VYFTIENDE HOOFDSTUK

Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge

ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man

had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident

_gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die

ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident

niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft

liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt

op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem

zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een

klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud

ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen

aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad

zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden

zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze

geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen,

ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden

in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_

hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht

in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest,

en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande

oneerbiedigheid!"

Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te

denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid

om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename

taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht.

De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent

had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met

het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.

Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer

andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde

dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken?

Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te

spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen,

alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en

boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten

worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige

vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en

den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te

geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er

van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de

macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als

uitvoerder van des Regents willekeur?

Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven

er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Dáárom waren er zooveel

bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_

distrikten! Dáárom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden

gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen,

en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de

koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?"

Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier

afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend,

angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had

geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als

menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te

onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling

gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen

die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te

wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een

aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat

de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te

handhaven ...

Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by

den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen

liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_,

dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was

overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in

't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging

by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor

verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering

die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even

gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd

door twyfel, niet aan wàt hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_

hy te handelen had?[128]

Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken

als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held

myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven

maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot

hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe

nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur

Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_

te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe

die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog

nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]

Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had

medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken,

vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van

verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op

grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en

dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in

levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten?

Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner

jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en

voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De

ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd

goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der

_Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde,

hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.

Zóó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en

nog-eens en nòg-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met

zachtheid.

En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de

fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent

gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al

te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf

zóó ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te

bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog

van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen

waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen

gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur

opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident,

dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove

dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond

officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb,

wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil

hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]

Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men

hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld

door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de

personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy

daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer

daarnaast ophield. Want zóó innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy

bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde,

gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls

koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten

over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder

te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die

hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy

wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over

eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide

iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn

ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer

was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van

berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de

andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving

gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn

eigen hoofd.

Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze dáár moest

zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy

behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen

moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem

binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.

--Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't

binnentreden. Zeer moeielyk!

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om

optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van

houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur

Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te

voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in

't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu

is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van

Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn,

zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt

daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het

verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor

verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden

arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden.

Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering

zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend

werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel

gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend

uitzien op 't papier.

Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden

opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe

belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der

arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een

nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven

naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen

Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet

overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil

nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar,

die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak

schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid

schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken

een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie

over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft,

moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak

is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke

Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een

straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik

gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te

kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg

wilde gaan.

"N° 114 _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.

Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den

16den Februari l.l., N° 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht

het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met

in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer N° 97.

Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als

billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van

materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van,

het Bestuur.

By uwe missive van 8 dezer, N° 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof,

volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale

kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren

gesteld, den resident heb aangeboden.

Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer,

N° 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het

verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853

en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?

Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u

mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder

moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften

u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling

meermalen uitvoerig bespraken.

Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.

Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden

brief des residents in de hand, en begon te spreken over de

moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde

by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te

noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder

anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter

bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls

vriendschappelyk waarschuwde.

Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is

_on_-waar.

Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_

eed, doe men zyn vollen plicht.

Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.

Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want,

afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van

plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker

omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte

om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op

den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer

belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en

waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u

stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd

tot-tyd daarop gezinspeeld.

Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en

hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop

schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid,

noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy

dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen

dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt.

Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze,

dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele

anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo

op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel

te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding

welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven

hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te

doen dan _half_."

Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn

bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde,

principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen

zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet

ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er

noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er

te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken

schroom om flink voor een zaak uittekomen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u

voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en

1853 of 1854.

Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult

opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw

dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of

minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de

verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de

_school_ waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt.

Deze _circonstance atténuante_ zou echter vervallen wanneer ge,

langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende,

voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet.

Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "_Uweledelgestrenge_" heb

ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid"

en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral ànders

blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.

_De Adsistent-resident van Lebak_

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 34 / 80 题