„mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd
geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en
de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw
beurs en de andere om uwe geheimen.”
„Gij hebt dus geheimen?”
„Ik? volstrekt niet.”
„Wat vreest gij dan?”
„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat
ik u beantwoord.”
De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den
Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord
zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt
zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij
hervatte:
„Wie zijt gij?”
„Ik?”
„Ja!”
De gids begon te lagchen.
„Dat ziet gij wel.”
De kapitein schudde het hoofd.
„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”
„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te
zeggen wat hij werkelijk is?”
„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil
mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die
gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u
vraag, of anders....”
„Anders?....” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.
„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij, terwijl hij
een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.
Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven
onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.
„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene
wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”
„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?... Ik ken u niet.”
„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon
is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te
komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij
u gegeven heeft.”
„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”
„Wat doet er dat toe?”
„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk
door hem gegeven werd?”
„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend
voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.
„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer
moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men
kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik
ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en
moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”
„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor
mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij
mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen.
Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen
aanzien bedrogen hebt.”
„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij
den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe
bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door
de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u
naar gedragen.”
„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik
overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn
pligt doe.”
Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks
zijn argwaan, er door getroffen werd.
„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte
bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”
„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen
wij aan het detachement dat ons wacht.”
„God geve het!” murmelde de kapitein.
„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.
„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te
antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik
u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan,
u aan mijne zijde neem.”
„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo
niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te
voegen.”
„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”
„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”
„Niets.”
„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte
maken om mijn verloren tijd in te halen.”
De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet
te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den
grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen
slaap.
De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne
onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man
onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid
verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen
geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de
aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door
een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de
kapitein niets had kunnen inbrengen.
Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming
waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch
over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in
zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig
was.
Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de
kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de
duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren,
en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch
willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij
iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.
Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf
bevel om te vertrekken.
De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon,
die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van hunne kracht
verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan
vroeger.
Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast
zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen
oogenblik uit het oog.
Laatstgenoemde scheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch
niet te bekommeren, hij reed altoos even onverschillig voort; rookte
zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een
soldatenliedje.
Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden
grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden
gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde
der bladgewelven zou bereiken.
Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de
grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde,
raakte de weg meer en meer ingesloten.
„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.
„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.
„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”
„Ja maar geen hooge.”
„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een
bergengte.”
„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”
„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”
„Waarom?”
„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”
„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het
einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”
„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”
„Ten naastenbij.”
„Haasten wij ons dan.”
„Met alle genoegen.”
Zij reden sneller voort.
Op eens bleef de gids staan.
„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien
ik in de zon zie glinsteren?”
De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.
Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide
kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.
Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om
zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door
zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.
De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of
waarheen hij ontsnapt was.
XXVIII.
JOHN DAVIS.
John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich
door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had
bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij
gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.
Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd
zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen
ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn
paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten,
weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig
hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den
vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en
eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het
hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche
bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.
John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen
met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen
hem toevallig in verband hadden gebragt.
De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan
in zoo hooge mate gaande te maken, was de Blanke-Scalpeur.
De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep
woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid
waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan
het wonderbare te grenzen.
Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de
prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste en meest
overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees
inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de
reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke
men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken
hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen
mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een
mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank
sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige
wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met
hem geloopen had.
Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne
schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan
de Noord-Amerikanen.
Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een ware harlekijns
mantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder
vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika
als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook
zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de
kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de
emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden
grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder
iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de
meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en
onbeschaafd als hunne voorvaderen.
Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van
toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe
deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond
voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward
geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land
waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft
als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te
stemmen.
Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet
voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis
bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken
wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon
sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.
Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat dat de
Blanke-Scalpeur een duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij
het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een
geloofsartikel.
Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne
denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde
was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening
over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne
nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen
moest.
Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd
op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te
bezien die hij doortrok.
Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte,
bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen
mahonie- en peru-boomen bezet.
Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de
regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.
Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil
hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te
volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke
lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.
In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof
tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom
hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.
Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want
als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het
vijanden zullen zijn.
Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het
vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten,
de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid;
hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van
nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed
stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig
rond te zien, uit vrees voor overrompeling.
Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op
vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard,
en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van
zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag,
en hij naderde het vuur met een glimlach op de lippen zoo vriendelijk
als hem immer mogelijk was.
In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene
verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der
Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te
bereiden, terwijl hij onder de hand een maïs-sigaar rookte. Een lange
lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een
volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen,
knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der
prairie.
De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne
sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen
opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij
van Indiaansche afkomst was.
Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan
diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven
doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg
tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel
vlot uit de schede ging.
John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was,
bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:
„Ave Maria purissima!”
„Sin pecado concebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet
teruggevende.
„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.
„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.
Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde,
was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.
„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de
prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien
kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij
mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn
maaltijd te deelen.”
„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,”
antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is,
bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe
ben dat ik naauwelijks voortkan.”
„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte
vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”
„Dat doe ik al.”
Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af,
en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn kameraad, terwijl
zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op
het gras nedervlijde.
„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de
soldaat.
„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten,
ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”
„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”
„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op
mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”
„Zijt gij jager?”
„Om u te dienen.”
„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook
geweest.”
„En gij treurt er nog om?”
„Alle dagen.”
„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten
heeft, verlangt men er steeds naar terug.”
„Helaas!”
„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van
houdt?”
„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”
„Hoedat, de liefde?”
„Ja, eene chola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij
overgehaald om dienst te nemen.”
„Wel drommels!”
„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde
mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel
leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij
gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”
De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.
„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.
„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn
gewone bedaardheid zocht te hernemen.
„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de
wereld is vol bedrog. Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend,
„ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus
die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”
Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had
aan te merken, begon laatstgenoemde het onmiddellijk ten uitvoer te
leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den
grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen,
zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.
Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid,
waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.
Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare
bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide
mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren
thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.
„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte
de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door
zijn mond deels door zijn neus uitblies.
„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de
ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt
veel.”
„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij
verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen
kiezen als het militaire.”
„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de
onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik
hoop over een jaar cabo (brigadier) te zijn.”
„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een
goed traktement.”
„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”
„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”
„Ja!... Het schijnt dat het gouvernement niet rijk is.”
„Zoo! geeft gij het dan krediet?”
„Wij moeten wel.”
„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij
wel onbescheiden zult vinden.”
„Geenszins, stoor u daaraan niet, wij praten als vrienden.”
„Hoe kunt gij dan leven?”
„Ha, ja! wij hebben het casual.”
„Het casual! wat is dat?”
„Weet gij dat niet?”
„Ik moet zeggen van neen.”
„Ik zal het u uitleggen.”
„Dat zal mij pleizier doen.”
„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere
zending opdraagt.”
„Zeer goed.”
„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe
grooter wordt de som.”
„Altijd op krediet?”
„Te duivel neen! vooruit.”
„Dat is beter.”
„Niet waar?”
„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”
„Dikwijls, vooral in tijden van pronunciamento (nieuwe regering.)”
„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t
bewind is gekomen.”
„Ongelukkig genoeg.”
„Dus zit gij nu op droog zaad?”
„Niet geheel en al.”
„Hebt gij dan zendingen gehad?”
„Ik heb er een op dit oogenblik.”
„Goed betaald?”
„Ordentelijk.”
„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”
„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”
„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij
zoo goed betaald wordt.”
„Zij is niet zonder gevaar.”
„Hum! pas dan maar goed op.”
„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te
brengen.”
„Is ’t waar, een brief....” riep de Amerikaan onverschillig.
„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”
„Bah!”
„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenige millioenen.”
„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.
Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op
toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze
eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam
hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed hem dus bijzonder
genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen
had.
„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben,
heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit
oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”
„Denkt gij dat?”
„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”
„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den
kapitein schrijft?”
De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van
toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:
„Wilt gij met open kaart spelen?”
De jager begon te meesmuilen.
„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”
„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen
dus zuiver spel, niet waar?”
„Dat begrijpt zich.”
„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”
„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”
„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om
het te weten.”
„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe
voorwaarden?”
„O, die zijn eenvoudig genoeg.”
„Spreek op!”
„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”
„Op mijn woord, neen.”
„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”
„Dat is wel mogelijk.”
„Ik herken u.”
„Gij?”
„Ja, zeer goed.”
„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”
„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat
ik weet wie gij zijt.”
„O! een eenvoudig jager.”
„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”
„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.
„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is
het waar, of niet waar?”
„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou
verbergen.”
„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”
„Ik weet het niet.”
„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”
„Gij hebt het geraden.”