dus

wel beslist uit de ambten geweerd, maar toch op andere wijze van haar

diensten ruimschoots gebruik gemaakt. En door al deze vrouwen is op het

gebied van handwerk, kunst en wetenschap, onderwijs en opvoeding, armen-

en krankenzorg, barmhartigheid en zending eene werkzaamheid ontwikkeld,

welke niet hoog genoeg gewaardeerd kan worden.

Maar in deze kloosters trad dikwerf verval in, zoodat telkens hervorming

noodig was. En tegen het einde der Middeleeuwen nam dit verval in die

mate toe en werd het zoo algemeen, dat de kloosters in alle landen te

slechter naam en faam bekend stonden. Men kon zijne dochter—zeide

GEILER VON KAISERSBERG—beter naar een publiek huis, dan naar vele

kloosters zenden. De hoogere en lagere geestelijkheid stond niet

beter aangeschreven, want, sedert GREGORIUS VII haar tot het coelibaat

verplichtte, leefde ze voor het grootste gedeelte in concubinaat,

indien niet erger, in openbare hoererij. De minnedienst der ridderorden

ontaardde bovendien in sentimentaliteit en bandeloosheid. De prostitutie

greep steeds verder om zich heen en werd een gevaar voor de steden niet

alleen, maar ook voor het platteland. Onder dit alles leed de naam en de

waardeering der vrouw; ze werd in spreuk en lied, in ernst en scherts op

honende wijze veracht en bespot. En de officieele wetenschap bood er

weinig tegenwicht aan.

THOMAS AQUINAS was evenals AUGUSTINUS van oordeel, dat de prostitutie,

schoon onvereenigbaar met het Christendom, toch wegens hare

onuitroeibaarheid geduld moest worden.[17] In zijn oordeel over de vrouw

bindt hij zich al te zeer aan het gezag van ARISTOTELES, die wel veel

treffelijks over de vrouw heeft gezegd, maar haar toch minderwaardig

achtte, want de man was het actieve principe, overtrof haar in

rechtvaardigheid, dapperheid en deugd, en de vrouw is het passieve

principe, de hulè, (de stof in Aristotelischen zin, tegenover den

vorm), een man zonder zaad, een verminkte man. Deze voorstelling werd

door THOMAS overgenomen en meermalen herhaald; de vrouw is een mas

occasionatus, een verminkte man.[18] De asceten gingen op dit thema

dikwerf nog verder door, en beschuldigden de vrouw van allerlei

ondeugden; zelfs THOMAS A KEMPIS waarschuwt tegen alle vertrouwelijkheid

met eenige vrouw.[19] Het toppunt van deze vrouwenverachting werd in

den Heksenhamer van de beide Dominicanen SPRENGER en KRÄMER bereikt,

die in 1489 het licht zag en in groote mate heeft bijgedragen tot de

heksenvervolging. In de 13e eeuw toch leidde de verscherping der tucht

tegen de vele opkomende ketterijen tot het instellen der Inquisitie,

die meer en meer ook op de tooverij hare aandacht richtte en een nauw

verband aannam tusschen haeresie en magie. Duizenden en duizenden

vrouwen zijn van dien tijd af, tot in de achttiende eeuw toe, in

Protestantsche zoowel als in Roomsche landen, van dezen heksenwaan de

beklagenswaardige slachtoffers geweest.[20]

[17] In het tractaat van THOMAS over de regeering der vorsten komt de

uitdrukking voor: Hoc facit meretrix in mundo quod sentina in mari

vel cloaca in palatio; maar ze staat in een gedeelte, dat niet

meer door THOMAS zelf geschreven werd.

[18] THOMAS, Summa Theol. I 92 art. 1.

[19] THOMAS A KEMPIS, Over de navolging van Christus I 8.

De vrouw in de hedendaagsche maatschappij · 第 2 / 16 段