TWINTIGSTE HOOFDSTUK

't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende

een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en

maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die

mevrouw."

--Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm

wat grooter gemaakt ... 't is nu juist _the line of beauty_ van Hogarth,

niet waar?

--Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.

--Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien!

Ei, heb je _die_ strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd

hebt, Tine!

--Ik niet. Waar dan?

--'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren

omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er

zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen,

juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op, en kuste den kleine.

--Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie

mevrouw was kompleet.

--Wie hoort daar een _tontong_ slaan? vroeg de moeder.[175]

--Ik, zei kleine Max.

--En wat beduidt dat?

--Bedtyd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.

--Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed

gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het

knippen van vele sloten gehoord.

--Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.

--O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de

suiker is altyd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren

afgebroken.

--Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog

niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard?

--Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen

afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles

geregeld in weinig tyds.

--Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou

zoo heel ongaarne _Lebak_ verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof

je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook

zal ik dat arme _Lebak_ liefhebben na de genezing van den kanker waaraan

't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me

schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den

anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...

--Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je

later _Lebak_ helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in

dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar ...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

--Lieve Max ... begon ze vriendelyk.

--Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven

van _zand_?

--Lieve Max!

Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging

toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon

die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine

heel anders werd opgevat:

--Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu

sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk

geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat

niemand hem aandurft! Zie ...

Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een

brief die voor me ligt, lezer!

--Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de _soort_ van

arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig

heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176]

En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met

zuigelingen, zwangere vrouwen die van _Parang-Koedjang_ zyn gedreven

naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En

ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan _jy_

zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben?

Vervloekt!

Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot

haar die hy zoo liefhad.

--En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter _myner_ verantwoording!

Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten ...

als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont

de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en

kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden

op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor

het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!

En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.

--Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen

moed had om recht te doen ... dat er zooveel moeders zyn gestorven door

myn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den

zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen

Max naar zyn bedjen--een stroomat--en toen ze terugkwam, vond ze

Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen

getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de

Regeering.

--Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei

Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw

voorstellen, want dan zou er _te veel_ aan den dag komen. Ik ben reeds

lang in 't _Bantamsche_, en weet er veel van, meer nog dan uzelf,

m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan

komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de

ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag

komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen,

en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat

u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig

onderzoek te verkomen ...

--Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn

poging om den _Adhipatti_ te bewegen iets tegen my intebrengen--hetgeen

schynt aantetoonen dat _hy_ beproeven wil de kwestie te verleggen, door

by-voorbeeld _my_ te beschuldigen van ... ik weet niet wat--heb _ik_ me

hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de

Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter

verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden

voorgegeven dat _ik_ iets misdaan had. Als nu de resident _my_ aantast,

kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder

dat men _my_ vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger

schuldig, en daar _ik_ niets misdaan heb ...

Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den

Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den _gewezen_ adsistent-

resident van _Lebak_, Havelaar.

"_Kabinet_. N° 54. _Buitenzorg, 23 Maart 1856_.

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of

vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling

_Lebak_, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den

Resident van _Bantam_, aangenomen, hebben in hooge mate mijne

ontevredenheid verwekt.

In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg,

beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met

uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (_sic_) als begrippen

van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen

goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (_sic_) den Resident,

het hoofd van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_ te maken tot het

doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe

beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te

staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een

Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van _Lebak_, een

zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige

aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds

gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel

vernietigende bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw

voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk

verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van

hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te

_Lebak_, bekend was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk

gelooven aan _ongeschiktheid_ voor het bekleeden eene betrekking bij

het Binnenlandsch Bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der

betrekking van Adsistent-resident van _Lebak_ te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u

ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u

het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te

benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der

betrekking van Adsistent-resident van _Ngawi_.

Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen

of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."

En daaronder stond de naam van den man, op wiens "_yver, bekwaamheid_ en

_goede trouw_" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens

benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende.

[177]

--We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den

kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer

beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:

--G.......... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze

zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan _U_ zulk een brief!

--'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man:

hy moet bedrogen zyn ... hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen

hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de

buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem

aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er

zeker van!

--Maar, als ge naar _Ngawi_ gaat ...

--Juist, ik weet dit! Te _Ngawi_ is de Regent verwant aan het Djokjasche

hof. Ik ken _Ngawi_, want ik was twee jaar lang in de _Baglen_, dat in

de buurt is.[178] Ik zou te _Ngawi_ hetzelfde moeten doen wat ik hier

gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is

my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had!

En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei,

geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering

en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van

de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar _Ngawi_ te

gaan. Die plaats was niet vakant ... ze is voor my open gemaakt, kyk!

En hij toonde in de _Javasche Courant_ die met dezelfde post was

aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem

het Bestuur van _Ngawi_ werd opgedragen, de adsistent-resident van die

provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.

--Weet ge waarom ik juist naar _Ngawi_ moet, en niet naar die vakante

afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van _Madiven_, waaronder

_Ngawi_ behoort, is de _schoonbroeder van den vorigen resident van

Bantam_. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden

had gehad ...

--Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar

juist naar _Ngawi_ verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich

misschien beteren zou!

--En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De

tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zyn opvolger

ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog

tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen

Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar _Ngawi_ ging, zou

dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!

--Lieve Max?

--Je hebt moed, niet waar?

--Max, je weet dat ik moed heb ... als ik by je ben!

--Welnu!

Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een

voorbeeld van welsprekendheid.

"_Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856_.

_Aan den Gouverneur-Generaal

van Nederlandsch-Indie_.

Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23

dezer, N° 54.

Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te

verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands dienst.[180]

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 48 / 80 题