Van ontrouw aan eens beleden beginselen valt hierbij niet te

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Tekst in superscript is als {superscript} |

| weergegeven. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |

| accent, met/zonder afbreekstreepje, met/zonder extra spatie). |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |

| |

+----------------------------------------------------------------+

DE VROUW IN DE HEDENDAAGSCHE MAATSCHAPPIJ.

DE VROUW

IN DE

HEDENDAAGSCHE MAATSCHAPPIJ

DOOR

Dr H. BAVINCK

[drukkersmerk: Ick Hou Koers ··OP·HOOP·VAN·ZEGEN··]

J. H. KOK—1918—KAMPEN

_Deze brochure heeft niet ten doel, een vurig pleidooi te leveren

voor het passieve en actieve vrouwenkiesrecht. Er zou daartoe een

grooter geloof aan de heilrijke gevolgen van dit of van eenig ander

kiesstelsel vereischt worden, dan ik mijzelven toekennen mag. Toch ben

ik van meening, dat het vrouwenkiesrecht, indien het door een steeds

grooter deel der bevolking en met klimmenden ernst wordt begeerd, door

de mannen in den tegenwoordigen tijd en bij het vigeerende kiesstelsel

niet _BEHOORT_, en ook niet op afdoende gronden _KAN_ geweigerd worden.

Trouwens, indien de teekenen der tijden niet bedriegen, komt het

vrouwenkiesrecht, evenals in vele andere landen, binnen enkele jaren

ook in ons Vaderland tot stand, zoo niet met, dan tegen onzen zin. En

dan is het zaak, om voor dien tijd gereed te zijn, ons rekenschap te

geven van de plaats, welke de vrouw in de hedendaagsche maatschappij

inneemt, en ernstig na te denken over de opvoeding, welke haar daartoe

opleiden moet. Voornaamste doel van dit geschrift is daarom, de aandacht

te vestigen op de belangrijke vraagstukken, die met het vrouwenleven

in den tegenwoordigen tijd in verband staan, en die volstrekt niet

nieuw zijn, maar toch in onze kringen tot dusver nog al te weinig

belangstelling hebben gevonden._

_H. BAVINCK._

_Amsterdam, Januari 1918._

1. HERZIENING VAN HET KIESRECHT.

Toen in 1887 de Grondwet werd herzien, meende men de beweging, welke

voor het politieke stemrecht der vrouw aan het opkomen was, nog te

kunnen tegenhouden, door aan het woord _ingezetenen_ in art. 80 de

beperking van _mannelijke_ toe te voegen. Maar deze dam bleek al spoedig

veel te zwak, om den stroom van het leven te keeren. In de negentiger

jaren nam de beweging derwijs in kracht toe, dat alle politieke partijen

zich genoodzaakt zagen, daartegenover hare positie te bepalen.

De Sociaal-democratische partij beschouwde het vrouwenkiesrecht niet als

een doel, waarvoor op zichzelf de strijd moest aangebonden worden; want

van veel grooter en algemeener belang is het streven naar eene nieuwe

productiewijze, welke aan alle wanverhoudingen in de maatschappij een

einde zal maken en ook aan de vrouw de plaats zal schenken, welke haar

toekomt. Als de tactiek het dus met het oog op dit einddoel gebiedt,

laat de partij de actie voor het vrouwenkiesrecht rusten, en ijvert zij

er eerder voor, dat aan baliekluivers dan aan vrouwen het kiesrecht

worde verleend. Maar toch nam zij, kort na hare stichting in 1895, in

aansluiting bij de partij in het buitenland, in haar program den eisch

op van algemeen, direct, enkelvoudig kiesrecht voor mannen en vrouwen,

en begon er eene steeds krachtiger propaganda voor te drijven. In

1911 organiseerde ze een petitionnement, dat door meer dan driemaal

honderdduizend personen onderteekend werd, en stelde tevens jaarlijks

een Vrouwendag in, waartoe het congres der Internationale te Kopenhagen

in 1910 het besluit had genomen.[1]

[1] Het einddoel van het feminisme is dus in het socialisme begrepen,

zegt HENRIETTE ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidswetgeving en

de sociaaldemokratie, Rotterdam, Wakker, bl. 27.

De Liberale partijen waren over algemeen en over vrouwenkiesrecht

onderling verdeeld. De Vrije Liberalen, die in 1906 een eigen Bond

oprichtten, voelden er weinig voor; de Unie-Liberalen waren er

slechts matig mede ingenomen; maar de in 1901 zelfstandig opgetreden

Vrijzinnig-democratische partij betoonde er zich een warme voorstandster

van. Tegen den tijd der Kamerverkiezingen in 1905 kwamen zij tot

elkander en vereenigden zich in het bekende blanco-artikel: in de

Grondwet zou Art. 80 eenvoudig worden geschrapt en de regeling van het

kiesrecht geheel aan den gewonen wetgever worden overgelaten. Deze was

dan niet door eenige grondwettelijke bepaling gebonden, maar kon inzake

algemeen kiesrecht, vrouwenkiesrecht, evenredige vertegenwoordiging enz.

eene volkomen vrije beslissing nemen. En in 1913 verklaarden de drie

partijen in het Concentratie-manifest, dat de gelegenheid moest worden

geopend, om aan de vrouw het kiesrecht te verleenen, onafhankelijk van

welstand of bezit.

De Rechtsche partijen waren hier te lande zoowel als elders tegen

het algemeene en niet minder tegen het vrouwenkiesrecht gekant. De

Roomsch-Katholieke partij nam hierover in haar program wel geen

bepaalde uitspraak op, maar Kamerleden en persorganen lieten zich

toch doorgaans in dien geest uit. In de laatste jaren zijn echter vele

Roomsch-Katholieken ten opzichte van beide eene andere positie gaan

innemen.

In het jaar 1908 verklaarden zich in den Algemeen Bond van R.-Kath.

Kiesvereenigingen 39 stemmen voor algemeen, en 71 stemmen voor

huismanskiesrecht. En ten aanzien van het vrouwenkiesrecht leverde eene

enquête, welke _De Tijd_ in het begin van 1916 bij vele vooraanstaande

R.-Kath. vrouwen instelde, het resultaat op, dat 36 perc. van de

vrouwen, die de vragen beantwoordden, het vrouwenkiesrecht zonder eenige

beperking wenschten, ruim 35 perc. er niets van weten wilden, 12 perc.

het kiesrecht wilden verleend zien aan vrouwen, die hoofden van gezinnen

waren of eene zelfstandige positie innamen, en 16 perc. zich van eene

besliste uitspraak onthielden. In _De Tijd_ en andere organen kwamen

toen vele tegen-, maar ook onderscheidene voorstanders aan het woord,

zooals Mr. WITTERT, Pater VRIJMOED, Dr. G. A. H. IJSSELMUIDEN, Pater

RAAYMAKERS, Prof. BEYSENS, Prof. STRUYCKEN enz. En van de zijde

dergenen, die het politieke kiesrecht bestreden, begon men hoe langer

hoe meer de verzekering te geven, dat met deze quaestie geen

geloofsbeginsel is gemoeid; het vrouwenkiesrecht is noch met de

geloofsleer, noch met het natuurrecht in strijd; zelfs betreurt men het,

dat ook tegen het vrouwenkiesrecht alweer beginselen zijn ten strijde

geroepen, want van een onverzoenlijken tegenstand kan bij deze

practische quaestie, volgens Prof. BEYSENS, geen sprake zijn.[2]

[2] Zie: Een Katholieke vrouw over het vrouwenkiesrecht, uitgeg.

door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Pater VRIJMOED in

_De Beiaard_ Mei 1916. Prof. STRUYCKEN over Vrouwenkiesrecht in:

Grondwetsherziening, theorie en praktijk. Arnhem 1913 bl. 156–166.

Prof. AENGENENT in _De Katholiek_, Maart 1916 bl. 153–178

verklaarde er zich tegen, maar niet op gronden aan geloofsleer

en natuurrecht ontleend.

Bij de Christelijk-historische en de Antirevolutionaire partij vonden

algemeen en vrouwenkiesrecht evenmin sympathie. Onder de „afgeleide

beginselen” spreekt de Christ.-historische Unie alleen uit, dat de

Overheid haar gezag uitoefent ten goede van en daarom onder medewerking

van het volk, welke behoort toe te nemen, naarmate de taak der Overheid

zich uitbreidt, en waarbij zooveel mogelijk alle kringen van het volk

tot hun recht moeten komen. Evenzoo verwerpt de Antirevolutionaire

partij in haar beginselprogram de volkssouvereiniteit, en dringt aan op

bevestiging van den volksinvloed, en, tot betere vertegenwoordiging

van het volk door de Staten-Generaal, op invoering van een ander

kiesstelsel, en, ter voorbereiding daartoe, op verlaging van den

census. Maar reeds in 1888 stelde het Centraal Comité van Antirev.

kiesvereenigingen aan de Deputatenvergadering voor, om herziening van

het kiesrecht in dien zin voor te staan, dat alleen aan gezinshoofden

het kiesrecht toegekend werd. En dit gezinshoofdenkiesrecht vond meer en

meer instemming in de partij, echter zoo, dat het ook uitgebreid werd

tot diegenen, die met gezinshoofden of huismannen gelijk worden gesteld,

en tot vrouwen, die aan het hoofd van een gezin staan. Bij de herziening

van het program van beginselen, aangenomen op de Deputatenvergadering te

Utrecht den tweeden November 1916, ontving Art. 21 deze redactie: „Opdat

de Staten-Generaal in de natie wortelen en het volk niet slechts in naam

vertegenwoordigen, zal het kiesrecht organisch moeten worden geregeld,

en wel met erkenning van het gezinshoofdenkiesrecht en van het recht

der maatschappelijke groepen, om zich door eigen gemachtigden te doen

vertegenwoordigen. Krachtens beginsel verwerpt de partij stemplicht en

wraakt zij een staatkundig vrouwenkiesrecht. Het kiesrecht der weduwen

volgt vanzelf uit het kiesrecht der gezinshoofden”.

Deze tweeledige uitbreiding van het gezinshoofdenkiesrecht

ontmoette eerst nog wel bezwaar, maar werd toch gaandeweg in alle

Antirevolutionaire kringen aanvaard, ten bewijze, dat ook ten opzichte

van het kiesrecht eene voortdurende wijziging in de gevoelens

plaats had. Wel is waar bracht Minister KUYPER bij de herziening

van de gemeentewet geene verandering ten gunste van het passieve

vrouwenkiesrecht aan, en voegde hij zelfs in Art 61: „niemand is

tot burgemeester benoembaar, dan die Nederlander.... is”, vóór het

woord „Nederlander” het woord „mannelijk” in. Maar tegenover de

Vrijzinnig-democraten, die deze invoeging reactionair noemden, merkte

de Minister terecht op, dat hij zich daarmede geheel bewoog in de lijn

der Grondwet van 1887 en ook volkomen handelde in den geest van den

wetgever, die nooit aan de benoeming van eene vrouw tot burgemeester

had gedacht. Daarbij wees de Minister echter tevens aan, dat in het

feminisme een wettig en een onwettig streven te onderscheiden valt. Men

moet tegen twee uitersten op zijne hoede staan; er zal en er moet meer

vrijheid komen voor de vrouw, in den geest als ook het Christendom dat

wil, maar men eerbiedige de wetten der natuur en keere de verhouding van

man en vrouw niet in haar tegendeel om.[3]

[3] Handelingen der Tweede Kamer 13 Oct. 1903.

Intusschen wachtte het kiesrecht op eene nadere regeling, want die van

Minister VAN HOUTEN en later van GOEMAN BORGESIUS bevredigde niemand

meer. Onder het Kabinet-DE MEESTER werd dan ook in 1906 eene Commissie

benoemd, om na te gaan, hoe het blanco-artikel het best in de Grondwet

kon opgenomen worden, maar de arbeid van deze Commissie leidde tot

geen resultaat. De zaak werd opnieuw ter hand genomen door Minister

HEEMSKERK, die bij K. B. van 24 Maart 1910 eene Commissie benoemde, met

onbeperkte opdracht, om de Grondwet te herzien. Alle partijen waren

daarin vertegenwoordigd, o. a. de A. R. door Jhr. S. VAN CITTERS, Dr.

KUYPER, Mr. F. A. C. GRAAF V. LYNDEN V. SANDENBURG, Jhr. H. M. J. VAN

ASCH VAN WIJCK, wegens overlijden vervangen door Mr. H. A. VAN DE VELDE,

en Mr. HEEMSKERK zelf, die als Voorzitter der Commissie optrad. In

de Commissie werden natuurlijk ook pogingen beproefd, om Art. 80 te

wijzigen. Slechts ééne stem verklaarde zich in de Commissie voor

behoud van het bestaande Art. 80, en ook was er maar één lid voor een

blanco-artikel in de Grondwet. Maar overigens hield alle overeenstemming

op en liepen de meeningen ver uiteen. „Voorgestaan werd—zoo lezen wij in

het Verslag—het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen; het algemeen

kiesrecht voor mannen en vrouwen, die door eigen aanmelding toonen op

het bezit prijs te stellen; het algemeen kiesrecht voor mannen en een

attributief kiesrecht voor vrouwen, waarbij het stellen van eischen, aan

maatschappelijken welstand ontleend, zou zijn uitgesloten. Eindelijk

waren er leden, die zich voorstanders verklaarden van algemeen

kiesrecht voor mannen, doch van vrouwenkiesrecht niet wilden weten”.

Zelfs onder de voorstanders van kiesrecht aan alle gezinshoofden was

er weer verschil van meening, hoewel allen goedvonden, dat er ruimte

gelaten werd, „om individueele personen, die geen gezinshoofden waren

en al of niet tot een gezin behooren, kies-bevoegd te verklaren”. Voor

het gezinshoofdenkiesrecht bleek geen meerderheid te bestaan, ofschoon

leden der Rechtsche partijen de meerderheid in de Commissie uitmaakten.

En zoo bleven ook andere quaesties, aangaande actief en passief

vrouwenkiesrecht, den leeftijd van den kiezer, stemplicht, uitsluiting

van bedeelden, kiesrecht voor Gemeenteraden en Provinciale Staten,

evenredige vertegenwoordiging, onopgelost. De Commissie sprak aan het

slot alleen den wensch uit, dat de Regeering erin slagen mocht, voor

het moeilijke vraagstuk de aan 's lands welzijn meest bevorderlijke

oplossing tot stand te brengen.[4]

[4] Verslag der Grondwetscommissie, ingesteld bij K. B. van 24 Maart

1910 n{o}. 16 bladz. 2–4.

Toch verklaarde Minister HEEMSKERK kort daarna nog in de Eerste

Kamer: in den wensch naar zelfstandigheid van de vrouw zijn ook goede

elementen. Er is geen twijfel aan, of in de tegenwoordige omstandigheden

moeten voor de vrouw verschillende betrekkingen openstaan. Maar die

beweging kan ook ontaarden in het propaganda maken voor de stelling,

alsof eigenlijk de maatschappelijke positie van de vrouw en die van den

man in ieder opzicht gelijk zijn. En dat is niet het geval. Wat het

vrouwenstemrecht aangaat, voegde de Minister daaraan nog toe, dat er

tegen het geleidelijk invoeren van het vrouwenkiesrecht verschillende

bezwaren te maken zijn, die misschien niet te maken zijn tegen het meer

algemeen invoeren van het vrouwenkiesrecht.[5]

[5] Handel. der Eerste Kamer 17 Febr. 1913 bladz. 322.

Wijl de Grondwetscommissie dus inzake het kiesrecht niet tot

overeenstemming kon komen, was ze van te voren met onvruchtbaarheid

geslagen. Want het was toch in de eerste plaats de herziening

van het kiesrecht, voor welke eene Grondwetscommissie in het leven

was geroepen. Ja, juist wijl de Regeering voor de moeilijke taak

stond, om eene regeling van het kiesrecht voor te stellen, die in de

volksvertegenwoordiging kans van slagen had, riep zij het advies eener

Staatscommissie in. Maar daaruit volgt ook, dat, al boden de leden der

Commissie samen te dezer zake aan de Regeering niets anders aan dan

een goeden wensch, de quaestie daarmede niet van de baan geschoven kon

worden. En dit te minder, wijl ook de schoolquaestie om eene oplossing

riep. Te dezen aanzien stelde de Commissie voor, Art. 192 der Grondwet

zoo te wijzigen, dat het bijzonder onderwijs regel, het openbaar

aanvulling werd, en dat beide financieel gelijk zouden staan. Daar

slechts zes leden hierin niet mede konden gaan, werd het voorstel

door eene groote meerderheid gesteund. Maar toch kon er van eene

herziening van Art. 192 der Grondwet en alzoo van eene beëindiging van

den schoolstrijd niets komen, indien men inzake de herziening van Art.

80 niet een vergelijk wist te treffen.

Het Kabinet-CORT VAN DER LINDEN, dat in Aug. 1913 optrad, nam de twaalf

voorstellen inzake Grondwetsherziening, door het vorig Ministerie 5

Febr. 1913 bij de Tweede Kamer ingediend, terug, wijl het de oplossing,

van het electorale vraagstuk daarin voorgesteld, niet voor zijne

rekening kon nemen. De Troonrede van 1913 stelde een nieuw voorstel

tot Grondwetsherziening in uitzicht tot toekenning van het kiesrecht

aan alle mannelijke Nederlanders van een te bepalen leeftijd en

tot wegneming der grondwettelijke belemmering tegen het toekennen

van kiesrecht aan vrouwen. Bij K. B. van 15 Nov. 1913 werd eene

Commissie benoemd, om de Regeering te dienen van advies over het

meest aannemelijke stelsel van evenredig kiesrecht, en deze bracht

al rapport uit 25 Mei 1914. Tevens kondigde de Troonrede de benoeming

eener Staatscommissie aan, om te onderzoeken, in hoever eene algemeen

bevredigende regeling mogelijk is terzake van de subsidieering van het

bijzonder onderwijs en de voorwaarden, welke daaraan verbonden moeten

worden. Toen deze Commissie, die reeds in Dec. 1913 benoemd werd, na

langen, ernstigen arbeid tot een niet al te ongunstig resultaat kwam,

diende de Regeering bij Koninklijke Boodschap van 29 Oct. 1915 twee

wetsontwerpen in, n.l. tot het in overweging nemen van een voorstel

van verandering in het 2e, 3e en 4e hoofdstuk der Grondwet en van een

voorstel van verandering in de Additioneele artikelen der Grondwet.

En deze voorstellen hielden inzake het kiesrecht voornamelijk in:

algemeen kiesrecht aan mannen, passief kiesrecht aan vrouwen, (dat is:

verkiesbaarheid van vrouwen tot leden van Gemeenteraden, Provinciale

en Generale Staten), de mogelijkheid, om bij gewone wet aan vrouwen

het actieve kiesrecht te verleenen, stemplicht en evenredige

vertegenwoordiging.

De voorstandsters van het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht waren

hiermede niet tevreden. Want terwijl de mannen in eens in de Grondwet

het algemeen kiesrecht kregen en dit ook terstond in de Additioneele

Artikelen tot in bijzonderheden toe geregeld zagen, werd het kiesrecht

der vrouwen wederom onbeslist gelaten en op de lange baan geschoven.

Wel ontvingen zij in de Grondwet het passief kiesrecht benevens de

mogelijkheid, om bij gewone wet het actief kiesrecht te krijgen. Maar

de vraag, of zij het krijgen zullen, evenals die, of zij het in eens,

algemeen, dan wel geleidelijk, in lengte van tijd, ontvangen zullen,

blijft in het onzekere. De strijd voor het vrouwenkiesrecht komt

dus niet tot een einde, maar moet misschien nog langen tijd worden

voortgezet, en kan, als de quaestie concreet aan de orde komt, nog wel

eens een ongewenscht heftig karakter gaan aannemen. Maar de uitslag

heeft den Minister in het gelijk gesteld; door niet alles ineens te

begeeren, heeft hij verkregen wat hij wenschte. De herziening van Art.

192 der Grondwet werd, na lange discussie en verschillende wijzigingen,

in de Tweede Kamer met algemeene stemmen op ééne na aangenomen; en de

voorgestelde veranderingen in het kiesrecht gingen er met algemeene

stemmen door. Een resultaat, dat niemand tevoren had durven verwachten!

Toch werden er tegen algemeen en tegen vrouwenkiesrecht van Rechts wel

allerlei bezwaren in het midden gebracht. Enkele leden verklaarden, dat

zij aan het kiesrecht van gezinshoofden de voorkeur gaven, maar zij

aanvaardden het thans voorgestelde algemeen mannenkiesrecht, omdat het

historisch noodzakelijk was, bij het groote aantal kiesgerechtigden,

dat thans reeds bestond, weinig gewicht in de schaal legde, en een

organisch kiesrecht eerst van de toekomst verwacht kon worden. Tegen

het vrouwenkiesrecht werden ernstige bedenkingen in het midden gebracht;

sommigen waren van oordeel, dat politieke bemoeiïngen niet tot de

roeping der vrouw behoorden, en spraken de vrees uit, dat de geaardheid

der vrouw en het gezinsleven er onder lijden zouden; blijkens een adres,

bij de Tweede Kamer ingekomen, werd het ook volstrekt niet algemeen

door de vrouwen begeerd; zelfs werd de gedachte geuit, dat het

streven naar het politieke stemrecht der vrouw gevolg was van valsche

emancipatiezucht en leiden moest tot de volkomen gelijkstelling van man

en vrouw.

Desniettemin werd van dezelfde zijde door verschillende leden verklaard,

dat vrouwenkiesrecht niet met eenig beginsel van geloof of natuurrecht

streed, maar eene zaak van politiek beleid was, waarover men onderling

verschillen kan. Het passief vrouwenkiesrecht ontmoette slechts weinig

bezwaar, wijl het eclectisch was, ten deele reeds bestond, en als een

correctief goeden dienst kon bewijzen. En wat het actief stemrecht

aangaat, werden de bedenkingen door andere overwegingen opgewogen;

immers het was thans niet in een concreet voorstel aan de orde,

maar kwam alleen in zoover ter sprake, als de Grondwet daarvoor de

mogelijkheid zou openstellen; ook werd erkend, dat het eenvoudig de

consequentie was van het individualistisch stemrecht; sommige leden

oordeelden zelfs, dat de vrouwen voor de uitoefening van het kiesrecht

volstrekt niet ongeschikter zijn dan de mannen, en, in het bezit van dit

recht, bij tal van zaken, zooals bijv. de bestrijding van prostitutie

en alcohol, de bescherming der vrouw enz., een invloed ten goede van

zich zouden doen uitgaan. Over de vraag, aan welke vrouwen eventueel

het actief kiesrecht te verleenen zou zijn, liepen de meeningen echter

verre uiteen. Zoowel het algemeen als het beperkte vrouwenkiesrecht vond

zijne verdedigers; en onder de laatsten waren er weer, die het kiesrecht

alleen wilden verleenen aan de ongehuwde, zelfstandige vrouwen, en

anderen, die het juist in de eerste plaats aan de gehuwde vrouwen wilden

toekennen. Eén lid, die overigens het actief vrouwenkiesrecht weinig

genegen was, wilde dit in zooverre toch verleenen, dat de vrouwen het

recht zouden ontvangen, om een lichaam samen te stellen, dat, als eene

soort Vrouwen-Raad-van-State, wetsvoorstellen zou kunnen doen, en

waarvan het Voorzitterschap kon worden opgedragen aan H. M. DE KONINGIN.

Maar het einde van alle redeneeringen en beraadslagingen was, dat de

Tweede Kamer de voorstellen der Regeering inzake het kiesrecht in eerste

lezing met _algemeene_ stemmen aannam.[6]

[6] Bij de tweede lezing op 25 Sept. 1917 werden de wijzigingen in het

2e, 3e en 4e hoofdstuk der Grondwet aangenomen met 71 tegen twee,

die in Art. 192 met algemeene (75), en die in de Additioneele

Artikelen met 74 tegen ééne stem.

In weerwil van verwachtingen en voorspellingen, die op eene andere

uitkomst rekenden, volgde de Eerste Kamer dit voorbeeld van hare zuster

aan de overzijde van het Binnenhof zonder groote stribbeling na. Wel

werden ook hier tegen algemeen en tegen vrouwenkiesrecht, stemplicht

en evenredige vertegenwoordiging verschillende bezwaren geuit; maar

tenslotte nam de Kamer bij eerste lezing de voorstellen inzake het

kiesrecht zoowel als die betreffende het onderwijs met de stemmen van

_alle_ aanwezige leden aan; bij de lezing op 29 Nov. 1917 werden de

veranderingen in het 2e, 3e en 4e hoofdstuk der Grondwet met 42 tegen

ééne, en die in de Additioneele Artikelen met 41 tegen twee stemmen

aangenomen. Eene gebeurtenis, die eenig genoemd mag worden in de

politieke geschiedenis van ons land en evenzoo in die van andere landen.

Want waar en wanneer komt het voor, dat eene herziening der Grondwet op

twee voorname punten, waarover jaren lang hevige strijd is gevoerd, in

beide Kamers der volksvertegenwoordiging met algemeene stemmen wordt

aanvaard?

Er ligt ook wel eene les in, om met het proclameeren van beginselen niet

al te royaal te zijn en niet al te haastig te werk te gaan. Van Links

werd in eene herziening van Art. 192 der Grondwet toegestemd, die aan de

bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs een einde maakte, maar

waaraan tientallen jaren aaneen heftige tegenstand werd geboden; hoeveel

beter had de in dien strijd verbruikte volkskracht aan de verbetering

en verheffing van het onderwijs besteed kunnen worden? En aan de

Rechterzijde had er zulk eene ontwikkeling in de denkbeelden plaats, dat

het lang bestreden algemeene en het vrouwenkiesrecht, wel met allerlei

bezwaren, maar toch feitelijk met bijna al hare stemmen aangenomen werd.

Van ontrouw aan eens beleden beginselen valt hierbij niet te denken,

want alle leden van het parlement zullen erkennen, dat een _beginsel_

niet om redenen van opportuniteit of utiliteit verloochend mag worden.

Indien het individualistische kiesrecht van mannen en vrouwen op

afdoende gronden van Schrift of belijdenis te veroordeelen ware, had

niemand der Rechtsche Kamerleden daaraan zijne stem mogen of ook willen

geven. Zij haastten zich allen juist, om uit te spreken, dat het

vrouwenkiesrecht geene zaak van geloofsbeginselen was, en bleken dus

tot andere gedachten gekomen te zijn, dan die vroeger wel in de partij

werden uitgesproken en waarin ook thans nog velen voortleven. En de

Antirevolutionaire leden volgden in dezen slechts den raad van _De

Standaard_, die, in weerwil van Art. 11 van het beginselprogram,

herhaaldelijk aanneming der herzienings-voorstellen aanbeval.[7]

[7] Evenmin als _De Standaard_ met dit advies de artikelen weersprak,

die daarin vroeger verschenen en ook afzonderlijk werden

uitgegeven (De eerepositie der vrouw door Dr. A. KUYPER, Kampen

J. H. Kok 1914), evenmin is er strijd tusschen de rede, welke

Schrijver dezes in de Eerste Kamer over het vrouwenkiesrecht

hield, en de artikelen: Het vrouwenkiesrecht voor Gods Woord,

en: De moeder uitgeschakeld, die in _De Standaard_ van 19, 21,

23 en van 27, 29 Juni 1917 werden opgenomen. Men kan met al deze

artikelen van harte instemmen, en toch redenen hebben, om, evenals

_De Standaard_ zelf, een voorstel inzake vrouwenkiesrecht te

steunen; hoogstens is er dan alleen verschil over den aard

en het gewicht der motieven, die tot het verleenen van dien

steun bewegen. In denzelfden geest merkte ook Dr. H. H. K. in

_de _Heraut_ van 27 Mei 1917 terecht op, dat uit het door

Schrijver dezes gehouden betoog hoegenaamd niet mocht worden

afgeleid, dat Gods Woord de emancipatiezucht van het feminisme

en de volkomen gelijkstelling van man en vrouw verdedigen zou;

trouwens, het tegendeel werd ook door mij kort, maar duidelijk

uitgesproken.

Omgekeerd is het niet zonder beteekenis, dat ook organen der

Antirevolutionaire pers, zooals bijv. _De Stichtsche Courant_,

uitdrukkelijk erkenden, dat het politieke stemrecht der vrouw niet

door de Schrift verboden wordt. En Prof. BOUWMAN schreef in _De

Bazuin_ van 1 Juni 1917, dat hij met het betoog van Dr. BAVINCK in

de Kamer zich uitnemend vereenigen kon; de Schrift verbiedt niet,

aan de vrouwen het stemrecht te geven.

Indien nu de voorstellen inzake het kiesrecht, in weerwil van

rechtmatige en onmiskenbare bezwaren, toch ten slotte ook van Rechts

met bijna algemeene stemmen werden aangenomen; dan moeten er _motieven_

zijn, die tegen de bezwaren hebben opgewogen en de schaal naar de

andere zijde deden overslaan. Zulke motieven lagen blijkens de

redevoeringen der Rechtsche Kamerleden niet in het begeerenswaardige

van het individualistische mannen- en vrouwenkiesrecht op zichzelve,

noch ook in de heilrijke gevolgen, die men daarvan in de toekomst

verwachtte, en evenmin in den ruilhandel, dien men geschiktelijk met

de herziening van Art. 192 tegen die van Art. 80 drijven kon. Maar ze

liggen allen hierin opgesloten—gelijk de Minister ook in de Memorie van

Toelichting opmerkte—dat, als het vrouwenkiesrecht niet wordt begeerd,

er geen redenen zijn, om het te verleenen, doch dat ook omgekeerd,

indien het ernstig en met steeds sterker aandrang wordt begeerd, er

bij het tegenwoordig kiesstelsel geen afdoende gronden zijn om het

te weigeren[8]. Als daarom opgemerkt wordt, dat de politiek geen zaak

voor de vrouw is, schadelijk is aan hare eigene roeping en taak en met

valsche emancipatiezucht samenhangt, dan moge hier veel van aan zijn,

maar het is de volle waarheid niet. In het feminisme is een goed en een

verkeerd element te onderscheiden; het is niet met één enkel woord in

al zijne eischen te weerstaan. Er zijn motieven, die, nu eenmaal het

algemeene kiesrecht en ook het kiesrecht der vrouw, als het ware buiten

ons om en tegen onzen zin, aan de orde werden gesteld, tot aanneming der

desbetreffende voorstellen moesten bewegen. Zulke motieven werden door

verschillende sprekers in de Tweede Kamer, en door elk op zijne wijze,

ontwikkeld.

[8] Zoo liet de Heer CORT VAN DER LINDEN zich ook reeds uit met

betrekking tot het kiesrecht in het algemeen, in zijn Richting en

Beleid der liberale partij. Groningen 1886 bl. 65.

In de Eerste Kamer zocht Schrijver dezes ze vooral in de veranderde

positie, welke de vrouw in de tegenwoordige maatschappij inneemt;

ze gaven hem vrijheid, om zijne stem ten gunste van de aanhangige

voorstellen uit te brengen, en vinden in de volgende paragrafen van

deze brochure eene breedere uiteenzetting.

2. DE VROUW IN DE HEILIGE SCHRIFT.

Gelijk reeds opgemerkt werd, vindt de gedachte meer en meer ingang, dat

de H. Schrift inzake vrouwenkiesrecht geen gebod en ook geen verbod

bevat; het is eene aangelegenheid, die niet met eenige geloofswaarheid

in strijd is. Toch is het wel van belang, na te gaan, welke plaats

de Schrift in het algemeen aan de vrouw toekent. Indien zij bijv.

uitsluitend predikte de ongelijkheid en de ondergeschiktheid der vrouw,

indien zij van de voorstelling uitging, dat de vrouw een wezen van lager

orde was dan de man, dan zou dat wel terdege eene reden kunnen zijn, om

aan de vrouw het stemrecht in den Staat te onthouden.

Maar zoo staat de zaak niet. De H. Schrift leert beide, de gelijkheid

en de ongelijkheid, de eenheid en het onderscheid, van man en vrouw.

De eenheid en de gelijkwaardigheid wordt in het Oude Testament het

duidelijkst en het schoonst uitgesproken in Gen. 1 : 27, volgens welken

tekst man en vrouw beiden door God naar zijn beeld zijn geschapen,

beiden dezelfde menschelijke natuur deelachtig zijn en als het ware

éénen mensch vormen. Maar daarnaast leert Gen. 2 zeer beslist de

ongelijkheid der vrouw, want ze wordt na, uit en om den man geschapen,

hem ter hulpe, als vleesch van zijn vleesch en als been van zijne

beenen; Gen. 1 spreekt van de vrouw, op zichzelve genomen; Gen. 2

spreekt van haar als echtgenoote, om wie de man zijn vader en zijne

moeder verlaat.

Deze ongelijkheid is tengevolge van de overtreding van Gods gebod,

waaraan eerst de vrouw, daarna de man zich schuldig maakte, verscherpt

geworden. De straf, welke op de overtreding volgde, trof de vrouw

veel zwaarder dan den man. Want terwijl de man vooral in zijn arbeid

getroffen wordt en zich door de vervloeking des aardrijks tot een leven

vol moeite en verdriet veroordeeld ziet, wordt de vrouw in haar persoon

getroffen: met smart zal ze kinderen baren, toch zal tot den man hare

begeerte zijn, en hij zal over haar heerschappij hebben. De vrouw wordt

als vrouw, als echtgenoote en als moeder gestraft. En deze profetie is

vervuld door heel de historie heen, onder alle volken, in alle tijden en

oorden.

Nu gaat het niet aan, om in enkele trekken eene schets te geven van het

lot, dat het deel der vrouw is geweest. Er is onderscheid tusschen de

stammen, volken en rassen, zelfs tusschen de huisgezinnen en familiën

bij hetzelfde volk en in denzelfden tijd. Bij het eene volk vertoont het

familieleven eene betrekkelijke reinheid en zuiverheid; bij een ander

volk is het op schrikkelijke wijze ontaard[9]. Zelfs onder hetzelfde

volk komen gunstige en ongunstige toestanden naast elkaar, of ook wel na

elkander voor. Er zijn steeds en overal mannen geweest, die tirannen

voor hunne vrouwen waren; en overal en altijd waren er mannen, die

haar innig liefhadden en teeder voor haar zorgden. Omgekeerd waren er

ook steeds goede vrouwen, liefhebbende moeders, trouwe gaden naast

heerschzuchtige, sarrende, kwellende echtgenooten. Men kan niet alles

over ééne kam scheren. De natuurlijke geaardheid van man en vrouw en ook

de liefde, die hen tot elkander brengt en aan elkander bindt, blijven

overal bestaan en doen in zeden en gewoonten haar invloed gelden.

Daarom kan uit het ontbreken van rechtsbepalingen nog volstrekt niet

geconcludeerd worden tot de slavernij en de onderdrukking der vrouw.

Eerst zijn er de zeden en gewoonten, en eerst veel later, als de

beschaving reeds vergevorderd is, komt de codificatie van het recht.

Tot het vormen van die zeden en gewoonten heeft de vrouw het hare

bijgedragen; ze heeft daar dikwerf nog meer invloed op uitgeoefend

dan de man. Want de vrouw verloochent zichzelve niet; zij weet zich te

redden en heeft evenzeer den man beheerscht als de man zijne vrouw. En

voorts iedere tijd heeft zijn eigen zeden en gewoonten, die bij dien

tijd passen; ze zijn op zichzelf dan nog niet slechtere, schoon andere,

dan die, waarnaar wij leven. Slavernij was een toestand, die eens een

element vormde van de cultuur en toen dragelijk was. En zoo was de

ondergeschiktheid der vrouw aan den man een toestand, die vanzelf sprak

bij een, niet steeds lageren, maar toch vroegeren staat van cultuur.

Dwang wordt eerst dwang, als hij als zoodanig gevoeld wordt.

[9] Zie mijn: Het Christelijk Huisgezin. Tweede herziene druk. Kampen,

J. H. Kok 1912, bl. 29 v. STUART MILL, De slavernij der vrouw,

naar de 4de Eng. uitgave bewerkt door M. ELIZABETH NOEST,

Amsterdam, van Looy 1898 bl. 470, zegt dan ook terecht, dat de

wetten dikwerf slechter zijn, dan de menschen, die ze uitvoeren,

en door gezindheid en belangen worden verzacht.

Nu heerschte vroeger allerwege evenals thans nog bij de minder

beschaafde volken de gedachte, dat de vrouw geen subject van rechten

was, maar haar natuurlijken beschermer had in haar vader, haar man, haar

ouderen broeder; ze had geen eigen persoonlijkheid en geen eigen bezit;

en bepaaldelijk in het huwelijk was de man haar „heer”, evenals hij als

vader dit was over zijne kinderen en als eigenaar over zijne slaven.

Deze macht van den heer was in theorie zoo goed als onbeperkt, maar

daarom nog volstrekt niet in de practijk. Zeker werd er door menigeen

misbruik van gemaakt, evenals menig man nu nog zijne macht misbruikt, in

weerwil van alle beperkende bepalingen der wet. Maar daarom deed de man

dat nog niet; de goede mannen zagen in deze macht eene verplichting, om

voor vrouw en kinderen te zorgen, ze te beschermen en te verdedigen.

Zoo had ook de slavernij hare donkere schaduwzijde, vooral als ze met

slavenhandel gepaard ging; maar zij wortelde in de sociale toestanden,

en bood aan de slaven toch ook bestaanszekerheid en bescherming.

Over het algemeen nam de vrouw echter bij schier alle volken eene

ondergeschikte positie in; ze gold als een schepsel van lagere orde

en van mindere waarde. En allerlei instellingen en gewoonten, zooals

polygamie, polyandrie, vrouwenroof, vrouwenkoop, hetaeren- en

concubinenwezen, willekeurige echtscheiding en vrije liefde, hebben er

toe bijgedragen, om de vrouw te onderdrukken en van alle zelfstandigheid

te berooven.

Bij de z.g.n. natuurvolken treft men zoo goed als overal echtelijke

verbindingen, regelingen betreffende de graden van bloedverwantschap,

en allerlei gewoonten aangaande den omgang der geslachten aan; en

het is onbewezen, dat deze verhoudingen, die alle het natuurlijk

onderscheid van man en vrouw onderstellen, uit dierlijke toestanden van

promiscuiteit zich ontwikkeld hebben. De evolutietheorie is te dezen

opzichte even onjuist gebleken als de voorstelling van ROUSSEAU over

het idyllische leven van den natuurmensch. Maar ofschoon de toestanden

bij de natuurvolken onderling weer zeer verschillen, de vrouw was toch

steeds aan den man ondergeschikt. Vóór het huwelijk werd de kuischheid

en het schaamtegevoel der meisjes dikwerf in het geheel niet ontzien;

en in het huwelijk werd de vrouw alleen gewaardeerd als middel van

voortplanting en als arbeidskracht. De man had onbeperkte macht, om

zijne vrouw van zich te laten gaan, te verkoopen, te slaan of zelfs te

dooden, en bij de verdeeling van den arbeid kreeg zij de zwaarste taak

in het huisgezin en op het veld, terwijl de man zijn tijd op de jacht,

in ledigheid of in feestgelagen doorbracht. Bij de godsdienstige

plechtigheden was ze van elke handeling of ook zelfs van alle bijwoning

uitgesloten, ofschoon vrouwen in sommige godsdiensten ook wel als

toovenaressen of priesteressen dienst deden.

Bij de cultuurvolken is de toestand der vrouw principiëel niet

verschillend van dien bij de natuurvolken; in sommige opzichten is

hij eer erger dan beter te noemen. Bij de Babyloniërs, Assyriërs,

Pheniciërs, Grieken, Romeinen bijv. werd het geslachtsonderscheid ook

op de goden overgedragen en leverde het leven der goden en godinnen

een voorbeeld van zedeloosheid en ongebondenheid. Bij Babyloniërs en

Pheniciërs werd prostitutie voor elke vrouw tot een godsdienstigen

plicht gerekend. In Indië waren de weduwen verplicht, zich met het lijk

van hare echtgenooten te laten verbranden en werden pasgeboren meisjes

niet zelden gedood. In een artikel in het Juninummer van _Leven en

Werken_ hing de Japansche correspondente, HENRIETTE HOLST-HENDRIX te

Yokohama, een donker tafereel op van het leven der Japansche vrouw; zij

geldt er als een minderwaardig wezen, tot dienen en gehoorzaam geboren,

opgevoed tot onderdanigheid aan den man, die dikwerf verwaand, driftig

en onredelijk is; de geboorte van een zoon wordt er, evenals bij ons,

over het algemeen als een grooter geluk voor de ouders beschouwd dan die

van een meisje.[10]

[10] Volgens het _Handelsblad_ van 22 Aug. 1917 riep Mej. F. S.

SCHIPPERS, hoofd van de Kartinischool te Semarang in een open

brief in de _Javabode_ de hulp in van Mevrouw VAN LIMBURG STIRUM,

echtgenoote van den gouverneur generaal, om al haar invloed aan

te wenden, dat er binnen afzienbaren tijd een einde komen mocht

aan het uithuwelijken van Javaansche kinderen reeds op 12 tot 14

jarigen leeftijd, waaraan ook de kinderen der Kartinischolen niet

ontkomen. Dit moge nu geen regel zijn, zooals van inlandsche zijde

werd opgemerkt (_Handelsblad_ 9 Oct. 1917 Ocht.), ook als

uitzondering is het al erg genoeg.

Maar afgezien van dit alles, bij de Oostersche volken bestond en bestaat

er nog eene sterke afscheiding tusschen de geslachten: de vrouw is tot

haar huis beperkt en neemt aan het openbare leven geen deel; in het

openbaar mag zij zich niet dan gesluierd vertoonen. De man is in

volstrekten zin haar heer, het hoofd van gezin en familie; terwijl hij,

ook waar monogamie regel is, zich allerlei vrijheden veroorloven mag,

zooals het nemen van bijwijven, het bezoeken van hetaeren, het verlaten

van zijne vrouw enz., geldt voor haar eene andere en veel strengere

moraal; echtbreuk wordt bij haar zwaar, niet zelden met den dood

gestraft. Bij Grieken en Romeinen stond de vrouw oudtijds wel in

hooger aanzien; maar de practische levensbeschouwing was toch, zooals

DEMOSTHENES het uitdrukt: hetaeren hebben wij voor ons genoegen,

bijvrouwen voor de dagelijksche verzorging van onze lichamen, en

echtgenooten voor het verwekken van echte kinderen en als betrouwbare

wachteressen in het midden onzer woning. En toen later rijkdom en weelde

binnendrongen, gingen de zeden achteruit; wettige vrouwen werden

achtergesteld bij lichtzinnige hetaeren, echtscheidingen namen hand over

hand toe, beperking der geboorten kwam algemeen in practijk, en mannen

en vrouwen werden verhit in hun lust en gaven zich over aan

onnatuurlijke zonden.[11]

[11] Verg. mijn Christelijk Huisgezin bl. 27 v. RÖSLER, Die

Frauenfrage{2}, Freiburg B. 1907 bl. 144 v. en de daar bl. 178

opgegeven litteratuur; over de Grieksche en Romeinsche vrouw ook

Mej. Dr. GERLINGS, De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven,

Amsterdam Kruyt 1913 bl. 9–42.

De waardeering der vrouw hangt met de gedachte over haar oorsprong saam,

en is dus in haar diepsten grond religieus van aard. Het Oude Testament

begint met het verhaal van de schepping van man en vrouw naar Gods

beeld, en doet dus reeds van tevoren verwachten, dat de positie der

vrouw onder Israel in velerlei opzicht bevoorrecht zal wezen boven die

bij andere volken. En dat is ook inderdaad het geval. Wel is bij Israel,

evenals bij alle Oostersche volken, de man de „heer” van de vrouw en

deze aan hem ondergeschikt. Maar toch is er van slaafsche onderdanigheid

der vrouw geen sprake. Vrouwen als Sara, Rebekka, Abigail maken

volstrekt niet den indruk, dat zij zich alles lieten welgevallen;

haar invloed is groot, ten goede, maar dikwerf ook ten kwade, gelijk

de voorbeelden van Eva, Thamar, Delila, Izebel bewijzen, en de

waarschuwingen tegen de kwade vrouw in Spr. 2 : 16, 5 : 3, 6 : 24,

Pred. 7 : 26 enz. daarvan getuigenis geven. Aan de andere zijde is

er in het Oude Testament voor spiritualistische ascese geen plaats;

vrouw en moeder, huwelijk en kroost worden hoog gewaardeerd, het

gezin is de grondslag van heel de maatschappij, Gen. 2 : 23, 23, Ex.

20 : 12, Spr. 11 : 16, 12 : 4, 14 : 1, 18 : 22, 19 : 14, Ps. 128, Spr.

31 : 10–31 enz. Ook namen vrouwen deel aan den cultus (gebeden, feesten,

offermaaltijden), waren tegenwoordig bij de voorlezing der wet, Deut.

31 : 12, 8 : 35, Neh. 8 : 3, vierden de feesten mede, Ex. 12 : 3, 4,

Deut. 16 : 11, 14, Ezr. 10 : 1, verg. Hoz. 4 : 13, Jer. 31 : 13,

Klaagl. 1 : 4, deden dienst aan den ingang van de tent der samenkomst,

Ex. 38 : 8 (Leidsche vert.) 1 Sam. 2 : 22, oefenden muziek en dans

uit bij groote feesten, Ex. 15 : 20, Richt. 11 : 34, 1 Sam 18 : 6,

Ps. 46 : 1, 68 : 26, Am. 8 : 3, Hoogl. 6 : 9, waren leden van het

tempelkoor, Ezr. 2 : 65, Neh. 7 : 67, ontvingen openbaringen zooals

Hagar, Sara en de vrouw van Manoach, traden soms op als profetes,

(Mirjam Ex. 15 : 23, Num. 12 : 2, Mich. 6 : 4, Debora Richt. 4 : 2,

Hulda 2 Kon. 22 : 13–20, Noadja Neh. 6 : 14, Anna Luk. 2), als

richteres (Debora Richt. 4) of als koningin (Athalia).

Maar eene donkere schaduw werd op dat alles geworpen door de polygamie,

die, volgens Jezus' woord, Matth. 19 : 8, Mark. 10 : 2–9, van den

beginne niet was geweest, maar om de hardigheid des harten werd geduld;

ze was volstrekt geen regel, maar werkte toch schadelijk, gelijk het

huiselijk leven van Abraham, Jakob David, Salomo bewijst. De wet stond

bovendien aan den man toe, om aan zijne vrouw een scheidbrief te geven,

als hij iets schandelijks aan haar gevonden had, Deut. 24 : 1. In de

practijk kon hier allerlei misbruik van gemaakt worden, zoodat de

profeten ertegen moesten optreden, Mich. 2 : 9, Mal. 2 : 14; en de

school van HILLEL was in lateren tijd van meening, dat er voor het

geven van zulk een scheidbrief reeds reden bestond, als de vrouw het

eten niet goed toebereid had. Trouwens, niet het Joodsche volk, maar de

Rabbijnen dachten laag van de vrouw; zij achtten haar ongeschikt voor

de wetenschap, spraken nooit met haar over wetgeleerde onderwerpen,

plaatsten haar achteraf in de synagogen, en beschouwden ze als

pronklievend en licht verleidbaar; Rabbi MEIER beval aan den man

dagelijks drie dankzeggingen aan, daarvoor dat God hem niet als een

heiden, als eene vrouw, en als een dwaas had laten geboren worden[12].

[12] Verg. het aan THALES toegeschreven gezegde, dat hij het noodlot

dankbaar was, dat hij ten eerste als mensch en niet als dier

geboren was, ten tweede als man en niet als vrouw, ten derde

als Helleen en niet als barbaar, ZAHN, Der Brief des Ap. Paulus

an die Galater{2}, Leipzig 1907 bl. 187. Het Jodendom heeft

zich, behalve in zijne eigen nakomelingen, ook zijwaarts in het

Mohammedanisme voortgezet, dat o.a. ook de polygamie en de

lichtvaardige echtscheiding bestendigde, en door de minachting der

vrouw aan de beschaving groot nadeel toebracht. Nog pas, in de

Augustus-aflevering van het Koloniaal Tijdschrift 1917 schreef

de Heer H. T. DAMSTE, dat de vrouwen in een Mohammedaansch land

aan de Heidenen zijn overgeleverd en aan allerlei willekeur

blootstaan. Verg. ook RÖSLER, Die Frauenfrage, Freiburg i. B. 1907

bl. 190 v.

Het Nieuwe Testament neemt een ander, veel hooger standpunt in.

Beslissend is reeds terstond het feit, dat Jezus, de Christus, de Zone

Gods, uit eene vrouw werd geboren, want in deze vleeschwording des

Woords ligt principiëel opgesloten de overwinning van alle dualisme,

de veroordeeling van het ascetisme, het eereherstel der vrouw als de

gelijkwaardige van den man. Jezus gaat dan ook vrij en ongedwongen,

gansch anders dan de Rabbijnen, met vrouwen om; ze volgen Hem op zijne

wegen, verkeeren in zijn gezelschap en dienen Hem van zijne goederen.

Hij spreekt met haar, evengoed als met de discipelen, over de

verborgenheden van het koninkrijk Gods, verg. ook Joh. 4 : 27, prijst

het geloof der Kananeesche vrouw als dat van den hoofdman over honderd,

doet ze getuigen zijn van zijne woorden en daden, van zijn dood,

begrafenis en opstanding, en stort op den Pinksterdag ook over haar de

gave des Geestes uit.

Het Christendom is zeker geene politieke en ook geene sociale hervorming

geweest, en trachtte daarom ook niet eenige verandering aan te brengen

in de verhoudingen, die toenmaals naar recht en gewoonte bestonden

tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, heeren en slaven, overheid en

onderdanen. Doch het was aan de andere zijde ook geen volks-, stands- of

staatsgodsdienst, maar eene religie van verzoening en verlossing, door

en door katholiek, voor ieder mensch bestemd en geschikt, en daarom ook

eene blijde boodschap brengend aan alle menschen, niet het minst aan de

vrouw. Het keerde zich zoowel tegen de intellectualistische verlaging

als tegen de aesthetische verheerlijking der vrouw, stelde voor beide de

religieus-ethische waardeering in de plaats, en wees aan de vrouw eene

plaats aan, niet boven en niet beneden, maar naast den man. Terwijl de

Grieken met hunne verheerlijking van het intellect minachtend op de

vrouw neerzagen en in haar slechts die deugden waardeerden, welke haar

voor den man begeerlijk maakten, stelde het Christendom aan man en vrouw

dezelfde zedelijke eischen van geloof en bekeering, van reinheid en

matigheid, en schonk hun dezelfde weldaden des heils. Zij zijn beiden

burgers van hetzelfde koninkrijk Gods, leden van hetzelfde lichaam van

Christus. Onder de leden der gemeente—zoo schreef Paulus daarom aan de

Galatiërs, 3 : 28—bestaat er geen Jood of Griek, geen dienstbare of

vrije, geen man of vrouw, want al te zamen zijn zij één (als het ware

één persoon, één mensch) in Christus Jezus, en dus leden van het ééne

lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. In het natuurlijke bestaat er

onder hen allerlei verschil van afkomst, stand, geslacht; maar in het

geestelijke valt dat verschil weg, zijn rijke en arme, geleerde en

ongeleerde, vrije en dienstknecht, man en vrouw gelijk; niemand heeft in

de gemeente, op grond van dat verschil, een voorrecht boven den ander;

de Griek staat niet bij den Jood, de dienstknecht niet bij den vrije, de

vrouw niet bij den man ten achter; vrouwen en mannen zijn erfgenamen van

dezelfde genade des levens, 1 Petr. 3 : 7.

Maar deze geestelijke gelijkheid heft de natuurlijke ongelijkheid

tusschen man en vrouw niet op, evenmin als die tusschen Jood en Griek,

vrije en dienstknecht, rijke en arme enz. Velen hebben hierin eene

onverzoenbare tegenstelling gezien, uit de geestelijke gelijkheid tot

de natuurlijke gelijkheid besloten en in naam der eenheid in Christus

gemeenschap van goederen en van vrouwen, afschaffing van alle gezag en

dienstbaarheid geeischt. En zeker ligt hierin een moeilijk probleem, dat

in de verschillende tijden ook eene verschillende oplossing vraagt; het

is het probleem van natuur en genade, van schepping en herschepping, van

algemeene en bijzondere openbaring, van Christendom en cultuur. Maar

schoon de geestelijke eenheid predikend, hebben Jezus en de apostelen

daarnaast toch steeds de natuurlijke ongelijkheid gehandhaafd, die in

de schepping gegeven of onder Gods leiding in de historie tot stand

gekomen was. Zoo met name de ondergeschikte verhouding van de kinderen

tot de ouders, Ef. 6 : 1–3, Col. 3 : 20, van de dienstknechten of slaven

tot hunne heeren, 1 Cor. 7 : 21–24, Ef. 6 : 5–8, Col. 3 : 22, enz.,

van de onderdanen tot de overheid, Rom. 13 : 1 v. Tit. 3 : 1, 1 Petr.

2 : 13, en evenzoo van de vrouw tot den man in het huwelijk, 1 Cor.

11 : 3 v. Ef. 5 : 22 v. Col. 3 : 18, 1 Petr. 3 : 1 v.

De vrouw in de hedendaagsche maatschappij · 第 1 / 16 段