't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de
voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis
uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps
wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man
terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich
verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs
het grasveld naar Havelaars huis terug.
"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen
de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te
doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat
vroeger 't hare was:
--Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf
betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was
die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de
keuken?
Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek
die niet ontsnapte aan Havelaars blik.
--Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!
--Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk
maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch
eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?
Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in
haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan ... de weduw
berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het
distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was.
--Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort,
hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking
zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en
schriftelyk ... ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?
Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor
my liggen_.[149]
--Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd
vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary
plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de
resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken
tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man
gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars,
zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in
November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het
middagmaal ten huize van den _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, en werd
kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de
maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die
altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.
--Hebt ge den dokter van _Serang_ laten roepen? vroeg Havelaar.
--Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze
kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet
meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig
te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy
even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen,
en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen
verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot
het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben
tot de keuken.
Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen
huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken
van de keuken "die toch zoo ruim was."
Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den
geneesheer te _Serang_, een verzoek om opgave der verschynselen by
Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in
den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering
gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of
zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood
veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de
verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd
gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige
verklaring--omdat de opvatting van 't begrip: _gezondheid_, vooral in
de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is--blyft toch de
gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in
de lever" zich gister kon _te-paard_ zetten met het doel om een
bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig
uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam
geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't
beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op
't vermoeden van misdaad.[151]
Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was,
daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te
brengen. Doch wel kan ik bewyzen _dat zyn omgeving hem voor vergiftigd
hield_, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht
te-keer te gaan.
De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg
kortaf:
--Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?
--Dat weet ik niet.
--Is hy vergiftigd?
--Dat weet ik niet, maar ...
--Spreek duidelyk, Verbrugge!
--Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer
Havelaar, en ... en ...
--Welnu? Ga voort?
--Ik ben overtuigd dat hy ... zou vergiftigd geworden zyn als hy langer
hier was gebleven.
--Schryf dat op!
Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. _Zyn verklaring, ligt voor
my!_[149]
--Nog iets. Is 't _wáár_ of is 't _niet_ waar dat er gekneveld wordt in
_Lebak_?
Verbrugge antwoordde niet.
--Antwoord, Verbrugge!
--Ik durf niet.
--Schryf 't op, dat je niet durft!