_Saïdjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen
deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van
_Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen
lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de
_sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,
en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den
_lombong_ van het huis.
Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de
opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_
bestaat, wat elders niet het geval is.[142]
_Saïdjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw
behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saïdjah_ die nog een kind was, en
de broertjes en zusjes van _Saïdjah_.
Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als
hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat
straf by de wet.
Toen nam _Saïdjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader.
De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de
scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy
verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam
te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen
buffel kocht.
_Saïdjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen
buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:
vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche
_kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.
Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag
naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede
hy is opgegroeid.
Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saïdjah_ spoedig weten
inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saïdjah_'s aanmoedigende
kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften
van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg
teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan
't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het
terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de
_sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.
Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind
dat met _Saïdjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan
de tusschenliggende grens, juist als ook _Saïdjah_ dáár was met zyn
ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht
en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van
_Saïdjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de
anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede
toespraak.
_Saïdjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor
deze buffel aan _Saïdjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd
van _Parang-Koedjang_.
_Saïdjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee
zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor
achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.
Maar _Saïdjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat
de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn
vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de
_klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saïdjah_'s vader niet had
willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals
de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.
En _Saïdjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy
twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want
zyn keel was te nauw als hy slikte.
Men bedenke dat _Saïdjah_ een kind was.
De nieuwe buffel leerde _Saïdjah_ kennen, en nam in de genegenheid van
't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig
eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht
gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de
nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude
juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn
voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saïdjah_ niet meer roemen op
de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de
grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.
En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er
aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met
zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een
_oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er
_ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.
Eens, in 't veld, riep _Saïdjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te
maken. Het dier stond pal. _Saïdjah_, verstoord over zoo groote en
vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een
beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal
my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging
spaar van een grove uitdrukking.
_Saïdjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat
hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden
waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want
het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop
als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy
blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de
bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...
"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saïdjah_,
vlucht! Daar is een tyger!"
En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op
de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_,
door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden
en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp
_Badoer_, was _Saïdjah_ niet by hen.
Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de
anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier
hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...
_Saïdjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige
sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar
door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder
gegaan dan _Saïdjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle
stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,
of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak
over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong
... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en
verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De
aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saïdjah_ was gered. Wèl
was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]
Toen deze buffel aan _Saïdjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.
... toen deze buffel geslacht was, telde _Saïdjah_ twaalf jaar, en
_Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had
reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze
teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saïdjah_ zeer
treurig gezien.
En ook _Saïdjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze
toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind
ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s
broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die
wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver
indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't
weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had
gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige
vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe
dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht
verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd
weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet
_Saïdjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.
Eenigen tyd daarna vluchtte _Saïdjah_'s vader uit het land. Want hy was
zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en
hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn
ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden
nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde
distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige
jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een
zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't
bezit van eigen buffels geweest is. _Saïdjah_'s moeder stierf van
verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg
uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_.
Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder
pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de
gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo
onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een
oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere
verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort
daarop stierf.
Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saïdjah_, weet ik
niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig,
en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en
gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel
geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.
_Saïdjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_
vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen
in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel
heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem
een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk
iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel
zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,
had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige
bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld
kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht
lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in
den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en
deelde haar zyn plan mede.
--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te
trouwen, en we zullen twee buffels hebben!
--Heel goed, _Saïdjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.
Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en
heel vlytig zyn al dien tyd.
--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?
--_Saïdjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn
vader heeft me toegezegd aan uw vader.
--En jyzelf?
--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!
--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...
--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?
--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het
_djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.
--Maar, _Saïdjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te
wachten by den _ketapan_?
_Saïdjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:
--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan
rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke
nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den
dag die dáárop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, dáár
te zyn?
--Ja, _Saïdjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als
je terugkomt.
Nu scheurde _Saïdjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer
versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't
bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.
Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet
de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de
adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat
daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan,
en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele
huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saïdjah_ had
nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar
's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den
volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy
den grooten _toedoeng_, droeg, dien zyn vader hem had achtergelaten.
Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy
rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men
stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar
een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen
verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag
tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en
ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,
haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die
_Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd
geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag,
en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat
zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen
tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten
had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van
_Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy
had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het
vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zóó
groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by
't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,
als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van
dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had
alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende
onder dien boom.
Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op
den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die
voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem
minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al
was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die
niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat
zou _Adinda_ zeggen van zóó weinig hart?
Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had
de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was
veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy
vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy
haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm
wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook
begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om
haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort
geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den
_lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy
meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was
verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk,
dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al hàd zy een fout
gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen
_Tjipoeroet_ verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf--zoo
ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich
verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen
tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als
ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó
groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die
scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik
gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed
dat _Saïdjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen
_Adinda_?"
Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige
overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden
binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den
weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn
voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals
Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.
"Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met
myn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal
het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"
Ik zal 't niet hooren.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken
omdat hy _mata-glap_ was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout
neervallen op myn lyk.
En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water
werpen om het vuur te dooden.
Ik zal 't niet hooren.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen
hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder.
Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den
voet, in de struiken, als _Si-oenah_.
Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen
zullen roepen: "zie, daar ligt _Saïdjah_! met harde stem.
Ik zal 't niet hooren.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen
ouderdom, want zyne haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen
om myn lyk staan.
En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk.
En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.
Ik zal 't niet hooren.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde
hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.
Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts
tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,
Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens
voortschuiven langs het gras...