MAX HAVELAAR."

Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers,

en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "_slechte voorbeelden

van vroegeren tyd_" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter

verschooning van den Regent.

Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds

nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur

te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden

moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar

die zonder twyfel een braaf mensch was, zóó moest worden toegesproken om

de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout,

steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te

stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf,

maar tevens met de beschroomdheid dergenen die--hoezeer dat misdryf

evenzeer afkeurende als hy--zich niet geroepen of geschikt achtten

daartegen met den vereischten moed optetreden.

Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen

van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die

in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe

gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel

oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch

geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan

den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats

geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is

't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun

stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door

deemoedige onderwerping?

En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met

een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djaksa_, 't

Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager

vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars

woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den

sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die

betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na

zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later

hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.

Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit

noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy

daar zat met de hand onder 't hoofd?

En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de

schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige

lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen

des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja,

_tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat

recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe--als eenmaal

de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen

wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid

--hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de

kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van

Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden

afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem

zooveel dien ouden _Adhipatti_ aanteklagen: dàt was de reden van zyn

tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen

weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht,

evenzeer aanspraak had op medelyden.

Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe

ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en

hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos

te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden

om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van

zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen.

Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou

gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen

grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem

aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de

aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde--als hy

in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht--zich

te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen

als de zwakste.

Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een

Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een

eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van

strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou

weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een

oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide

immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naïf

was by al zyn scherpte?

Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was.

* * * * *

Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van

de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet

beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet

als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer

weinigen, geenen misschien, aan zóó zwaren eisch hebben kunnen

beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen

die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende

hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die--gisteren nog

eenvoudig burger--heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die

voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven

uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal,

opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem

vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-

onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan

de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan

de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van

diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van

gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone

sterkte.

Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal

veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die

uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van

personen die reeds vóór die benoeming leden aan veel gebreken? En al

stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht,

als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te

wezen van de "_goede trouw, den yver en de bekwaamheden_" des benoemden

Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en

bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die

_bekwaamheid_, by hem bestaat in eene _maat_, hoog genoeg verheven boven

_middelmatigheid_, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen.

Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst

als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dàt

oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt

... dit is _onmogelyk_! Met de betuiging van vertrouwen op zyn

bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel

nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware,

weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere

woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en

kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder

personen die in gunste staan by koningen.[132]

Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou

te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn

boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden

blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de

byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als

_algemeene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te

mogen opgeven: _eerste stadium_. Duizeling. Wierook-dronkenschap.

Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van

"oudgasten." _Tweede stadium_. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging

tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie.

Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche

buitenplaats.

Tusschen deze beide stadien in, en als overgang--misschien zelfs als

oorzaak van dien overgang--liggen dyssenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze

diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat

de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een

mug, later--na de buikziekte!--zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of,

om duidelyker te spreken, dat een beambte die "_geschenken aanneemt,

niet met het doel zich te verryken_"--by-voorbeeld een bos _pisang_

ter-waarde van eenige duiten--met smaad en schande zal worden weggejaagd

in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft

het _laatste_ tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees

voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de _pisang_

groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die

in den omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog

een-en-ander meer, _ad libitum_.[133]

Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en

houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging.

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten

kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om

begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld

myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen

van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te

zoeken by _Figaro_ of _Polichinel_?

Styl ... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die

aantoonde dat er een _mensch_ in de buurt was, een _mensch_ wien het de

moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den

armen Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_

spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door

de grappen van den uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem

gebaat?

Kon ik schryven zooals hy, ik zou ànders schryven dan hy.

Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem

gebaat?

Kon ik spreken zooals hy, ik zou ànders spreken dan hy.

Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid,

duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius'

_justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van

bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en

hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar,

onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit?

Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken

in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-

overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin

hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u

begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het

gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn

denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies

was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over

"rustige rust." En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral!--moet ik ànders

schryven dan hy. Maar _hoe_ dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe_? en daarom heeft myn

boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later

zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch.

Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo

véél lyders--en vaak _in animâ vili_, want er zyn analogische residents-,

kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan

als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden!

--reeds zóó dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen

daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in

't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste

anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een

andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer

hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der

inwoners van _Lebak_.

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 35 / 80 题