_Saïdjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te
nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saïdjah_ niet verstond.
Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch
spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in
aanraking waren met europesche beschaving. _Saïdjah_ leerde spoedig
maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels
die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy
alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in
den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den
koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van
_Saïdjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men
verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men
zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van
_Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins
_Djalma_ wanneer ze _Saïdjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter
dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang
had gemaakt te Parys.
Maar men vond _Saïdjah_ ondankbaar toen hy, na byna drie jaren dienst,
zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen
had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saïdjah_ ging met een
vroolyk hart op reis.
Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar
dit wist _Saïdjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets
anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy
t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift
van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was,
scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy
voelde dit gaarne ... ik geloof 't wèl! Dáárin waren dertig
_spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_
zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver
beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest
was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg
gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de
wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van
breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de
band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_!
En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een
zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_.
Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig
was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne
stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op
zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die
streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy
die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_,
zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die
den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de
grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy
weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen
en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde
toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite
geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens
roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest
ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar
_Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat
de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte
gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd
niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte
dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?
Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht
den _ketapan_-boom in de wolken, te vèr nog als hy was om dien te zoeken
by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de
gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich
_Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren
_kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in
haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn
... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe
was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een
glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de
_kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen
nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel
in heerlyke golving op den kleinen voet ...
Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere
tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wèl gekomen, _Saïdjah_! Ik
heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst
in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik
onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wèl gekomen,
_Saïdjah_: ik wil uw vrouw zyn!"
Dàt was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te
luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.
Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die
veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by
den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan
van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra
vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy
legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn
_parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn
van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dàt was
de _ketapan_ dien hy zocht.
Ja, wèl was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had
aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst
geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met
alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dáár had ze hem de
_melatti_ gegeven.
Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de
sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn
wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou?
En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem
zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg
ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou
_gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in
zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder,
en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er
toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware
geweest?
Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster
die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan
haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien
van _Adinda_.
Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds
zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?
Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone
oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met
onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner
liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten dáár zyn, wachtende op
hèm, hy die zich nu beklaagde--vóór den tyd reeds!--dat hy te wachten
had op háár.
Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan,
nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel
verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind
komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over
de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper
afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken
in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die
heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen
weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog
altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saïdjah_.
Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het
landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje
waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_.
Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat
_Saïdjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen
nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen
waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had
ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven
waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der
nieuwe maan ...
Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok,
en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin
zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had
zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of
er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder
te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf
manen waren voorbygegaan sedert _Saïdjah_ haar zag voor het laatst.
Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met
vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen òver de kim, opdat ze
de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...
Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken,
en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer
schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder
ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun
gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander,
kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot
vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer,
en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat
alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_!
_Saïdjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem
dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de
sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke
taal.
Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam
hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien.
Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen
over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te
heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar
vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane
smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het
afzyn, liet ook _Saïdjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele
plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of
zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug
op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn
zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de
aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar
hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is
geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich
neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de
moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_!
En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de
hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen,
en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein
was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als
_Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dàt is waar, want hy
was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ...
Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks
zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!
_Saïdjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong
tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den
eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde
onvermoeid op-en-neder. _Saïdjah_ zag het, en dwong zich er naar te
blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid
dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend
wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat
er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen
_voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch
ziehier de vertaling:
"Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt
Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts,
Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder:
Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.
Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op levensonderhoud van myn hart.
Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd...
Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje...
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!"
Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.
_Saïdjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het
begon warm te worden.
"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.
Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.
Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_.
Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.
Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden wat gy zoekt...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op wat myn hart liefheeft.
Reeds lang heeft de vlinder gekust
Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint...
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!"
En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.
De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.
"Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,
Hoog boven den _waringi_-heuvel!
Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen,
Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.
Veel geluk, o zon, ik wensch u heil!
Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op rust voor myn hart.
Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,
En slapen in de zee, als alles duister is...
En nog altyd zal myn ziel
En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_!
Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den
_ketapan_.
"Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,
Als de sterren niet meer zullen schitteren,
Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen,
Als er niet langer bedroefde harten zyn,
Noch wild gedierte in het woud...
Als de zon verkeerd zal loopen,
En de maan vergeten wat oost en west is...
Als dàn _Adinda_ nog niet gekomen is,
Dan zal een engel met blinkende vleugelen
Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.
Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_...
Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!"
Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.
"Dan zal myn lyk door den engel gezien worden.
Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:
"Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten,
Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem.
Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen,
Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was.
Gewis, hy mag niet daar achterblyven,
Wiens hart de kracht had zóó te beminnen!"
Dan zal nog ééns myn verstyfde mond zich openen
Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft...
Nog éénmaal zal ik de _melatti_ kussen
Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!"
En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
boom.
O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't
waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker
had ze niet geslapen sedert weken: zóó was het!
Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er
twyfel was aan haar komst?
Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man
was te ver. En bovendien _Saïdjah_ wilde niet spreken _over Adinda_,
niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, háár alleen, háár
het eerst! O zeker, zéker zou ze nu spoedig komen!
Hy zou wachten, wachten ...
Maar als ze ziek was, of ... dood?
Als een aangeschoten hert vloog _Saïdjah_ 't pad op, dat van den
_ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en
hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden
menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saïdjah_,
_Saïdjah_!"
Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te
vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het
dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't
hoofd omdat hy háár huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar
weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy
_Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal
bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den
waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik
ben dronken!"
En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis
den armen _Saïdjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat
hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in
het dorp Badoer.
Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van
_Adinda_'s vader had weggenomen ...
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.
... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste
zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En
_Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet
betaalde ...
Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!
... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_
meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van
_Saïdjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy
_Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet
gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_,
noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar
_Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar
had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van
_Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige
anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren
van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten
niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een
visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd,
en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren
zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de
europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland
omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de
_Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zóó
althans was de weg dien men elkander fluisterend vóórzei in 't
_Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en
onbetaalde landrenten.
Maar de verbysterde _Saïdjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide.
Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was
een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd.
Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan
zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware
uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te
zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.
Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen
dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet.
Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy
toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners
van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de
_boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saïdjah_, dien men
voor zinneloos hield.
Maar zinneloos was hy niet.
Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de
_baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar
_Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er
zoovéél huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen
aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte
vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt
op vuurtorens of uitstekende bergpunten.
Ja, dáár moest het zyn ...dáár had _Adinda_ gewoond!
Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen
dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk,
hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s
_baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de
bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen
legde ...
Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot
stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en
ademde zeer diep ...
Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar
't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De
vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om
dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saïdjah_ kon
aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy
daarop twee en dertig ingekorven strepen ...
Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het
koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy
een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de
_Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het
nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om
te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van
aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.
Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy
rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en
dus in brand stond.[146] _Saïdjah_ wist dat de bende die daar vernietigd
was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook
waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond
het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst.
Naast hem zag _Saïdjah_ de drie vermoorde broeders van _Adinda_,
jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van
_Adinda_, naakt, afschuwelyk mishandeld ...
Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond
die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling ...
Toen liep _Saïdjah_ eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de
laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen.
Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met
kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen
de gevesten stuitten tegen zyn borst.
En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe
overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't
nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland
dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland,
voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed
met vele ridderkruisen.
En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der
vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der
heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...
"Maar God, met zooveel wee begaan,
Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]
* * * * *
Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saïdjah_ korter gemaakt, dan ik had
kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs.
De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het
wachten onder den _ketapan_, als schrikte ik terug voor de treurige
ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch
was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Saïdjah_ te spreken.
Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den
lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg
echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou,
te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]
Toch had ik dit kùnnen doen, want ik heb stukken voor my liggen ... doch
neen: liever een bekentenis.
Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Saïdjah_ _Adinda_ lief had.
Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd
vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek
ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_
had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door
kerven in haar rystblok ...
Dit alles weet ik _niet_!
Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet _en kan bewyzen dat er veel_
Adinda's waren en _veel_ Saïdjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't
byzonder, waarheid wordt in 't algemeen_. Ik zeide reeds dat ik de namen
kan opgeven van personen die, zooals de ouders van _Saïdjah_ en
_Adinda_, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn
doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een
vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch
gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van
bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en
belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een
publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats
van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by,
in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstallen en afpersingen,
die voor me ligt_[149] getracht een schets te geven van wat er kàn
omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet
tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen,
vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van
aandoeningen die ik nooit ondervond.
Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven
wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien _Saïdjah_ verdicht ...
hy zong nooit dat lied ... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer_!" Maar
dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik
zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!
Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er
misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een
samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen
landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of--om aftedalen tot meer
gelykheid met myn boek--mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak
uitmaakt van de _Negerhut_, omdat er misschien nooit een _Evangeline_
bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk
pleidooi--onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_,
en _indruk_--zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden
niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het is een
roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre
daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef
der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar
boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een
processtuk? Is 't haar schuld--of de myne--dat de waarheid, om toegang
te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?
En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde heb
geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen
tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die
men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zùlke
bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek,
geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat
gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de
inlander niet is als uw _Saïdjah_ ... er ligt in de mishandeling der
Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen
_Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen
niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus ...
Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet
dàt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet
mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder die
bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van
lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die
_niet_ sentimenteel zyn?[150]
By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening
van _Saïdjah_ verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond
alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de
groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om
't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve
dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zóó toch luidt het
woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond
werd aan den kontroleur Verbrugge: _een nota die voor me ligt_.[149]
Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's
voorganger kon zich vergist hebben.
Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard
gestraft. Hy is vermoord.