VEERTIENDE HOOFDSTUK

Ge weet, begon Havelaar, hoe de nederlandsche bezittingen ter Westkust

van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in den noordhoek grenzen, waarvan

_Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een geheim artikel in het

traktaat van 1824, ons jegens de Engelschen de verplichting oplegt, de

rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met

een _faux-air Napoléon_ gaarne zyn gouvernement zoo vèr mogelyk

uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyken

hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel gelooven,

omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troeman_ en

_Analaboe_, wier provincien niet zonder gewicht zyn door den peperhandel

die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandsche

souvereiniteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel

vindt om zulke landjes den oorlog aantedoen, en zich daarvan meester te

maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van

een molen. Ik geloof van den generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen

zou weggenomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet

dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet

daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid.[107]

Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet Noord- maar

Oostwaarts. De landstreken _Mandhéling_ en _Ankola_--dit was de naam der

adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte

Battahlanden--waren wel nog niet gezuiverd van atjineschen invloed--want

waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk--maar de

Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel den Gouverneur

niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden

nederlandsche beambten en nederlandsche garnizoenen gezonden naar _Bila_

en _Pertibie_, welke posten echter--zooals je weet, Verbrugge--later

weer ontruimd zyn.

Toen er op Sumatra een Regeeringskommissaris[108] aankwam, die deze

uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in

stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland

zoozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die

uitbreiding geen bezwarenden invloed behoefde te hebben op de

begrooting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen

waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zoodat hy een zeer groote

landstreek onder nederlandsch bestuur had gebracht, zonder dat hieruit

geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelyk

ontblooten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't

Mandhélingsche, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de

aanhankelykheid van _Jang di Pertoean_, 't voornaamste hoofd in de

Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien.[109]

Met weerzin gaf de Regeeringskommissaris toe, en wel op de herhaalde

betuigingen van den generaal dat hy _persoonlijk_ zich tot borg stelde

voor _Jang di Pertoean's_ trouw.

Nu was de kontroleur die vóór my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de

schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke

ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel

hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren

ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze

beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di

Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder

vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging

te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe

dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader

tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die

kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch

Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang

heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er

waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed,

trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en

meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandhéling_ tegen

elkander opgezet te houden.

Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandhéling_ een

komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en

dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle

Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_

plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien

altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats

zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich

laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die

vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden

waar dat Hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de

zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor

ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't

_Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds

in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met

sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de

Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren

verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun

landeryen bevolkt.[110]

Zóó ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze

bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als

verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen

van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de

battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy

zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden"

in _Mandhéling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een

ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke

gelegenheden nooit uitblyft.[111]

Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan

ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge

zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag

worden geslagen. Zéker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht

aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de

geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_

overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk

fanatiek.[112]

Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di

Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandhéling_, werd gevangen

genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem

voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte

scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt

vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo

bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de

genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus

van _Mandhéling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy

_gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy

ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit

doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde

autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een

gevangene te zullen aankomen. Wèl moet hy dus zeer verwonderd hebben

gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen,

maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte,

het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te

herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer

verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van

_Mandhéling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die

ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_,

eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door

dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_

naar _Mandhéling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig-

verklaarde, maar met den trots van iemand die zóó hoog staat dat hy geen

verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak

niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor

valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt,

teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken

zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de

generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De

tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non

avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder

de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn.

Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't

bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me

natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhélingsche was voorgevallen, en

gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen

die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy

zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die

zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die

_Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik

wisten op dàt oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar

_Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn,

en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan

--gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen

een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te

belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris

zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit

zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't

ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende

hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust

verzet had.

"Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de

beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel

zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek

waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals

ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders

dat niet vernietigd worden _kan_."

En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan

hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT

DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN

DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger,

en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te

_Batavia_, als hy dáár _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad!

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis

van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den

_Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden

kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de

woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den

trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een

_Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den

_Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van

eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_

op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn

moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit

het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in

't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat.

"Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den

voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had

bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT

NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHÉLING."

"Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat

exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't

brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar

als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de

processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men dáár zien wie de

man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat

vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy."

Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger

vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een

oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy

stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk

de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo

vreeselyk mishandeld had."

"Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er

by.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di

Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn

gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een

onschuldige zou veroordeeld hebben tot zóó zware straf, als dat de

generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig

vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen

gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind

was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den

generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan.

Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_,

was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers

vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van

mandhélingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd

tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige

macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement

mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter

bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by

die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor

zyn eigen veiligheid, en 't is dáárom dat ik zyn roem van dapperheid

niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen

noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de

officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen,

en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder

myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik

moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe

noodig waren. De generaal, die natuurlyk vóórzat, ondervroeg en de

proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze

beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in

de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de

antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf

deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die

ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen

gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch

_Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy

_niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_

uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis

tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den

voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke

personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan

den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandhéling_ een wapen ter

zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun

haat jegens _Jang di Pertoean_.

De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken

aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner

toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen,

zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over.

Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den

natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my

onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft

uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen.

Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me

tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zóó ver gegaan is dat ik

heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu

de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu

ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de

aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden

waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond

te blyven.

--Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei

Duclari.[115]

--Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet

aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak

veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_

heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou

bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de

generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner

handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat

ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf

vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de

generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen

door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden

van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en

't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen

tegen valsheid, maar ik was daarover niet zóó verontwaardigd als ik zou

geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om

een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om

ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te

vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden.

--En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

--Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal

te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te

hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De

resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend

had, werd ...

--Gesuspendeerd?

--Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht

te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

--En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

--O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in

hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke

ambten bekleed.[116]

--En _Soetan Salim_?

--De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd

hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de

Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek

gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?

--Neen, Max, dat is me glad ontgaan.

--Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren!

--Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik

vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt?

--Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat

de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is,

waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my

zeer _on_-welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant

was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de

"zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een

toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat

er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt

ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de

generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand

die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid

met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor

verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde

van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had

op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met

de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom.

Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware

daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier,

Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit

kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een

boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas

vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich

vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ...

kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen?

Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des

rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_,

op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de

republiek, en op wat niet al!

Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl

hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn

kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den

vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar

_Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst

dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

* * * * *

Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan

zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb

opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester

zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van

een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of

te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen

die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de

tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't

afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde

voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die

ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer

niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem

en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit,

en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem

en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook

in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken

van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en

vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen

waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan

ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht

de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam

verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de

Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te

_Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen

van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de

meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd,

en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet

meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de

levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen

spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige

malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig,

en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars

woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar

_monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't

vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op

een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar

er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het

van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te

hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden

waren om zònder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen,

maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo

was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar

niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich

Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere

ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht

aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan

't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en

westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest

vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een

klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele

andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen

wezen met haar Max?

Eén omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet

berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel

slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar

beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die

ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zóóveel aan

premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in

gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke

zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan.

Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou

verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen

moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine

toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen

dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de

slaapkamers verbergen.

Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indiën overal,

maar op de grootere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander

woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken,

zooals te _Rangkas-Betoeng_. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten

zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan den rand van den ravyn toe,

zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in den tuin vertoond

hebben, maar niet in zóó grooten getale als dit nu 't geval was. De

natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven

't licht van open plaatsen, zoodat, als Havelaars erf zindelyk ware

gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de

ruigte in den ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was

niet zindelyk, en ik wensch de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een

blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de

nederlandsch-indische bezittingen heerschen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die

aan de gemeenten toebehooren, voor-zoover men van gemeente-eigendom

spreken kan in een land waar de Regeering zich alles toeëigent. Genoeg,

dat die erven niet toebehooren aan den ambtelyken bewoner zelf. Deze

toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te koopen of te

huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krachten ging. Wanneer nu het erf

van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden

onderhouden, zou dit, by den weligen tropischen plantengroei, binnen

weinig tyds in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit

zoodanig erf in slechten staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger

verbaasd over 't schoone park dat een residentswoning omringt. Geen

beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om den hiertoe noodigen

arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een

deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereischte is, opdat

niet de bevolking die zooveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid

grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel

bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te

beschikken over eenige ketting-gangers, dat zyn: elders veroordeelde

misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of

min geldige redenen van politieken aard niet aanwezig was. Doch ook op

plaatsen waar zich wel zoodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal,

vooral met het oog op de behoefte aan anderen arbeid, zelden in

evenredigheid met het werk dat zou vereischt worden tot het goed

onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden

worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van

_heeredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zoodanige

oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer

goed dat het den gezaghebbenden ambtenaar die van dat gezag misbruik

maakt, later moeielyk vallen zou een inlandsch Hoofd te bestraffen over

een gelyke fout. En alzoo strekt het vergryp van den een tot vrybrief

voor den ander.

Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in

sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europesche

begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou

't--misschien uit ongewoonte--zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in

alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor

zyn erf bestemde heeredienstplichtigen voorschryven, daar er

omstandigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren

voorzien. Maar zoodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is

overschreden, wordt het moeielyk een punt vasttestellen, waarop

zoodanige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral

wordt groote omzichtigheid noodig zoodra men weet dat de Hoofden alleen

wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding

natevolgen. De vertelling over zekeren koning die niet wilde dat men de

betaling verzuimde van één korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal

gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok--omdat,

naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn

geheel ryk zou vernietigen--hy moge dan _Timoerleng_, _Noereddien_ of

_Djengis-Khan_ geheeten hebben, zeker is òf die fabel, òf als 't geen

fabel is, het voorval zelf, van aziatischen oorsprong. En even als 't

aanschouwen van zeedyken aan de mogelykheid van hoog water doet

gelooven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken

in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht,

konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de

onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden.

Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar

schreef aan den resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy

door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regeering voortestellen

even als elders kettinggangers in de residentie _Bantam_ te doen

arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat

hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren

veroordeeld tot "arbeid aan den publieken weg" op zyn erf te-werk te

stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende

bekend dat zoodanige beschikking over gekondemneerden overal de

gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te

_Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina_, noch te _Menado_, noch te _Natal_,

van dat vermeend recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin

te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had

hy zich afgevraagd hoe de Regeering bepalingen kon laten bestaan, die

den ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten

te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met den

toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de

gestrafte, ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermeenen zou dat

er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy

straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer

afkeurenswaardige opsluiting.[117]

En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in den tuin, en dat

ook Tine van de bloemen niet zooveel genoegen smaakte als ze zich had

voorgesteld op den dag van haar aankomst te _Rangkas-Betoeng_.

Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykheden geen

invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zooveel bouwstoffen

bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan

ook niet toeteschryven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met

een bewolkt voorhoofd binnentrad, by het terugkeeren van een uitstap, of

na 't aanhooren van dezen en genen die verzocht hadden hem te spreken.

We hebben uit zyn toespraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht

wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de

lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leeren kennen als

iemand die wel in-staat was iets uittevinden en tot klaarheid te

brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er

was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging

zyn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die

afdeeling gelet had, zoodat hy reeds den eersten dag, toen Verbrugge hem

ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn

nieuwen werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door nasporing op de

plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en

vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het

bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werkelyk in een hoogsttreurigen

toestand verkeerde.

Uit brieven en aanteekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze

dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden

bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed

begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich

rechtstreeks tot de Regeering te zullen wenden indien niet aan dien

stand van zaken een einde werd gemaakt.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zyn

voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident

van _Lebak_ in geen geval den resident van _Bantam_ mocht voorbygaan, en

hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd

zyn, daar het toch niet te denken was dat die hooge beambte party zou

trekken voor afpersing en knevelary.

Zoodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in den

zin zooals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof den resident eenig

voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wèl

bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de

klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe

die voorganger meermalen met den resident over de heerschende misbruiken

had gesproken--_geaboucheerd_, zei Verbrugge--en hoe weinig hem dit

gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom

een zoo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de geheele residentie

evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was

te zorgen dat er recht geschiedde, byna altyd reden meende te hebben om

den loop van dat recht te stuiten.[118]

Reeds te _Serang_, toen Havelaar daar ten-huize van den resident

vertoefde, had hy dezen over de Lebaksche misbruiken gesproken, en

hierop ten-antwoord bekomen: "dat dit alles in meer of mindere mate

overal 't geval was." Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou

beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar

hy meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond,

te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan

daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier

geen spraak was van _meer of mindere_, doch van _zeer groote_ maat,

waarop de resident hem onder anderen antwoordde: "dat het in de afdeeling

_Tjiringien_--ook tot _Bantam_ behoorende--nog erger gesteld was."

Wanneer men nu aanneemt, zooals men aannemen kan, dat een resident geen

rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken

over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zoovelen beweegt in

tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder

daarvan aan de Regeering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet

het al zeer vreemd vinden dat men zoo koelbloedig 't bestaan van die

misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of

bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.

In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets

onaangenaams, en 't schynt wel of er van den ongunstigen indruk dien ze

veroorzaken, iets blyft kleven op wien de verdrietige taak te-beurt viel

zulke tydingen meetedeelen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen

een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets

ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer

men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op den hals te halen die

nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch

tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van den ongunstigen toestand

dien men plichtshalve openbaart.

De Regeering van Nederlandsch Indie schryft by-voorkeur aan haar

meesters in 't moederland dat alles naar wensch gaat. De residenten

melden dit gaarne aan de Regeering. De adsistent-residenten, die zelf

van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden

ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten.

Hieruit wordt in de officieele en schriftelyke behandeling der zaken een

gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de

waarheid, maar ook met de eigen meening van die optimisten zelf, zoodra

zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en--nog vreemder!--dikwyls zelfs

in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel

voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die den gunstigen toestand van

een residentie ten-hoogste verheffen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar

de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden,

als niet de zaak om de eindelyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding

geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naïveteit waarmee

vaak in zoodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en

aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de

wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een

enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeerderen.

Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een

residentie. De resident roemt den handel die daar bloeit, en beweert dat

in de geheele landstreek de grootste welvaart en bedryvigheid worden

waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe

middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond

den onaangenamen indruk wegnemen, die op de Regeering zou worden te-weeg

gebracht door de meening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht

wordt ontdoken. "Neen, zegt hy, dáárvoor behoeft men niet bezorgd te zyn!

Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want ...

er gaat in deze streken zóó weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in

den handel wagen zou."

Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: "in 't

afgeloopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinsneden getuigen

wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de

Regeering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die,

zooals de term luidt: "haar niet bemoeielykt" met verdrietige berichten!

Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toeteschryven aan onjuistheid

der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt

men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lagen aanslag den

landbouw aantemoedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en

weldra--liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn--onbegrypelyke

vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet

verborgen blyven _kon_, was dit het werk van eenige weinige

kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vreezen zyn daar er een

_algemeene_ tevredenheid heerscht. Waar gebrek of hongersnood de

bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte,

regen of zoo-iets, nooit van wanbestuur.

De nota van Havelaars voorganger, waarin deze "het verloop van volk uit

het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik"

ligt voor my.[119] Deze nota was _in_-officieel, en bevatte punten

waarover die ambtenaar met den resident van _Bantam_ te _spreken_ had.

Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn

voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by den waren naam had genoemd in een

_openbare dienstmissive_.

Kortom, de officieele berichten van de beambten aan het Gouvernement, en

dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regeering in 't moederland,

zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _onwaar_.

Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en

voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord

mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner meening, bedenke hoeveel

millioenen schats en hoeveel menschenlevens er zouden gespaard zyn aan

Engeland, indien men dáár tydig de oogen der natie voor de ware

toedracht der zaken in Britsch-Indie geopend had, en hoe groote

dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan den man die den moed had

getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't

verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk

geworden was.

Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't noodig is, zal ik

aantoonen dat er vaak hongersnood heerschte in streken die geroemd

werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die

als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uittebersten in

woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek,

schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te

gelooven dat ze bestaan.

Voor 't oogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het

belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door

ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indie, gemakkelyk

zal kunnen begrepen worden.

Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn

landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave

wordt dat vervoer in twee deelen gesplitst, naarmate het zich bepaalt

tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de

hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_

residentien op Java _naar_ residentien op Java, zal men bevinden dat

deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die,

volgens dezelfde opgaven, _in_ residentien op Java _uit_ residentien op

Java is ingevoerd.

Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het

doorzicht der Regeering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil

den lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid.

De procentsgewyze belooning aan europesche en inlandsche beambten voor

produkten die in Europa moeten verkocht worden, had den rystbouw

zoodanig op den achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een

hongersnood geheerscht heeft, die niet voor de oogen der natie

weggegoocheld worden kòn. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften

zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot zóó ver. Tot de vele

uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde

opgaven van uit-en ingevoerde ryst, opdat de Regeering voortdurend het

oog houden kon op de ebbe en den vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_

uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer_: betrekkelyk gebrek.

Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de

ryst overal zóó overvloedig is, _dat alle residentien tezamen meer ryst

uitvoeren dan er in alle residentien tezamen wordt ingevoerd_. Ik

herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf

afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde

stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is_. Dàt is

toch welvaart!

Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de

Regeering meetedeelen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de

gevolgen van dit alles zoo treurig waren. Welke verbetering immers is er

te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat,

in de berichten aan 't bestuur alles omtebuigen en te verdraaien? Wat is

er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit den aard zacht

en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zy den

eenen resident vóór, den anderen nà ziet aftreden met verlof of met

pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied

is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen

veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zoolang onderdrukte

ontevredenheid--onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te

loochenen!--eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt

er niet een _Jacquerie_ op 't eind van dezen weg?

En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden,

zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hoogers bestaat

dan de "gunst der Regeering?" Iets hoogers dan de "tevredenheid van den

Gouverneur-generaal?" Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten-

schryvers die de oogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden?

Zullen dan zy die vroeger den moed misten om een kordaat woord op 't

papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandsche bezittingen

behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven

die er zullen noodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van

omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen

door hùn schuld?

En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_

schuldigen. Het is de Regeering zelf die, als geslagen met onbegrypelyke

blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en

beloont.[120] Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking

der bevolking door inlandsche Hoofden.

Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de

onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om

op de bevolking den invloed uitteoefenen dien de Regering noodig heeft

om háár gezag staande te houden, daartoe een veel hooger bezoldiging

zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de

vryheid liet het ontbrekende aantevullen door onwettige beschikking over

de bezittingen en den arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regeering gaat

niet dan noode over tot het toepassen der bepalingen die den Javaan

tegen afpersing en roof heeten te beschermen. Meestal weet men in

onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde,

een oorzaak te vinden om _dien_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't

is dan ook in Indie een tot spreekwoord geykte meening dat het

Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan één Regent. Ook die

voorgewende politieke redenen--als ze op _iets_ gevestigd zyn--steunen

gewoonlyk op valsche opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't

verheffen van den invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter

zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te

groote inschikkelykheid omtrent die hoofden.[121]

Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de menschlievend-

luidende bepalingen--en van de eeden!--die den Javaan tegen willekeur

beschermen ... op 't papier, en verzoek den lezer zich te herinneren hoe

Havelaar by 't naspreken van die eeden iets te kennen gaf dat denken

deed aan minachting. Voor 't oogenblik wil ik alleen wyzen op het

moeielyke van den toestand des mans die, geheel ànders dan uit kracht,

eener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht.

En voor hem was deze moeielykheid grooter nog dan ze voor sommige

anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in

tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal

hebben leeren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor

menschen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen

met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy

moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden

leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde

aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beleedigd was, de party

van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari

en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrekkelyks had gevonden in het

duel met den sabel, 't geen de waarheid was ... doch hy zeide er niet by

hoe hy na 't wonden van zyn tegenparty gewoonlyk schreide, en zyn

gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik

zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ den kettingganger die op hem

geschoten had[122] by zich nam, den man vriendelyk toesprak, hem voeden

liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat

de verbittering van dien veroordeelde 't gevolg was van een, elders

geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed

òf ontkend, òf belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde

met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een

verstandig mensch zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt

was in het web eener spin. Ontkend weder door ieder--buiten Tine--die hem

daarna hoorde schimpen op die "domme dieren" en op de "domme natuur" die

zulke dieren schiep.

Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk

waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was

hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in

zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand

niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!"

Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart?

Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt

_gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die

niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_

heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het

nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die

daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid

moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet

verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of

verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om

getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans

vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te

zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke

luttele hoogte ook.[123]

Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige

regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken.

Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie

moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die

ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht

willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy

eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de

innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte.

--Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!

Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl,

Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht!

Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,

Und bist wohl müde, komm, dein _Tikar_ harret.[124]

--Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!

Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,

Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich,

Und weiss nicht einmal was ich träume! Hier

Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume.

Und fragen was mein Traum bedeutet... hör,

Was war das?

--'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28]

--Thut das dem Klapper weh?

--Ich glaube nicht.

Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefühl.

--Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?

--Nein,

Man sagt, sie fühle nicht.

--Warum denn, Mutter,

Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125]

Hast du gesagt: es thut der Blume weh?

--Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schön

Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei,

Das that mir für die arme Blume leid.

Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefühlt,

_Ich_ fühlt' es für die Blume, weil sie schön war.

--Doch, Mutter, bist du auch schön?

--Nein, mein Kind,

Ich glaube nicht.

--Allein _du_ hast Gefühl?

--Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.

--Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh,

Wenn dir im Schooss so schwer mein Köpfchen ruht?

--Nein, _das_ thut mir nicht weh!

--Und, Mutter, ich...

Hab' _ich_ Gefühl?

--Gewis! Erinn're dich

Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein

Dein Händchen hast verwundet, und geweint.

Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzählte[126]

Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief

In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.

Da hast du lang geweint... das war Gefühl.

--Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?

--Ja, oft!

Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,

Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,

Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt,

Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.

--Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft,

Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl?

--Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,

Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

--Doch, Mutter... höre, was war das?

--Ein Hirsch

Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt

Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht

Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

--Mutter,

Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?

Und eine Mutter auch?

--Ich weiss nicht, Kind.

--Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre!

Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch?

Seh' wie es hüpft und tanzt... ist das ein Funk?

--'s Ist eine Feuerfliege.

--Darf ich 's fangen?

--Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,

Du wirst gewiss es weh thun, und sobald

Du 's mit den Fingern all zu roh berührst,

Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.

--Das wäre Schade! Nein, ich fang' es nicht!

Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher...

Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,

Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!

Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das,

Sind das auch Feuerflieglein dort?

--Das sind

Die Sterne.

--Ein, und zehn, und tausend!

Wieviel sind denn wohl da?

--Ich weiss es nicht

Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezählt.

--Sag', Mutter, zählt auch _Er_ die Sterne nicht?

--Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.

--Is das weit,

Dort oben wo die Sterne sind?

--Sehr weit!

--Doch haben diese Sterne auch Gefühl?

Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand

Berührte, gleich erkranken, und den Glanz

Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es!

Sag, würd' es auch den Sternen weh thun?

--Nein,

Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit

Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

--Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?

--Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!

--Das ist Schade!

Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,

Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann.

Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefühl,

Von Sternen die es fasste mit der Hand....

Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch träumte

Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier

plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te

doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer

eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken

over zyn hoofd.

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 33 / 80 题