Er was te _Buitenzorg_ tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet
zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de
beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een
maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te
_Lebak_ aan.
--Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!
Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig
overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten
afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van
Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen
adsistent-resident van _Lebak_, die echter nog altyd als zoodanig was
opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:
"N° 153 _Rangkas-Betoeng, 15 April 1856_.
_Aan den Kontroleur van Lebak_.[181]
Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer,
N° 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.
Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die
beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond
neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen
zonder ambtenaar te wezen.
Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven,
en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te
verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken
van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in
de meening dat die ambtenaar spoedig--althans deze maand--zou
arriveeren.
Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan
verwacht worden--ge hebt, meen ik, die tyding te _Serang_ gehoord--en
tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere
pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te
mogen overdragen.
Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te
verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan
ik hier deed ... ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met
berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing ... met den
last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden
--met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!--dat ik na dit
alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn
plicht, en dat de eenvoudigste zaak _my_ zwaar viel, geplaatst als ik
was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan
ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.
Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven
moest aan _klagers_.
Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune
zyner hoofden! Eenmaal had ik--onvoorzichtig genoeg!--myn woord ten
borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.
De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling
gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn
zucht voor recht en menschelykheid.
En men ging met klagen voort!
Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart,
dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.
Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling,
uitzuiging, armoede, honger ... terwyl ikzelf nu met vrouw en kind
honger en armoede te-gemoet ga.
En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme
lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur _wil_ dat gy
gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, één als ze was
met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den
Gouverneur-generaal.
Ziehier wat ik antwoordde:
"_Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik
zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende_. Hy _is rechtvaardig,
en_ hy _zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis ...verzet u
niet ...verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop
dat er recht zal geschieden!_"
Zóó meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp,
myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent
het Bestuur _dat my nog deze maand betaalt_, en ik zou aldus tot de
komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder
voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige
verhouding een eind te maken.
Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy
keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun
dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun _kampong_ weder te
verlaten, en nam ze--naar men my rapporteert--hun kleederen af, om
hen te dwingen tehuis te blyven. Één hunner ontsnapt, vervoegt zich
_weder_ by my en verklaart: _niet naar zyn dorp te durven terugkeeren_.
Wat ik nu _dien_ man moet antwoorden, weet ik niet!
Ik _kan_ hem niet beschermen ... ik _mag_ hem myn onmacht niet
bekennen ... ik _wil_ 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar
zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak _pour le besoin de ma
cause_ door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...
Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van _Bantam_,
vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling _Lebak_.
_De Adsistent-resident van Lebak_,