139. Frits had allerlei vragen gedaan, zegt Droogstoppel. Van die
vragen kwamen er in 't Hs. 'n paar voor, maar de heer V. Lennep heeft
gemeend ze te moeten supprimeeren. Waarom? Toch niet omdat de
Wawelaars verlegen zitten met het antwoord? 't Komiekste is dat V.L.
zelf, hier hofmakende aan 't bekrompenst bygeloof, dikwyls met de
bybelsche vertellingen den spot dreef. Hy hield van Voltaire meer dan
ik, en was zeer in z'n schik als men hem zeide dat-i op dien
oppervlakkigen denker geleek, wat in z'n laatste levensjaren werkelyk
't geval was. Dat hy, in-weerwil van deze geestesrichting, toch geen
vryheid voelde Frits te laten vragen: "_vanwaar toch Noach z'n
ysbeeren voor de Ark gehaald had?_" e.d. bewyst, dunkt me, de
gegrondheid myner opmerking in de noot op blz. 357 (Noot 11, M.D.).
Z'n orthodoxe vriendjes te Amsterdam mochten niet gekrenkt worden in
hun keukenmeidengeloof. Gelukkig dat het aantal ongerymdheden in den
bybel zoo groot is, dat niemand verlegen hoeft te staan om de hier
gesupprimeerde "neuswyzigheden" van Frits met _beliebige_ uitbreiding
aantevullen.
140. _Sluis_ in-plaats van _steenen brug_, is werkelyk 'n
eigenaardigheid in 't amsterdamsch. Van dien aard hoort men er velen,
daar zoowel als elders. De woorden, _gracht_ en _wal_, byv., worden
dikwyls verwisseld. Men woont _op_ de gracht, en werpt iets _in_ den
wal. Opmerkelyk is in de laatste spreekwys het onbewust terugkeeren
tot de oorspronkelyke beteekenis van 't woord, daar wal een der zeer
vele klanken is, waarmee men 't begrip: water aanduidde. (_wal_visch,
nar_wal_, _wal_rus = walros: zeepaard.) Op analogische wys veranderde
het woord _dyk_ van beteekenis, en misschien ook: _dam_. Zoo ook, maar
in omgekeerde richting, de woorden _tuin_ en _gaarde_. Gedurende den
loop der eeuwen verwisselde men telkens de benamingen van 't contenant
en 't contenu. Dat nu, om weertekeeren tot Droogstoppel's amsterdamismus,
't woord _sluis_ oorspronkelyk niet uitsluitend de beteekenis had van
_waterkeering_, ligt in de rede. Het is van den met zooveel nakroost
gezegenden wortel _kl_ of _sl_, die eerst het begrip _roepen_, daarna
dat van _sluiten_ en _heerschap_ uitdrukte. Zie hierover eenige
opmerkingen in den Vn bundel _Ideen_, waar evenwel de stof op verre na
niet uitgeput is. De vruchtbaarheid der Israelieten haalt niet by den
rykdom aan kroost van de klanken _kl (sl)_ of _lk (ls)_. Ik meen
ten-slotte dat het ware woord voor _sluis_ in den zin van waterkeering,
is: _zyl_ of _ziel_, doch daarvan kon ik tot-nog-toe de etymologie niet
opsporen.
(1881). _Zyl (zl)_ zal wel van denzelfden wortel stammen.
141. Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden,
idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van _Saïdjah_
voorkomen.
_Lombong_: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten 't huis
tegen een der wanden aangebouwd.
_Kris_, 't _volksthümliche_ wapen van den Javaan, dat als zoodanig by
z'n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen.
Het is 'n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk
zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed--damastwerk
alzoo?--en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor
roest bewaard door 'n inwryving met _djerook_ ('n citroensoort) met
_arsenicum_, dat aan 't yzer 'n eigenaardig doffe tint geeft. Het
bygeloof beweert dat men, 'n kris willende bezien, die _geheel-en-al_
uit de schede moet halen. Wie 't slechts gedeeltelyk doet, stelt zich
bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze
vertellingen in omloop.
_Poesaka_: erfstuk, hier--gelyk dikwyls--in pieuzen zin genomen.
_Sawah_: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in
tegenstelling van _gagah's_ en _tipars_, rystaanplantingen die wat de
bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.
_Klamboe_-haken. _Klamboe_ is gordyn. In de platte, zeer breede haken
waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den
minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.
_Patjol_: 't werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit,
als 't yzer van 'n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt
dus mee _gehouwen_, niet _gespit_, 'n eigenaardigheid die misschien
hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.
_Oeser-oeseran_. 't Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende
byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze
zich vertoonen op den kruin van 'n kind, leveren stof tot allerlei
voorspellingen. Zie, byv. blz. 121. (Zie alinea die begint met: "De
Adhipatti bezag het hoofd", M.D.)
_Penghoeloe_: priester.
_Ontong_: geluk, voordeel.
_Galangans_: smalle dykjes die 't water op de _sawahs_ houden.
_Allang-allang_: riet, reuzen- of _prairie_-gras. Het is vaak zoo hoog
dat 'n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op _Sumatra_
is _riemboe_, wat daar ook _wildernis in 't algemeen_ beteekent.
_Sarong. Batik. Kapala_. De _sarong_ is 't eigenaardig kleedingstuk
der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van _kapok_ geweven
lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is
uitzondering. Een dezer einden heet _kapala_, d.i. _hoofd_, en is
beschilderd met 'n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander
inloopende driehoeken bestaande. Dit "schilderen" heet _batik_, en
geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op 'n raam
gespannen, en de verf is in 'n werktuigje van blik dat--zeer verkleind
--den vorm heeft van 'n trekpot of antiek lampje. _Sarongs_ zonder
_kapala_, en welker einden niet aan-eengenaaid zyn, heeten
_slendangs_. Men draagt deze kleedingstukken om de heupen, en de
mannen schorten ze meer of min, ja soms geheel-en-al, op. Ook wordt de
_slendang_ dikwyls geheel tot gordel saamgerold, in welk geval de
mannen een broek dragen, zeer tegen de eigenlyke javaansche gewoonte,
'twelk meer en meer de overhand neemt by de Javanen die veel met
Europeërs in aanraking komen. Als 'n byzonderheid mag opgemerkt
worden, dat het gebruik van broeken onder de _sarong_, door _vrouwen_,
alleen in den Noordhoek van Sumatra voorkomt. Ik althans heb deze
gewoonte slechts daar aangetroffen. Ze is van atjineschen oorsprong,
waarom dan ook die kleedingstukken den naam dragen van _serewah
atjeh_: atjinesche broek. Het vervaardigen daarvan is een der
voornaamste industrien in de rykjes waarmee we nu in oorlog zyn.
Wat overigens de _sarongs_ en _slendangs_ aangaat, sedert 'n dertigtal
jaren leggen zich europesche fabrikanten toe op 't namaken van 't
javaansche _batik_, en er worden dan ook jaarlyks voor millioenen in
dat artikel omgezet. Toch wordt het dragen van 'n _gedrukten kain_
(_kahin_: kleed, de generische naam voor al zulke kleedingstukken)
steeds voor 'n blyk van armoed of althans van geringer welvaart gehouden.
_Mata-glap. Amokh_. 't Woord (_matah-glap_ = verdonkerd oog) duidt den
toestand aan van iemand die in razerny alles wat hy ontmoet neervelt,
tot hyzelf verslagen wordt. Ik noemde 't ergens 'n "zelfmoord in
gezelschap" en weet er nog altyd geen beter naam voor. De ongelukkige
die door deze woede wordt aangetast, kent vriend noch vyand. Oorzaken
zyn gewoonlyk òf minnenyd, òf lang opgekropte wrevel over mishandeling.
De Javaan is, als de meeste andere Inlanders, uit den aard zachtmoedig
en inschikkelyk. Al te diep gegriefd, of _te_ lang verongelykt, berst
z'n woede in _amokh_ uit. Dat evenwel ook de _amfioen_ (opium) hierby
'n rol speelt--'tzy als oorzaak der kwaal, 'tzy als opwekkend hulpmiddel
tot het botvieren van de woede--spreekt vanzelf.
_Atap_: 'n soort van waterpalm welks bladen tot dekking van geringe
huizen gebruikt worden.
_Bendie_: chais, tilbury.
_Djati. Ketapan_. Twee soorten van groote boomen. De eerste levert 'n
zeer duurzaam hout. Waarom botanici hem den naam van _quercus indica_
gegeven hebben weet ik niet, daar hy geenszins met onzen eik
overeenkomt. "_Kajatenhout_" is pleonastische verbastering van
_kajoe-djati_ = _djatihout_.
_Melati_. Een klein wit bloempje met sterken jasmyngeur. Het speelt,
als by ons de roos, 'n groote rol in balladen, sagen en legenden.
_Rystblok_. Zware houten trog waarin de _padie_ door stampen ontdaan
wordt van den bolster. Dat stampen heet--klanknabootsing alweer!
--_toembokh_.
_Toedoeng_, zie Noot 31. De bepaling van 't uur, naar den schaduw die
_Saïdjah's toedoeng_ teekende op zyn gelaat, is 'n indiïsmus.
_Lalayang_: vlieger. Op Java vermaken zich niet uitsluitend kinderen
met dit speeltuig. Het heeft geen staart, en beschryft allerlei
slingeringen die door vieren, inhalen en rukken eenigszins bestuurd
worden door de persoon die de koord houdt. Het doel van 't spel is, de
koord van den vlieger der tegenspelers in de lucht te ontmoeten en
aftesnyden. Uit de pogingen die hiertoe worden aangewend, ontstaat als
't ware een gevecht dat zeer vermakelyk is om aantezien, en de
toeschouwers opwekt tot levendige deelneming. De door Saïdjah
veronderstelde mogelykheid dat "de kleine Djamien", zou getricheerd
hebben, is, wat de daartoe vereischte handigheid in 't werpen aangaat,
'n indiïsmus.
_Zout maken aan de zuidkust_. Zie Noot 71.
_Grooten mond hebben_, en: _vuur dooden_, zyn malayismen.
_Klaagvrouwen_. By 't sterven van 'n Javaan wordt vreeselyk misbaar
gemaakt, niet--zooals vroeger ten-onzent--door bezoldigde
_huilebalgen_, maar door verwanten, kennissen en buren.
_Spaansche matten_: zuid-amerikaansche _dollars_, waarschynlyk
dusgenoemd omdat in vroeger tyd het zeer omslachtige spaansche wapen
aan matwerk deed denken. Die waarop twee kolommen staan, de
zoogenaamde _pilaarmatten_, worden voor de besten gehouden, en gelden
zooveel als onze oude _zeeuwsche_ ryksdaalders, die misschien, wat
gewicht en gehalte aangaat, aanvankelyk naar spaansch model geslagen
werden. De "spaansche mat"--nu veelal van mexikaanschen muntslag--heet
in ons Indie "_ringgit_" en blyft nog steeds 'n zeer gewild betaalmiddel,
omdat de chinezen, die veel munt uitvoeren en in China versmelten, het
zilvergehalte op hoogen prys stellen.
_Kamoening_: fyn geel gevlamd hout, dat slechts door den wortel van 't
aldus genaamde kleine boompje geleverd wordt, en dus nooit groot van
stuk wezen kan. Het is zeer duur.
_Ikat-pendieng_. _Pendieng_ is de buikband zelf. _Ikat_: gemeenzame
verkorting in slecht maleisch van _pengikatan_, de agraaf daarvan.
_Pagger_ (ten-rechte _pagar_) beteekent _heg_. _Pagger_ is een van de
vele maleische woorden, die--evenals _pikelen_: dragen, _mandiën_:
baden, _soemah_: moeite, verdriet--burgerrecht verkregen in 't
hollandsch der Europeanen in Indie.
_Soesoehoenan van Solo_: de Keizer van _Soerakarta_. Hy geeft in z'n
officieele korrespondentie, aan den gouverneur-generaal, o.a. den
titel van "grootvader."
_Kondeh ... gevangen in eigen strik_. Zie hierover noot 33. In de
engelsche vertaling van den _Havelaar_, heeft m'n beste Nahuys, zonder
erg gemeend in deze beschryving iets te mogen veranderen. Hy laat
Adinda's haren samenhouden door 'n lint, wat zeer onjavaansch is. Deze
blunder heeft my in den edinburgschen _Scotsman_ 'n vinnige berisping
op den hals gehaald van 'n hollandschen korrespondent--toevallig 'n
gewezen theekontraktanttokohouder en ... rystopkooper, dat is:
woekeraar van de ergste soort, 'n ware javanenbloedzuiger--die daaruit
betoogt dat ik niet het minste verstand heb van indische politiek en
dat de inlander 't heel goed heeft.
_Pontianak_: spook dat zich in boomen ophoudt, en zeer gebeten is op
vrouwen, vooral zwangere. Ik weet niet of er verband bestaat tusschen
deze beteekenis van 't woord, en de naam der nederlandsche vestiging
op Borneo's Westkust.
_Oog van den dag_ voor zon: malayismus.
_Pelitah_: lampje.
_Rottan_ of _Rotan_: spaansch riet, rotting.
_Badjing_: javasche eekhorn. Dit beestje kwam me altyd kleiner voor
dan z'n europesche soortgenoot. Het laat zich gemakkelyk tam maken.
_Buikje_ voor maag: malayismus.
_Rottingstraf_. Onder den indruk van den _Havelaar_ is deze straf
afgeschaft, wat ik als 'n fout beschouw. Ook hier bevond men zich, als
gewoonlijk, _à côté de la question_. Indien er voor kleine delikten
gestraft worden _moet_, is rottingstraf doeltreffender, zedelyker, en
vooral ... _menschlievender_, dan 't opsluiten in 'n gevangenis of de
ten-arbeidstelling aan publieke werken. Zie over dit laatste,
blz.[xxx] (zie alinea met: "Het gering aantal lieden ...", M.D.).
Het doet me leed, hier geen ruimte te hebben deze zaak breeder te
behandelen, gelyk eerst myn voornemen was. Ik bepaal me tot de verklaring
dat de afschaffing der rottingstraf naar aanleiding van den _Havelaar_,
in-verband met het _opzettelyk verwaarloozen der hoofdstrekking van dat
werk_, een escobarsche huichelary is. De Natie heeft zich alweer dat zand
in de oogen laten strooien. Het weder invoeren van de rottingstraf in
Indiën is _in 't belang van den Javaan_ dringend noodzakelyk.
_Boaja_: kaaiman, 'n krokodillensoort. Dat offeren geschiedt door 's
avends wat ryst en andere spys in een bamboezen korfjen of bakje dat
van 'n lichtje voorzien is, met den stroom te laten afdryven. Als er
wat veel op de rivieren geofferd wordt, leveren die zachtkens voort-
schuivende vuurpunten 'n aardig gezicht op.
142. Ik verneem dat men thans bezig is, ook elders dan in _Bantam_
"persoonlyk grondeigendom" intevoeren. De zaak is van hoog belang,
doch zal waarschynlyk schipbreuk lyden op de moeielykheid om de
_gemeenschappelyke_ bewatering van rystvelden te regelen. Ik erken op
dit oogenblik niet te weten hoe dit in 't Bantamsche geschiedt.
Behalve deze zaak, die voor Java levenskwestie is, zullen er
maatregelen dienen genomen te worden om den _onmondigen Javaan_ te
beschermen tegen den "handelsgeest" van zekere industrieelen. Wanneer
bedoelde maatregel de strekking heeft om den inlander z'n grond te
laten afkwanselen door den eersten den besten fortuinzoeker, ben ik
er _tegen_!
143. In 't handschrift had ik de fout begaan, hier uitdrukkelyk te
verzekeren dat het nu volgend voorbeeld van trouw eens buffels aan z'n
jongen meester "niet verdicht" was. De heer Veth maakte daarop in den
_Gids_ van Augustus 1860 'n aanmerking die volkomen gegrond was, en
daarom laat ik nu die verzekering _in den tekst_ weg. Doch 't zy me
vergund haar in deze _Noten_ te herhalen. Ik bezit het _Tydschrift van
Nederl. Indie_ niet, maar beroep my op zeker daarin opgenomen
_officieel_ relaas van de zaak. Wie lust heeft het optezoeken, wordt
naar zeer oude nummers verwezen, _ik meen_ zelfs uit de dagen toen dat
tydschrift nog te Batavia uitkwam, dus vóór '48.
144. Er worden inderdaad te _Tangerang_ zeer fyne stroohoeden
gevlochten, die aan de _manilla_-hoeden in buigzaamheid en sterkte
weinig toegeven. Waarom wordt die industrie niet 'n beetjen
aangemoedigd? Wie bewerken kon dat het te Parys _mode_ werd _un
chapeau Tangerang_ te dragen, zou groote sommen gelds naar Java
lokken. Doch er zyn _zeer veel_ artikelen van die soort in Indie, en
daaronder van veel grooter belang, waarvoor de europesche markt
gesloten blyft omdat de Regeering op alle krachten beslag legt ten-
behoeve van z'n kruieniers-affaire. Even als die andere Droogstoppel
kent en waardeert ze niets dan z'n koffi. En ... suiker, 't is
waar ook!
145. Zie over dit lied van Saïdjah, 't begin van Noot 6. Onder de
korrektie (1875) vernam ik dat de heer Wiersma, zendeling in de
_Minahassa_, de _Saïdjah_-epizode in 't maleisch heeft overgezet. Het
doet me leed nooit 'n exemplaar van die vertaling onder de oogen
gekregen te hebben. Zeer in 't byzonder had ik zoo gaarne _dat_ lied
in 't maleisch weergezien. Het myne begon: _liatlah badjing tjari
penghidoepan_, enz. Dit herinner ik my, maar van 't vervolg niet
veel meer.
146. _En "dus" in brand stond_. Om deze uitdrukking te rechtvaardigen,
beroep ik me op de toelichtingen in _Ideen_ 304 en 1066.
147. De aangehaalde regels zyn van Tollens. Hy sluit daarmee z'n
tamelyk apokriefe vertelling: _Dirk Willemsz van Asperen_.
148. Met verwyzing naar Noot 104, vraag ik alweder of de beschuldiging
van "overdryving" tegen my mag worden ingebracht? Indien _hierin_ m'n
fout lag, zou ze, dunkt me, by-voorkeur zich geopenbaard hebben in 't
slot der geschiedenis van Saïdjah. De stof ontbrak waarlyk niet!
149. Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier
bedoelde intezien.
150. De minister Fransen van de Putte heeft in de Kamer beloofd "_dat
geschiedenissen als die van_ Saïdjah _niet meer zouden plaats hebben_."
Maar nooit bleek er dat er iets _gedaan_ werd om dit doel te bereiken.
Integendeel, hy, waarlyk niet minder dan z'n vele voorgangers en
opvolgers, stond altyd alle verbetering in den weg door de Natie bezig
te houden met byzaken.
151. Ik meen te kunnen _bewyzen_ dat het aantal vergiftigingen--ook in
Europa--schrikbarend groot is, doch bewaar dit treurig betoog voor 'n
andere plaats. Wat het in den tekst behandeld voorval aangaat, de
officier van gezondheid Bensen heeft kort na 't verschynen van den
_Havelaar_, in de N. Rotterdamsche Courant meegedeeld dat de heer
Carolus na z'n tehuiskomst van _Parang-koedjang_ niet "weinige uren"
had geleefd, maar nog--ik meen--_twee dagen_. Ik neem deze getuigenis
van den heer Bensen, dien ik voor 'n achtenswaardig man houd,
onvoorwaardelyk aan, en erken alzoo dat òf de weduwe zich vergist
heeft, òf dat ik haar verkeerd had verstaan, òf dat in 1859 toen ik
den _Havelaar_ schreef, m'n geheugen my bedroog. De terechtwyzing van
den heer Bensen is my te meer welkom:
1° omdat hy, _deze_ aanmerking makende op 'n zaak van ondergeschikt
belang, stilzwygend de juistheid staaft van m'n opgaven omtrent de
_hoofdzaken in 't algemeen_.
2° omdat hy, in 'n stuk dat blykbaar bestemd is de door my behandelde
voorvallen aan de stipte waarheid te toetsen, niet terugkomt op 't
leverabcès _in 't byzonder_.
Indien ooit 'n démenti op z'n plaats ware, zou 't _hier_ geweest zyn!
152. Het is my onbekend of 't lyk myns voorgangers is opgegraven
tydens het in 1860 door den G.G. Pahud ingesteld onderzoek. Wel weet
ik dat by die gelegenheid het Distriktshoofd van _Parang-Koedjang_
ontslagen werd. De Regent werd gestraft met kwytschelding van genoten
voorschot en--naar my werd meegedeeld, doch zeker ben ik hiervan
niet--met traktementsverhooging.
153. Ik had alzoo my bezig gehouden met het nakomen der verplichting
die my door eed en instruktie uitdrukkelyk waren voorgeschreven.
154. _Pantjens_ en _Kemits_: onbezoldigd wacht- en dienstvolk.
_Poendoetan_: levensmiddelen en andere artikelen die geheven worden
zonder betaling. Dit is 'n ware indische kanker, en Tamerlan (blz.
212) (Zie alinea die begint met: "Het gering getal lieden nu", M.D.)
schynt het geweten te hebben. Maar onze Regeering weet het nog
altyd niet! Wat, byv. een zoogenaamde inspektiereis van 'n
Gouverneur-generaal kost--_zoogenaamd_, want de man wordt by den neus
geleid!--loopt in 't ongelooflyke. Juist dezer dagen gewerd my uit
Engeland 'n courant waarin dit ontwerp behandeld wordt naar aanleiding
der voorgenomen reis van den Prins van Wales naar Bengalen. Daar my de
ruimte ontbreekt om dat artikel overtenemen, zend ik 't aan de
Samarangsche _Locomotief_, in welk blad het door den belangstellenden
lezer kan worden opgezocht.
155. Zie § 11 der "Vraagpunten aan den kontroleur" in de
_Minnebrieven_.
156. _Poessing_: duizelig, verward, radeloos. Den hier bedoelden
getuige kan ik nog altyd produceeren.