131. _Beginselen van bestuur die ten-laatste zullen zegevieren_. Ik
erken dat dit er tot-nog-toe weinig naar gelykt. Het sprookje dat er
na 1860 in Indie zooveel zou verbeterd zyn, behandelde ik reeds op
blz. 344. (alinea met: "Zoo volgde na elk versleten experiment.", M.D.)
Wat--onder veel andere redenen--alle verbetering in den weg staat, is
onze Kieswet. Het bederf in den Staat (IDEE 286) _dat thans allerwege
erkend wordt_, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch
thorbeckiaansch vod verlost zyn. Geheel afgezien van de _indische zaken_,
is deze waarheid ook op Nederland zelf van volle toepassing.
132. Wil men dit "_zelfs_" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige
waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast
zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't _byzonder_
kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't
eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen
zaak--en die van 't algemeen!--te-gronde gaan, dan dat hy iemand
naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze
waarheid uit is oud, en--hoe treurig ook--niet onbegrypelyk. Maar dat
'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen
neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer
staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag ...
_niets_ wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent
gezagsverdeeling zóó ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving
niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest
zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand
naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te
verwachten is van uit de _Kamer_ voortgekropen ministers. Sommigen
beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is.
Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar
eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de
_Natie_ achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder
de oogen krygt, en die hem _nota bene_ worden opgedrongen als de
_élite_ van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen
van Landvoogden voor _Insulinde_, heeft de ondervinding voldoende
geleerd. Voor dat ambt--het gewichtigste in den Staat!--blykt ieder
goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de _clique_
die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den
nieuwen druk van "_Specialiteiten_."
133. Zekere kontroleur Bauer werd, heel in den beginne der regeering
van Van Twist, uit 's Lands dienst ontslagen: omdat-i geschenken had
aangenomen "_niet strekkende om zich te verryken_." Ik ontleen de
onderstreepte woorden aan 't Besluit zelf. Ziedaar de echte
huichelende moraliteitspreutsheid! Van Twist die gezworen had "de
bescherming van den Inlander als z'n eersten plicht te beschouwen" mag
dien plicht verwaarloozen en toch z'n traktement in ontvangst nemen,
maar 'n kontroleur die "_niet om zich te verryken_"en dus zonder 't
minste uitzicht op 't grondbezittend lidmaatschap in de Eerste-Kamer,
zich 'n bos _pisang_ laat opdringen, wordt met schande weggejaagd! Ik
zou ver loopen om iemand te zien, die 'n plaats bekleedend by
Binnenlandsch Bestuur, zich nooit schuldig maakte aan de vreeselyke
misdaad die den heer Bauer werd ten-laste gelegd. Gelyk ik reeds in
den tekst opmerkte, behoort het aanbieden van geschenken als de hier
bedoelde, beschouwd te worden als 'n _groet_, als 'n _plichtpleging_,
als uitdrukking van _beleefdheid_ volgens de zeden van 't Land. Dat
ik, in-weerwil hiervan, het aannemen van geschenken afkeur--gelyk uit
het aanhalen der Oostersche vertelling op blz. 212 (Zie de alinea die
begint met: "Het komt my echter voor" M.D.) voldoende blykt--doet nu
niet tot de zaak. M'n bedoeling is de huichelary van den Landvoogd in
't licht te stellen, die aan zulke kleinigheden z'n deugd verspilde,
en onverschillig toezag dat de aan _zyn_ zorg toevertrouwde inlanders
uitgeplunderd en vermoord werden. Het was dezelfde Van Twist, die de
_door hemzelf_ afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer
invoerde! De brave man meende dat zy "_den toets der zedelykheid niet
kon doorstaan_." Heel juist! Onnoozele javaansche jongens werden _van
Regeeringswege_ door onderofficieren, met behulp van _dobbelspel en ...
hoeren_ in 't net gelokt. Zeker, zeker, dat kan inderdaad den "toets der
zedelykheid" niet doorstaan! Maar wèl kon 't den "toets der zedelykheid"
van den godvruchtigen Van Twist doorstaan, _deze wyze van werving weer
intevoeren_(*) en die man is in Nederland "geacht." Zal 't niet by zulke
toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?
(*) Voor den tienden maal sommeer ik den "_Oud-officier van 't Indisch
leger_" die in de N. Rott. Cour. deze bewering 'n "onwaarheid" noemde,
z'n laster intetrekken. Zie overigens een der Noten op _Idee_ 534.
134. De naam _Saïdjah_ is met 'n kleine letterverzetting ontleend aan
den "Staat van gestolen buffels" in de _Minnebrieven_. Daarin vindt
men ook de namen der dorpen _Badoer_ en _Tjipoeroet_.
135. Myn berekening van wat er in Indie verloren gaat onder de
Regeering van één Gouverneur-generaal "die z'n plicht niet doet"
is--als gewoonlyk, we kennen dat!--_overdreven_ genoemd. Weinigen
hebben besef van de kracht der vermenigvuldiging. Ook Droogstoppel
stond verbaasd toen-i over dit onderwerp iets aantrof in Sjaalman's
pak. Ik vraag aan hen die zich zoo makkelyk van de zaak afmaken: _hoe
hoog dan_ VOLGENS HUN MEENING _'t bedrag is, waarop één gouverneur-
generaal van de soort der_ Van Twisten--en hy was de ergste niet!--_aan
de Natie te staan komt?_
136. _Orang Goenong_: bergbewoner, doch op Java zeer speciaal de
bewoner der bergen in den westhoek. 't Woord _aliforoe, alifoeroe,
harifoeroe_ (alfoer) heeft in den noordhoek van _Celebes_, in den
geheelen _molukschen_ Archipel, en op _Nieuw-Guinee_, dezelfde
beteekenis, of althans die van _bewoner der binnenlanden_. 't Is dus
eigenlyk geen volks- of stamnaam, gelyk door sommigen gemeend wordt,
maar wordt--evenals 't woord _Nederlander_--dikwyls als
zoodanig gebruikt.
137. Uit gebrek een ruimte, en tevens omdat de hier behandelde zaak in
nauw verband staat met de meerendeels zoo onjuiste begrippen over
_bevoegdheid in 't algemeen_, wil ik hier over dit onderwerp niet
verder uitweiden. Ik verwys naar den laatsten druk der "_Specialiteiten_."
(Delft, by Waltman.)