't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende
een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en
maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die
mevrouw."
--Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm
wat grooter gemaakt ... 't is nu juist _the line of beauty_ van Hogarth,
niet waar?
--Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.
--Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien!
Ei, heb je _die_ strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd
hebt, Tine!
--Ik niet. Waar dan?
--'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren
omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er
zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen,
juist in die dagen was je bezig aan die strook.
Tine stond op, en kuste den kleine.
--Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie
mevrouw was kompleet.
--Wie hoort daar een _tontong_ slaan? vroeg de moeder.[175]
--Ik, zei kleine Max.
--En wat beduidt dat?
--Bedtyd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.
--Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.
En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed
gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het
knippen van vele sloten gehoord.
--Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.
--O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de
suiker is altyd achter slot geweest.
Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren
afgebroken.
--Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog
niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard?
--Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen
afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles
geregeld in weinig tyds.
--Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou
zoo heel ongaarne _Lebak_ verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof
je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook
zal ik dat arme _Lebak_ liefhebben na de genezing van den kanker waaraan
't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me
schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den
anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...
--Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je
later _Lebak_ helpen als je Gouverneur-generaal bent.
Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in
dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar ...
Tine begreep dat ze iets miszegd had.
--Lieve Max ... begon ze vriendelyk.
--Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven
van _zand_?
--Lieve Max!
Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging
toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon
die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine
heel anders werd opgevat:
--Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu
sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk
geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat
niemand hem aandurft! Zie ...
Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een
brief die voor me ligt, lezer!
--Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de _soort_ van
arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig
heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176]
En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met
zuigelingen, zwangere vrouwen die van _Parang-Koedjang_ zyn gedreven
naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En
ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan _jy_
zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben?
Vervloekt!
Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot
haar die hy zoo liefhad.
--En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter _myner_ verantwoording!
Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten ...
als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont
de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en
kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden
op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor
het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!
En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.
--Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen
moed had om recht te doen ... dat er zooveel moeders zyn gestorven door
myn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den
zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!
En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen
Max naar zyn bedjen--een stroomat--en toen ze terugkwam, vond ze
Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen
getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de
Regeering.
--Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei
Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw
voorstellen, want dan zou er _te veel_ aan den dag komen. Ik ben reeds
lang in 't _Bantamsche_, en weet er veel van, meer nog dan uzelf,
m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan
komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de
ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag
komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen,
en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat
u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig
onderzoek te verkomen ...
--Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn
poging om den _Adhipatti_ te bewegen iets tegen my intebrengen--hetgeen
schynt aantetoonen dat _hy_ beproeven wil de kwestie te verleggen, door
by-voorbeeld _my_ te beschuldigen van ... ik weet niet wat--heb _ik_ me
hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de
Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter
verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden
voorgegeven dat _ik_ iets misdaan had. Als nu de resident _my_ aantast,
kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder
dat men _my_ vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger
schuldig, en daar _ik_ niets misdaan heb ...
Daar komt de post aan! riep Verbrugge.
Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den
Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den _gewezen_ adsistent-
resident van _Lebak_, Havelaar.
"_Kabinet_. N° 54. _Buitenzorg, 23 Maart 1856_.
De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of
vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling
_Lebak_, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den
Resident van _Bantam_, aangenomen, hebben in hooge mate mijne
ontevredenheid verwekt.
In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg,
beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met
uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (_sic_) als begrippen
van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.
Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen
goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (_sic_) den Resident,
het hoofd van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_ te maken tot het
doelwit van bezwarende onderzoekingen.
In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe
beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te
staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een
Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van _Lebak_, een
zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige
aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds
gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel
vernietigende bejegening te onderwerpen.
Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw
voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk
verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van
hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te
_Lebak_, bekend was.
Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk
gelooven aan _ongeschiktheid_ voor het bekleeden eene betrekking bij
het Binnenlandsch Bestuur.
Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der
betrekking van Adsistent-resident van _Lebak_ te ontheffen.
Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u
ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u
het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te
benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der
betrekking van Adsistent-resident van _Ngawi_.
Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen
of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."
En daaronder stond de naam van den man, op wiens "_yver, bekwaamheid_ en
_goede trouw_" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens
benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende.
[177]
--We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den
kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.
Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer
beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:
--G.......... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze
zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan _U_ zulk een brief!
--'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man:
hy moet bedrogen zyn ... hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen
hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de
buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem
aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er
zeker van!
--Maar, als ge naar _Ngawi_ gaat ...
--Juist, ik weet dit! Te _Ngawi_ is de Regent verwant aan het Djokjasche
hof. Ik ken _Ngawi_, want ik was twee jaar lang in de _Baglen_, dat in
de buurt is.[178] Ik zou te _Ngawi_ hetzelfde moeten doen wat ik hier
gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is
my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had!
En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei,
geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering
en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van
de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar _Ngawi_ te
gaan. Die plaats was niet vakant ... ze is voor my open gemaakt, kyk!
En hij toonde in de _Javasche Courant_ die met dezelfde post was
aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem
het Bestuur van _Ngawi_ werd opgedragen, de adsistent-resident van die
provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.
--Weet ge waarom ik juist naar _Ngawi_ moet, en niet naar die vakante
afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van _Madiven_, waaronder
_Ngawi_ behoort, is de _schoonbroeder van den vorigen resident van
Bantam_. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden
had gehad ...
--Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar
juist naar _Ngawi_ verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich
misschien beteren zou!
--En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De
tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zyn opvolger
ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog
tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen
Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar _Ngawi_ ging, zou
dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!
--Lieve Max?
--Je hebt moed, niet waar?
--Max, je weet dat ik moed heb ... als ik by je ben!
--Welnu!
Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een
voorbeeld van welsprekendheid.
"_Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856_.
_Aan den Gouverneur-Generaal
van Nederlandsch-Indie_.
Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23
dezer, N° 54.
Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te
verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands dienst.[180]