ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]

_Saïdjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen

deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van

_Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen

lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de

_sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,

en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den

_lombong_ van het huis.

Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de

opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_

bestaat, wat elders niet het geval is.[142]

_Saïdjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw

behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saïdjah_ die nog een kind was, en

de broertjes en zusjes van _Saïdjah_.

Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als

hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat

straf by de wet.

Toen nam _Saïdjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader.

De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de

scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy

verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam

te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen

buffel kocht.

_Saïdjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen

buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:

vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche

_kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.

Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag

naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede

hy is opgegroeid.

Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saïdjah_ spoedig weten

inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saïdjah_'s aanmoedigende

kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften

van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg

teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan

't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het

terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de

_sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind

dat met _Saïdjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan

de tusschenliggende grens, juist als ook _Saïdjah_ dáár was met zyn

ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht

en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van

_Saïdjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de

anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede

toespraak.

_Saïdjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor

deze buffel aan _Saïdjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd

van _Parang-Koedjang_.

_Saïdjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee

zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor

achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.

Maar _Saïdjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat

de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn

vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de

_klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saïdjah_'s vader niet had

willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals

de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.

En _Saïdjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy

twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want

zyn keel was te nauw als hy slikte.

Men bedenke dat _Saïdjah_ een kind was.

De nieuwe buffel leerde _Saïdjah_ kennen, en nam in de genegenheid van

't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig

eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht

gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de

nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude

juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn

voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saïdjah_ niet meer roemen op

de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de

grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.

En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er

aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met

zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een

_oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er

_ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.

Eens, in 't veld, riep _Saïdjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te

maken. Het dier stond pal. _Saïdjah_, verstoord over zoo groote en

vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een

beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal

my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging

spaar van een grove uitdrukking.

_Saïdjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat

hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden

waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want

het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop

als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy

blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de

bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...

"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saïdjah_,

vlucht! Daar is een tyger!"

En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op

de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_,

door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden

en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp

_Badoer_, was _Saïdjah_ niet by hen.

Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de

anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier

hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...

_Saïdjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige

sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar

door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder

gegaan dan _Saïdjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle

stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,

of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak

over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong

... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en

verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De

aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saïdjah_ was gered. Wèl

was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]

Toen deze buffel aan _Saïdjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, telde _Saïdjah_ twaalf jaar, en

_Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had

reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze

teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saïdjah_ zeer

treurig gezien.

En ook _Saïdjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze

toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind

ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s

broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die

wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver

indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't

weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had

gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige

vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe

dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht

verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd

weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet

_Saïdjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.

Eenigen tyd daarna vluchtte _Saïdjah_'s vader uit het land. Want hy was

zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en

hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn

ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden

nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde

distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige

jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een

zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't

bezit van eigen buffels geweest is. _Saïdjah_'s moeder stierf van

verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg

uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_.

Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder

pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de

gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo

onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een

oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere

verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort

daarop stierf.

Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saïdjah_, weet ik

niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig,

en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en

gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel

geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.

_Saïdjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_

vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen

in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel

heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem

een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk

iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel

zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,

had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige

bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld

kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht

lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in

den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en

deelde haar zyn plan mede.

--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te

trouwen, en we zullen twee buffels hebben!

--Heel goed, _Saïdjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.

Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en

heel vlytig zyn al dien tyd.

--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?

--_Saïdjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn

vader heeft me toegezegd aan uw vader.

--En jyzelf?

--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!

--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...

--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?

--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het

_djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.

--Maar, _Saïdjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te

wachten by den _ketapan_?

_Saïdjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:

--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan

rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke

nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den

dag die dáárop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, dáár

te zyn?

--Ja, _Saïdjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als

je terugkomt.

Nu scheurde _Saïdjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer

versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't

bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.

Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet

de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de

adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat

daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan,

en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele

huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saïdjah_ had

nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar

's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den

volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy

den grooten _toedoeng_, droeg, dien zyn vader hem had achtergelaten.

Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy

rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men

stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar

een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen

verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag

tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en

ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,

haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die

_Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd

geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag,

en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat

zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen

tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten

had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van

_Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy

had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het

vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zóó

groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by

't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,

als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van

dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had

alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende

onder dien boom.

Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op

den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die

voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem

minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al

was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die

niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat

zou _Adinda_ zeggen van zóó weinig hart?

Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had

de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was

veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy

vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy

haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm

wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook

begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om

haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort

geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den

_lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy

meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was

verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk,

dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al hàd zy een fout

gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen

_Tjipoeroet_ verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf--zoo

ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich

verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen

tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als

ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó

groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die

scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik

gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed

dat _Saïdjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen

_Adinda_?"

Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige

overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden

binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den

weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn

voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals

Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.

"Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met

myn vader om zout te maken.

Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe

water, zullen er haaien komen.

Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal

het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken

omdat hy _mata-glap_ was.

Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout

neervallen op myn lyk.

En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water

werpen om het vuur te dooden.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen

hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder.

Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den

voet, in de struiken, als _Si-oenah_.

Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen

zullen roepen: "zie, daar ligt _Saïdjah_! met harde stem.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen

ouderdom, want zyne haren waren wit.

Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen

om myn lyk staan.

En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk.

En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde

hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.

Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts

tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,

Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens

voortschuiven langs het gras...

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 37 / 80 题