„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen

brengen?”

„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”

„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”

„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”

„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”

„Anders niets.”

„Dat gaat moeijelijk genoeg.”

„Toch niet.”

„Hoe meent gij?”

„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne

verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”

„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”

„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”

„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot

toegevouwen en gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij

terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te

laten.

Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.

„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de

soldaat.

„Ja.”

„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”

„Zoodra gij maar wilt.”

„Dadelijk dan.”

„Dadelijk? goed.”

De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het

gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de

plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw

verleend had.

XXIX.

DE KOOP.

De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort,

keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der

woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de

Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert

de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder

verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.

Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen

doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek

geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich

in stilte mede bezig hield.

Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter

elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot

verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op

eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen

tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te

zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.

Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven

staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in

plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal

vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat

toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te

verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven

te bedingen?

Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede

zaken.

Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had

geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren

van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe,

naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te

vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door

zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam

veel te wenschen overliet.

Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de twee

avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten

hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.

Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich

zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel

wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich

onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na

lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren

geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.

De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij

het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de

duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de

omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het

sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze

woestheid.

„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een

zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt:

gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor

vervolging, hoe wilt gij?”

„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders

ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om

nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet

kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten

minste vrij zonderling.”

„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis,

„wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag

doet?”

„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is

eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels

naam voorwaarts!”

„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de

tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met

hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”

„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de

soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet

langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons

af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”

Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op

nieuw voort.

Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring der door de

vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het

ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel

niet verder te komen.

Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin

verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich

naar te gedragen.

Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn,

en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en

wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.

„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij

verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”

„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw

naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te

minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den

besten reuk staat.”

„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij

kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud

binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene

belangrijke mededeeling te doen.”

„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb

opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de

zekerheid.”

Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.

De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts

een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst,

waakten voor de algemeene veiligheid.

John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen;

daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte,

door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.

Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal

in de handen, en riep met eene gerekte stem:

„Slaapt gij, Jaguar?”

„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond

eene stem uit de tent.

„Ja.”

„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”

De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de

tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het

gordijn achter hen toeviel.

De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en

doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener

schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie

beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het

gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en

sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den

sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp

een onrustigen blik naar den dragonder.

„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”

„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te

zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend

aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”

„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij

gedaan?”

„Wat gij mij hadt opgedragen.”

„Gij zijt derhalve geslaagd?”

„Volkomen.”

„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”

„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een

zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard

twee passen van hem afstond.

De Jaguar begreep hem.

„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man

kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom

nader, mijn dappere.”

„Geheel tot uwe orders, kapitein.”

„Hoe heet gij?”

„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform

kunt zien, kapitein.”

„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”

„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”

„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld

duur betalen, en ik ben niet rijk.”

„Gij kunt het worden.”

„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt

bewijzen?”

„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken

hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit

hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een

Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder hetgeen met andere

woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”

„Kom ter zake.”

„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij

met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt

aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden,

waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de

conducta op te ligten.”

„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende;

„maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”

„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een

onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer

daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het

aangewezen punt te brengen.”

„Maar dan verraadt gij uw chef?”

„Is dat wel de regte naam waarmede gij mijne daad bestempelen moet?”

„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”

„En uit het uwe dan?”

„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”

„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.

„Hebt gij die dépêche?”

„Hier is zij.”

De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en

hield zich alsof hij haar wilde openbreken.

„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.

„Waarom?”

„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres

bezorgen.”

„Hoe zegt gij daar?”

„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.

„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.

„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”

„Spreek.”

„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de

laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en

zeer boschrijke bergengte.”

„De pas del Palo-Muerto, die ken ik.”

„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken, en als

de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan

is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet

twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”

„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie

staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de

Rio-Seco?”

„Ik.”

„Hoe dat, gij?”

„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”

„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”

„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den

kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil

en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe

handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”

De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij

hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.

„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken

dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet,

het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het

zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie

staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te

laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult

keeren?”

„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt,

krijg ik van u vijf honderd oncen.”

„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”

„Spreek, kapitein.”

„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u

van mij meester te maken?”

„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.

„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en

hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen

dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen

betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”

„Dat zou jammer zijn.”

„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe

maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”

„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”

„Niets.”

„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol

ongeduld.

„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”

„Ik kan er immers op rekenen, señor, dat ik de vijf honderd oncen goud

van u krijg?”

„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”

„Pardi!”

„Ik beloof het u.”

„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”

Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een

kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.

„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.

„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een

reliek.”

„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”

„’t Is waar.”

Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte

toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke

stem:

„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van

den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw

zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden af

voor altijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige

vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare

reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”

De kapitein hing het zich onmiddellijk om den hals, zonder een woord te

antwoorden.

Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het

menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon

zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar

de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog

altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk

geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en

amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den

hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die

met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en

najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze

relieken zoo veel eerbied dat zij er hunne plegtigste eeden op zweren

en er geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken

hebben.

Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons

willen het hier alleen aangeven.

Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den

Jaguar onmiddellijk verdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen

plaats te maken.

Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit

oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de

drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde

redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun

doel te bereiken.

Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig

en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel

kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep

alleen over kleine bijzonderheden.

Eindelijk, toen de nacht reeds ver gevorderd was, gingen de drie mannen

uiteen, om eenige oogenblikken rust te nemen tusschen de

vermoeijenissen van den afgeloopen dag en die welke zij op den

volgenden zouden hebben door te staan.

Gregorio sliep, zoo als een Spaansch spreekwoord het noemt a pierna

suelta, dat is als een trekos.

Omtrent twee uren voor zonsopgang stiet de Jaguar hem aan om hem te

wekken, en de soldaat stond dadelijk op, wreef zich de oogen uit en na

verloop van vijf minuten was hij zoo frisch en gereed alsof hij

vierentwintig uren geslapen had.

„Het is tijd om te vertrekken,” zei de Jaguar zacht; „John Davis heeft

uw paard reeds verzorgd en gezadeld.”

Zij gingen de tent uit; werkelijk had de Amerikaan het paard van den

soldaat bij den teugel, en deze sprong terstond in den zadel zonder

eens van den stijgbeugel gebruik te maken, om te doen zien dat hij

volkomen had uitgerust.

„Vooral de grootste voorzigtigheid,” beet de Jaguar hem in ’t oor; „pas

toch op uwe woorden en zelfs op uwe gebaren, gij hebt met den

dappersten en slimsten officier te doen van het gansche Mexicaansche

leger.”

„Laat dat gerust aan mij over, kapitein. Canarios! de kans staat te

schoon om door los spelen de partij te verliezen.”

„Nog een woord.”

„Ik luister.”

„Zie het zoo aan te leggen, dat gij eerst met het vallen van den avond

aan den bergpas komt; in de duisternis hebben zulke overrompelingen het

beste kans om te slagen: en hiermede adieu en goed fortuin!”

„Ik wensch u hetzelfde.”

De Jaguar en de Amerikaan begeleidden den dragonder tot aan de

verschansing om hem ongehinderd voorbij de voorposten te brengen, die

zonder deze voorzorg, wegens de uniform die hij droeg, onverbiddelijk

op hem zouden gevuurd hebben.

Toen hij buiten het kamp was, volgden de beide mannen hem met de oogen

zoo lang zij de zwarte gestalte als een schim door het geboomte konden

zien voortzweven waar zij weldra verdween.

„Hum!” riep John Davis, „dat noem ik een uitgeleerde schelm, hij is

listiger dan een oppossum. Damn! wat een verfoeijelijke kerel!”

„Wel! vriend,” antwoordde de Jaguar luchthartig, „zulke menschen moeten

er ook zijn, hoe zouden wij het anders maken?”

„Dat is waar, hij is omtrent even noodzakelijk als de pest en de geele

koorts; maar dat daargelaten, zeg ik nog eens hij is de volmaaktste

gaauwdief dien ik ooit gezien heb, en ik durf zweren dat ik er al een

fraaije verzameling van heb bijgewoond gedurende mijn langen

levensloop!”

Eenige minuten later braken de grensloopers het kamp op en stegen te

paard om zich naar de bergengte del Palo-Muerto te begeven, hun

aangewezen door Gregorio Felpa, de assistent van den generaal Rubio,

wiens volle vertrouwen hij genoot en zoo voorbeeldig op prijs stelde.

XXX.

DE HINDERLAAG.

De Jaguar had zijne maatregelen zoo goed gekozen, en de verrader die

het geld-konvooi als gids zou geleiden had zoo fijn gemanoeuvreerd, dat

de Mexicanen letterlijk in een wolfskuil waren gevallen, daar zij zeer

bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk uit konden komen.

Hoezeer voor een oogenblik gedemoraliseerd toen zij hun chef zagen

nederstorten, wiens paard, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien

hebben, reeds in het begin van den aanval doodelijk getroffen

werd—hadden de dragonders, daar zij den kapitein nabij oogenblikkelijk

weder zagen opstaan, zich ordelijk rondom de muilezels geschaard die

het geld droegen, en maakten zij aan alle kanten moedig front, zich

gereed houdende om den kostbaren schat die aan hunne hoede was

toevertrouwd, met mannenmoed te verdedigen.

Het eskorte onder kommando van kapitein Melendez, ofschoon niet

talrijk, was uit geoefende krijgslieden zamengesteld, die langzamerhand

aan den kleinen oorlog in de bosschen gewend waren en voor welke de

hagchelijke stelling waarin zij zich op eens geplaatst zagen niets

buitengewoons opleverde.

De dragonders waren afgestegen, en hunne lange lansen ter zijde

stellende, die in een strijd als de tegenwoordige geen nut konden doen,

hadden zij zich met gevelde karabijnen rondom de karavaan in slagorde

geschaard, met de oogen op het kreupelbosch gerigt, en wachtten

onverschrokken het kommando af om hun vuur te openen en den strijd te

beginnen.

Kapitein Melendez had met eenen snellen blik het terrein bespied; het

was ver van gunstig. Links en regts waren de rotssteilten met vijanden

bezet; achter hen lag een talrijke troep grensloopers in hinderlaag

achter eene borstwering van omgehakte boomen die als door een

tooverslag den weg versperd en den terugtogt afgesneden hadden; voor

hen uit eindelijk, was een steile kloof van twintig ellen breedte en

onberekenbare diepte.

Alle hoop om zonder slag of stoot uit de stelling te geraken, waarin

zij zich bekneld zagen, scheen voor de Mexicanen verloren, niet alleen

wegens het groot aantal vijanden die hen omringden, maar ook door de

plaatselijke ligging; intusschen, na het terrein oplettend te hebben

bestudeerd, blonk er een lichtstraal in het oog van den kapitein en

trilde een sombere glimlach op zijn gelaat.

De dragonders kenden hun chef van ouds, zij vertrouwden op hem, zij

hadden dien vlugtigen blik gezien en hun moed wakkerde weder op.

De kapitein had immers geglimlacht, hij hoopte dus.

Wel is waar was er geen man bij het gansche eskorte die had kunnen

zeggen waarin deze hoop bestond.

Na de eerste losbranding, hadden de grensloopers onverhoeds de hoogte

beklommen, doch aldaar onbewegelijk stand houdende, vergenoegden zij

zich met de bewegingen der Mexicanen oplettend gade te slaan.

De kapitein maakte van dit uitstel, dat de vijand hem zoo edelmoedig

scheen te vergunnen handig gebruik om eenige verbeteringen in zijn plan

van verdediging te brengen.

De muilezels werden afgeladen, de kostbare kisten werden geheel

achteraf, zoover mogelijk van den vijand geplaatst; vervolgens werden

de muilezels en paarden voor het vlaggefront van het detachement

gebragt en zoodanig geplaatst dat hunne ligchamen tot bolwerk dienden

voor de soldaten, die gebukt of nedergeknield, achter deze levende

verschansing eene betrekkelijk veilige schuilplaats vonden tegen de

vijandelijke kogels.

Toen deze maatregelen genomen waren, en de kapitein met een laatsten

oogopslag zich overtuigd had dat zijne orders stipt waren uitgevoerd,

boog hij zich naast het oor van no Bautista, den hoofdman der arrieros,

en fluisterde hem eenige woorden toe.

De arriero sprong bijna op van verbazing toen hij deze woorden vernam,

maar zich oogenblikkelijk herstellende, knikte hij toestemmend.

„Gij zult gehoorzamen?” vroeg don Juan hem scherp aanziende.

„Op mijn eer, kapitein,” antwoordde no Bautista.

„Welnu!” zeide de jongman opgeruimd, „wij zullen nog lagchen, daar sta

ik u borg voor.”

De arriero verwijderde zich en de kapitein plaatste zich voor de

soldaten. Naauwelijks had hij zijn post ingenomen, of er verscheen op

den top van den berg aan de regterzijde, een man; die man had een lange

lans in de hand aan wier top een witte vlag wapperde.

„O ho!” mompelde de kapitein, „wat moet dat beteekenen? zouden ze reeds

vreezen dat hun prooi hun ontgaan zal?—Heila!” riep hij, „wat wilt

gij.”

„Parlementeren!” antwoordde de man met de witte vlag lakoniek.

„Parlementeren,” herhaalde de kapitein, „waartoe zou dat dienen?

Buitendien heb ik de eer officier van het Mexicaansche leger te zijn,

en kan dus met geen bandieten onderhandelen.”

„Wees voorzigtig, kapitein, kwalijk geplaatste moed is veeltijds niets

dan blazerij; uwe positie is hopeloos.”

„Zoudt gij dat denken?” hernam de jongman op schertsenden toon.

„Gij zijt van alle kanten ingesloten.”

De zwervers op de grenzen · 第 21 / 22 段