„Behalve van een kant.”

„Ja, maar daar is een onoverkomelijke steilte.”

„Wie weet?” riep de kapitein altijd snaaksch.

„Het zij zoo! Wilt gij naar mij luisteren?” hervatte de andere wien dit

gesprek begon te vervelen.

„Ter zake,” zei Melendez, „laat hooren uwe voorstellen, daarna zal ik u

mijne voorwaarden zeggen.”

„Welke voorwaarden?” vroeg de parlementair met verwondering.

„Die ik u denk voor te schrijven, pardi!”

Deze trotsche taal werd door de grensloopers met schaterend gelach

beantwoord. De kapitein bleef koel en bedaard.

„Wie zijt gij?” vroeg hij.

„De kommandant dergenen die u gevangen houden.”

„Gevangen houden! dat denk ik nog niet; maar, wij zullen zien.”

„Ha, zijt gij het, de Jaguar, die woeste bandiet, wiens naam aan de

grenzen algemeen verwenscht wordt?”

„Ik ben de Jaguar,” antwoordde deze bedaard.

„’t Is goed. Wat wilt gij van mij? Spreek, en vooral, spreek kort,”

hernam de kapitein terwijl hij de punt van zijn degen op de punt van

zijn laars zette.

„Ik wil bloedvergieten voorkomen,” zei de Jaguar.

„Dat is zeer mooi van u; maar uw loffelijk besluit komt, dunkt mij, een

weinig te laat,” riep de officier op denzelfden spottenden toon.

„Hoor eens, kapitein, gij zijt een dapper officier, het zou mij razend

leed doen als u een ongeluk overkwam; wees niet zoo hardnekkig om een

strijd te willen voortzetten die onmogelijk is, omringd als gij zijt

door eene magt die de uwe ver overtreft; iedere poging tot wederstand

zou eene onvergefelijke dwaasheid zijn, die op den moord van uw gansche

detachement tot den laatsten man zou uitloopen, zonder dat gij kunt

hopen het convooi te redden dat gij eskorteert. Geef u gevangen; ik

herzeg u, het is de laatste kans op behoud die u overblijft.”

„Caballero,” antwoordde de kapitein voor dit maal ernstig, „ik zeg u

dank voor de taal die gij tegen mij voert; ik ken mijne lieden en ik

zie dat gij op dit oogenblik loffelijk en loyaal gesproken hebt.”

„Dat heb ik gedaan,” riep de Jaguar.

„Ongelukkigerwijs,” vervolgde de kapitein, „ben ik genoodzaakt u te

herhalen dat ik de eer heb officier te zijn, en dat ik nooit kan

toestemmen mijn degen over te geven aan het opperhoofd van een bende

landloopers buiten de wet. Ben ik zoo dwaas en dom geweest om mij in

een strik te laten vangen, welnu, dan is het mijne schuld, en dan moet

ik er voor boeten.”

De beide sprekers waren intusschen tot elkander genaderd en wisselden

thans hunne gedachten met ridderlijk vertrouwen.

„Ik begrijp, kapitein, dat uw militaire eer u in zekere gevallen

verpligten moet om een strijd te wagen, zelfs onder ongunstige

omstandigheden; maar hier is het een ander geval: alle kansen zijn hier

tegen u, en uwe eer heeft niets te lijden door eene overgave die het

leven uwer dapperen sparen zal.”

„En die u zonder slag of stoot den rijken buit in handen levert dien

gij beoogt, niet waar?”

„Die buit, wat gij ook doet, kan ons niet ontgaan.”

De kapitein haalde de schouders op.

„Gij zijt dwaas,” zeide hij; „gelijk al de lieden die in de prairie

oorlog voeren, hebt gij te slim willen zijn, en heeft uwe slimheid haar

doel voorbij geschoten.”

„Hoedat?”

„Leer mij kennen, caballero; ik ben van een oud Christengeslacht, ik

stam af van de aloude veroveraars, het Spaansche bloed vloeit zuiver in

mijne aderen; al mijne manschappen zijn in leven en dood aan mij

verbonden, op mijn bevel zullen zij zich tot den laatsten man toe laten

dooden; maar hoe groot ook de voordeelen uwer stelling, en het aantal

uwer volgers zijn mogen, er is een bepaalde tijd noodig om vijftig man

af te maken, die als wanhopigen zullen strijden en vast besloten zijn

om geen kwartier te vragen.”

„Ja,” zei de Jaguar met een sombere stem, „maar eindelijk doodt men ze

toch.”

„Zonder twijfel,” antwoordde de kapitein bedaard, „maar terwijl gij ons

vermoordt, zullen de muildrijvers, die hiertoe mijne bepaalde orders

hebben ontvangen, de koffers die het geld bevatten, een voor een in den

afgrond storten aan welker rand gij ons hebt opgesloten.”

„O!” riep de Jaguar, op een toon van bedreiging die hem zeer slecht

afging, „dat zult gij niet doen, kapitein.”

„Waarom zou ik dat niet doen?” hernam de kapitein bedaard. „Zeker zal

ik het doen, ik zweer het u op mijn eer.”

„O!”

„En wat hebt gij dan gewonnen? Dan zult gij lafhartig vijftig menschen

hebben vermoord, zonder ander gevolg, dan dat gij u tot den elleboog in

het bloed uwer medeburgers hebt gebaad.”

„Rayo de Dios! dat noem ik razernij.”

„Neen, dat is eenvoudig het logisch gevolg van uwe bedreiging. Wij

zullen sterven, maar als brave lieden die tot het uiterste hun pligt

hebben gedaan; terwijl het geld gered is.”

„Derhalve zijn al mijne pogingen om de zaak tot eene vreedzame

oplossing te brengen vergeefs?”

„Er is slechts een middel.”

„Welk?”

„Ons te laten vertrekken, en u zelven te verbinden dat gij onzen aftogt

niet zult verontrusten.”

„Nooit! dat geld is voor mij onontbeerlijk, ik moet het hebben.”

„Zie dan hoe gij het krijgt.”

„Dat zal ik zien.”

„Ga uw gang.”

„Uw bloed, dat ik heb willen sparen, kome op uw hoofd.”

„Of op het uwe.”

De Jaguar verwijderde zich.

De kapitein keerde naar zijne soldaten terug, die digt genoeg bij de

sprekers hadden gestaan om het gesprek tot in de minste bijzonderheden

te volgen.

„Hoe denkt gij er over, mijne kinderen?” vroeg hij.

„Sterven!” antwoordden zij ferm en kortaf.

„Goed, wij sterven te zamen.” En met zijn degen boven zijn hoofd

zwaaijend, riep hij: Dios y libertad, vive Mejico! (God en de vrijheid!

leve Mexico!)

„Viva Mejico!” herhaalden de dragonders vol geestdrift.

Onder deze bedrijven was de zon aan den gezigteinder verdwenen, en had

de avondschaduw het aardrijk als met een lijkkleed bedekt.

De Jaguar was woedend van spijt over het mislukken zijner poging, bij

zijne kameraden terug gekomen.

„Wel!” vroeg hem John Davis, die zijne terugkomst met ongeduld had

verwacht, „wat hebt gij verkregen?”

„Niets. Die man is razend.”

„Ik heb het u gezegd, het is een duivel; gelukkigerwijs ontkomt hij ons

niet, wat hij ook doen mag.”

„Daarin vergist gij u,” antwoordde de Jaguar stampvoetend van

gramschap; „of hij leeft of sterft, het geld is voor ons verloren.”

„Hoe dat?”

De Jaguar vertelde hem nu in weinige woorden wat er tusschen hem en den

kapitein gesproken was.

„Dat is vervloekt!” riep de Amerikaan, „dan moeten wij ons haasten.”

„Tot overmaat van ongeluk, is het zoo helsch donker.”

„Caramba! laten wij lichtvuren maken, misschien zullen wij daarmede die

duivels zoo verschrikken, dat zij kwaken als kikkers om regen.”

„Gij hebt gelijk, brandfakkels! brandfakkels!”

„Nog beter, laten wij het bosch in brandsteken.”

„Ha! ja!” lachte de Jaguar, „bravo! laten wij hen berooken als

muskusratten.”

Dit duivelsche plan werd onmiddellijk ten uitvoer gebragt, en weldra

steeg er een kordon van vlammen omhoog, op den top des heuvels, en

omsingelde den ganschen bergpas, waar de Mexicanen met onverschrokken

bedaardheid den aanval van hunne vijanden verbeidden.

Zij behoefden niet lang te wachten; een levendig geweervuur opende

zich, vermengd met de huilende oorlogskreten der aanvallers.

„Het is tijd!” riep Melendez.

Terstond hoorde men het gedruisch van een vallende geldkist in de

diepte.

Dank zij het brandende bosch, was de gansche omtrek zoo ligt als de

dag, en bleef geen enkele beweging der Mexicanen bij hunne

tegenstanders onopgemerkt.

Dezen schreeuwden van woede, toen zij de geldkisten de een na de ander

in den afgrond zagen verdwijnen.

Zij waagden thans op de soldaten storm te loopen, maar deze ontvingen

hen met gevelde bajonetten, zonder een duim breed te wijken.

Eene losbranding op manslengte van de zijde der Mexicanen, die hun

kruid tot dusver gespaard hadden, deed een groot aantal vijanden in het

gras bijten en bragt hunne gelederen voor een oogenblik in verwarring

zoo dat zij tegen wil en dank terugdeinsden.

„Voorwaarts!” brulde de Jaguar.

En zijne volgers hervatten den storm nog woedender dan te voren.

„Houdt stand! wij moeten sterven!” zei de kapitein.

Nu ontstond er eene worsteling van man tegen man, voet aan voet en

borst aan borst; aanvallers en verdedigers mengden zich ondereen en

stieten elkander overhoop in stomme woede of met naauw hoorbaar

gemompel, strijdende veeleer als verscheurende dieren dan als menschen.

De arriero’s, ofschoon door een hagelbui van welgerigte kogels

bestookt, vervolgden desniettemin met den meesten ijver hunne taak;

naauwelijks stortte een hunner zieltogend op den grond, of een ander

greep de hem ontvallen ijzeren koevoet, en de kisten met geld tuimelden

onverpoosd in de diepte, ondanks de woeste verwenschingen en schier

bovenmenschelijke inspanning hunner vijanden om den heldhaftigen

menschenmuur te verbreken die hun den doortogt versperde.

Het was een ijzingwekkend schouwspel, deze hardnekkige strijd en

onverbiddelijke worsteling tusschen aanval en verdediging op dit

beperkt terrein, beschermd door den schitterenden gloed van een

vlammend bosch, als door een akeligen onheilspellenden vuurtoren.

Het krijgsgeschrei hield thans op, maar de slagting duurde onverpoosd

voort, slechts nu en dan hoorde men de nadrukkelijke stem van den

kapitein, in het korte kommando:

„Sluit de gelederen! sluit de gelederen!”

En de gelederen werden gesloten, en de dapperen vielen zonder zich te

beklagen, hun leven opofferende of den strijd volhoudende, alleen om

nog eenige minuten te winnen, die onontbeerlijk waren ter bereiking van

het hardnekkig beoogde doel.

Vruchteloos poogden de grensloopers, door winstbejag aangevuurd, den

krachtigen weerstand te breken, die hun door een handvol dapperen

geboden werd. De heldhaftige dragonders, schouder aan schouder

geschaard, en door elkander gerugsteund, of door de lijken hunner

gesneuvelde spitsbroeders als door een bloedig bolwerk beschermd,

schenen telkens nieuwen moed te scheppen of in kracht te verdubbelen om

den bergpas van alle kanten af te sluiten.

Met dat al kon het gevecht niet lang meer duren; tien mannen op zijn

hoogst, van het gansche detachement door den kapitein aangevoerd,

hielden nog stand, de overigen waren bezweken maar allen als helden

gevallen, met wonden in de borst en met het front naar den vijand.

Al de muildrijvers waren gesneuveld; nog twee koffers stonden er op den

rand der steilte; de kapitein wierp een snellen blik in het rond.

„Nog eene poging, mijne kinderen!” riep hij, „slechts vijf minuten, en

onze taak is volbragt.”

„Dios y libertad!” juichten de soldaten, en ofschoon uitgeput van

vermoeijenis, wierpen zij zich stoutmoedig in den digtsten drom der hen

omringende vijanden.

Gedurende eenige minuten deden deze tien mannen wonderen van

dapperheid; maar eindelijk behield de overmagt het veld; zij werden

allen gedood.

De kapitein alleen bleef over.

Hij had zich de zelfopoffering zijner soldaten ten nutte gemaakt, om

een koevoet te grijpen en een der beide kisten in den afgrond te doen

tuimelen; de tweede, met veel moeite op zijn kant gewenteld, vorderde

slechts eene laatste poging om op zijne beurt te verdwijnen, toen zich

eensklaps een donderend hoerah! boven het hoofd van den officier hooren

liet.

Hij keek op.

De grensloopers snelden op hem toe in dolle vaart, als bloeddorstige

tijgers.

„Ha!” juichte Gregorio Felpa, de verraderlijke gids, die de voorste

was; „één ten minste zullen wij er van hebben!”

„Gij liegt, ellendeling!” antwoordde de kapitein.

En met zijne beide handen den zwaren ijzeren koevoet opheffende, liet

hij dien op het hoofd van den soldaat neerkomen, die als een gekuiste

os levenloos neerstortte, zonder een enkelen schreeuw of zucht te

slaken.

„Wie nog!” riep de kapitein zijn koevoet weder opheffende.

Een gehuil van schrik ging op onder de menigte, die een oogenblik

aarzelde.

De kapitein maakte van dit oogenblik gebruik, liet zijn hefboom dalen,

en de laatste geldkist stond aan den rand der steilte.

Deze beweging gaf aan de grensloopers al hunne woede en gramschap

terug.

„Dood! dood hem!” schreeuwden allen en storten zich op den officier.

„Houd op!” riep de Jaguar, snel voorwaarts dringende en alles

omverwerpend wat hem in den weg trad; „dat niemand zich verder roere,

die man behoort aan mij.”

Bij het hooren dezer welbekende stem, bleven al de mannen staan.

De kapitein wierp zijn koevoet weg; de laatste kist was in den afgrond

gestort.

„Geef u over, kapitein Melendez,” zeide de Jaguar terwijl hij den

kapitein te gemoed trad.

Deze had zijn degen weder in de hand genomen.

„Het is de moeite niet meer waard,” antwoordde hij, „ik wil liever

sterven.”

„Verdedig u dan.”

De beide kampvechters stelden zich in postuur. Gedurende eenige

sekonden hoorde men een hevig gekletter van wapenen.

Door een onverhoedschen en allerbehendigsten stoot, deed de kapitein

zijn tegenstander den degen tien ellen ver uit de hand vliegen. Eer

laatstgenoemde van zijne verrassing bekomen kon, had de officier zich

reeds op hem geworpen, greep hij hem aan en klamte zich aan hem vast.

De beide mannen vielen op den grond als twee kronkelende slangen.

Geen twee ellen achter hen gaapte de afgrond.

De officier wendde al zijne pogingen aan om den Jaguar naar den rand

der steilte te dringen: deze daarentegen trachtte zich, zoo mogelijk,

uit de knellende armen van zijn tegenstander los te rukken, wiens

ontzettende bedoeling hij maar al te goed begreep.

Eindelijk, na eene worsteling van weinige minuten, lieten de armen die

het lijf van den Jaguar omstrengelden los, de krampachtige handen van

den officier ontspanden zich, en met de uiterste krachtsinspanning

gelukte het den jongman zich aan zijn vijand te ontwringen en op te

staan.

Naauwelijks echter was hij overeind, of de kapitein, die reeds uitgeput

en bijna in flaauwte scheen, sprong op als een tijger, sloeg zijn

tegenstander op nieuw de armen om het lijf en bragt hem een geweldigen

schok toe.

De Jaguar, nog duizelend van de worsteling die hij even te voren had

doorgestaan, was op dezen fellen aanval weinig verdacht, hij wankelde,

verloor het evenwigt en gaf een geweldigen schreeuw.

„Eindelijk!”... brulde de kapitein met woeste vreugd.

De toeschouwers huilden van wanhoop en afgrijzen.

De beide vijanden waren in den afgrond verdwenen. [5]

EINDE.

INHOUD.

Bladz.

1. De vlugteling 1.

2. Quoniam 10.

3. Neger en Blanke 19.

4. De manada 28.

5. Het Zwarte-Hert 36.

6. De concessie 43.

7. De Apen-Kop 51.

8. De oorlogsverklaring 60.

9. De Slangen-Pawnees 69.

10. Het gevecht 77.

11. De Venta del Potrero 85.

12. Een gesprek 92.

13. Carmela 99.

14. De conducta de plata 107.

15. De halte 114.

16. Politiek overzigt 122.

17. De Tijgerdooder 130.

18. Lanzi 138.

19. De jagt 148.

20. Vertrouwelijke mededeelingen 155.

21. De Jaguar 163.

22. De Blaauwe-Vos 171.

23. De Blanke-Scalpeur 180.

24. Na het gevecht 189.

25. Opheldering 198.

26. De estafette 207.

27. De gids 215.

28. John Davis 224.

29. De koop 233.

30. De hinderlaag 241.

AANTEEKENINGEN

[1] Aimard schreef dit in 1860; zijne voorspelling is maar al te zeer

bewaarheid door den tegenwoordigen burgeroorlog in de Vereenigde

Staten, die zoo vele schatten en menschenlevens verslindt.

[2] Wij hebben hier geen gebruik willen maken van het gebrekkige

Engelsch dat men den negers zoo gaarne in den mond legt, maar dat bij

de overbrenging in eene andere taal grootendeels verloren gaat en den

gang van het verhaal onnoodig vertraagt, zonder er de schoonheid van

te verhoogen.

G. A.

[3] Brief.

[4] Zie de Pelsjagers van de Arkansas. v. d. Heuvell en van Santen te

Leiden, 1862.

[5] Zie het vervolg in „de Vrij-buiters”, dat bij dezelfde uitgevers

ter perse is.

De zwervers op de grenzen · 第 22 / 22 段