„Het staat u vrij, don Juan Melendez, om met zulke ideeën te lagchen,

gij zijt geleerd, en gelooft dus aan niets. Maar ik, caballero, ik ben

maar een arme Indiaan, en ik geloof wat mijne vaderen voor mij geloofd

hebben; zie, kapitein, wij Indianen, beschaafd of wild, als wij zijn

mogen, wij hebben harde hoofden en uwe nieuwe denkbeelden willen er bij

ons maar niet in.”

„Maar kom, leg mij dat eens nader uit,” riep de kapitein, die er een

eind aan wilde maken, zonder de vooroordeelen van den muildrijver te

zeer te krenken; „zeg mij welke reden gij eigenlijk hebt om aan den

goeden afloop van onze reis te twijfelen? Gij schijnt mij toch de man

niet om voor uwe schim te vreezen: ik ken u sinds jaren en ik weet dat

gij ontegenzeggelijk dapper zijt.”

„Ik zeg u dank, kapitein, voor den goeden dunk dien gij van mij gelieft

te koesteren; ja, ik ben moedig, en ik geloof dat ik dit meermalen

bewezen heb, maar dat was steeds tegenover gevaren die ik om zoo te

zeggen met mijne hand en mijn verstand vatten kon en niet tegenover

donkere vermoedens, die de onbegrijpelijke natuurwet in ons doet

oprijzen.”

De kapitein kaauwde zijne knevels van ongeduld bij de lastige

langwijligheid van den arriero, maar zooals hij zelf reeds gezegd had,

kende hij den eenvoudigen man sinds lang en wist hij bij ondervinding

dat het verloren moeite zou zijn om hem zijn verhaal te doen bekorten;

hij moest hem dus ongestoord zijn gang laten gaan.

Er zijn zulke stugge gemoederen die even als stijfkoppige paarden; als

men de sporen gebruikt om hen voort te drijven, integendeel terugslaan

of achterwaarts keeren.

De jongman bedwong dus zijn ongeduld en antwoordde bedaard:

„Gij hebt zeker een kwaad voorteeken gezien, toen gij vertrokken zijt.”

„Dat heb ik ook, kapitein, en waarlijk, bij hetgeen ik toen gezien heb,

zou ik zeker geweigerd hebben te vertrekken als ik iemand was, die zich

gemakkelijk laat afschrikken.”

„Welk voorteeken hebt gij gezien?”

„Lach er niet om, kapitein: de schrift zelf zegt, op onderscheidene

plaatsen, dat het God somtijds behaagt om den menschen een heilzame

waarschuwing te geven, waarnaar zij ongelukkig genoeg niet altijd

luisteren,” vervolgde hij met een zucht.

„Dat is wel waar!” mompelde de kapitein.

„Daarom,” zoo vervolgde de arriero, gevleid door dit kleine bewijs van

toestemming, van zoo iemand als den kapitein, „mijne muilezels waren

gezadeld, de stoet stond in de corral op mij te wachten onder toezicht

der peons, en ik zou vertrekken. Evenwel daar ik van mijne vrouw, wie

weet voor hoelang misschien, niet wilde scheiden zonder afscheid van

haar te nemen, trad ik in huis om haar nog eens te omhelzen, toen ik

voor de deur toevallig de oogen opsloeg en op de azoteo (plat dak) een

paar uilen zag zitten, die mij met sombere blikken strak aankeken. Bij

deze onverwachte vertooning huiverde ik tegen wil en dank en wendde het

hoofd af. Op hetzelfde oogenblik werd er een stervend mensch op een

baar door twee soldaten voorbij gedragen, begeleid door een monnik, die

hem de boetpsalmen liet opzeggen en hem zachtzinnig zocht voor te

bereiden, om als een opregt Christen te sterven; maar de gewonde

antwoordde niet en lachte de monnik op een schampere wijs uit:

eensklaps echter rigtte hij zich op de baar overeind, zijne oogen

fonkelden, hij keerde zich om, wierp mij een spotachtigen blik toe en

viel toen magteloos op de baar terug, binnensmonds mompelend, zeker

tegen mij, deze twee woorden:

„Hasta lucro!” (tot straks).

„Hum!” riep de kapitein.

„Dit korte bescheid van iemand in dien toestand, was alles behalve

prettig voor mij, wat dunkt u?” vervolgde de muildrijver. „Ik was er

zoo door getroffen, dat ik ijlings naar hem toeliep om er hem naar ik

meende met regt voor te bestraffen; maar toen ik bij hem kwam, was hij

dood.”

„En wie was die man? hebt gij dat ook gehoord?”

„Ja, het was een Selteador (straatroover) die in een ontmoeting met de

ciricos (stadswacht) doodelijk gewond geraakte en naar de trappen der

hoofdkerk werd gedragen, om daar te sterven.”

„Is dat alles?” vroeg de kapitein.

„Ja.”

„Nu, vriend, dan heb ik wijs gedaan dat ik de reden van uwe

ongerustheid met zooveel aandrang heb willen hooren.”

„Zoo!”

„Ja, want gij hebt het voorteeken waar gij mede begunstigd werdt, juist

verkeerd uitgelegd.”

„Hoe dat?”

„Ik zal u zeggen wat ik bedoel. Dat voorteeken beduidt veeleer, dat gij

met wijsheid en onvermoeide waakzaamheid het gevaar en verraad moet

verijdelen en dat gij de bandieten zult neerslaan die u durven

aanvallen.”

„O!” riep de muildrijver verheugd, „is het inderdaad waar wat gij mij

daar zegt?”

„Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,” antwoordde de kapitein

eerbiedig een kruis slaande.

De arriero stelde volkomen vertrouwen in de woorden van den kapitein,

dien hij, wegens zijne erkende meerderheid eene onbepaalde achting

toedroeg; hij twijfelde dus geen oogenblik aan de verzekering, die deze

hem gaf, dat hij de verontrustende voorteekenen verkeerd had uitgelegd;

hij antwoordde in de beste luim, terwijl hij luchthartig met de vingers

klapte.

„Carai! als het er zoo mede gelegen is, loop ik geen gevaar. Zou het

dan ook wel noodig zijn dat ik aan Nuestra Señora de la Soledad de

waskaars geef, die ik haar beloofd had?”

„Volstrekt onnoodig,” verzekerde de kapitein.

Hierdoor geheel gerust gesteld, ging de muildrijver met allen spoed aan

zijne gewone bezigheden.

Zoo had de kapitein, door den dommen Indiaan in zijne onnoozele

denkbeelden te sterken, er hem ongemerkt van af weten te brengen.

Intusschen was in het kamp alles in beweging gekomen, de arrieros

haastten zich met het voederen en opladen der muilezels, terwijl de

dragonders druk bezig waren hunne paarden te zadelen en alles voor den

aftogt gereed te maken.

De kapitein overzag en bestuurde al deze bewegingen met koortsachtig

ongeduld, den een berispende, den ander teregtwijzende, allen tot spoed

aanzettende en wel toeziende dat zijne bevelen stipt werden uitgevoerd.

Toen al de aanstalten gereed waren, gaf de jonge officier order om den

ochtendmaaltijd staande en met den teugel over den arm te houden, ten

einde zoo min mogelijk tijd te verliezen, daarop gaf hij het sein om te

vertrekken.

De dragonders stegen in den zadel, maar juist op het oogenblik toen de

kolonne zich in beweging stelde om het kamp te verlaten, ontstond er

een levendig gedruisch in de struiken; de takken werden krakend uit een

gerukt, en op eens verscheen er een ruiter, in dragonders uniform en

reed in vollen galop op den troep af.

Toen hij den kapitein bereikt had, bleef hij als een meester in de

rijkunst plotseling staan, groette eerbiedig, en met de hand aan zijn

gegalonneerden hoed zeide hij:

„Dios guardi a usted. Heb ik de eer kapitein don Juan Melendez te

spreken?”

„Hem zelf,” antwoordde de kapitein verwonderd; „wat hebt gij te

zeggen?”

„Voor mij zelven niets,” hernam de soldaat, „maar ik heb uwe geëerde

eene schriftelijke order te overhandigen.”

„Een schriftelijke order, en van wie komt die?”

„Van zijne Excellentie den generaal don José Maria Rubio, en wat deze

brief behelst moet wel zeer gewigtig zijn, daar de generaal mij gelast

heeft den meesten spoed te maken, zoo dat ik vier en veertig mijlen in

negentien uren heb afgelegd om hier te komen.”

„Goed,” antwoordde de kapitein, „geef over.”

De dragonder haalde een grooten brief met rood zegel uit zijne borst en

stelde hem den kapitein eerbiedig ter hand.

Deze nam hem en opende hem, maar alvorens te lezen, wierp hij den

soldaat, die onbewegelijk en koen voor hem stond, een argwanenden blik

toe, dien deze echter met onverstoorbare stoutheid doorstond.

Deze man scheen op zijn hoogst dertig jaar oud, hij was lang van

gestalte en welgemaakt, en de militaire kleeding die hij aanhad stond

hem bijzonder goed; zijne vrij regelmatige gelaatstrekken teekenden

zekere geslepenheid en list, die nog sterker uitkwam door zijne zwarte

steeds beweeglijke oogen, die zich nu en dan met blijkbare aarzeling op

den kapitein vestigden.

Over het geheel geleek deze man naar alle andere Mexicaansche soldaten

en had hij niets dat geschikt was om bijzonder de aandacht gaande te

maken of vermoedens te wekken.

Het was intusschen niet dan met veel tegenzin dat de kapitein zich

gedwongen zag om met hem in aanraking te komen; om welke reden, had hij

moeijelijk, zoo niet onmogelijk kunnen zeggen; maar er zijn in de

natuur zekere wetten wier kracht men niet betwijfelen kan, en die dus

voor sommige personen op het eerste gezigt en zelfs voordat men met hen

gesproken heeft een bepaalden voor- of tegenzin inboezemen, zoodat men

zich onwillekeurig tot hen getrokken of van hen afkeerig gevoelt. Waar

deze geheimzinnige voor- of tegeningenomenheid, die zich maar zelden

bedriegt, eigenlijk door ontstaat, willen of kunnen wij hier moeijelijk

onderzoeken en nog veel minder verklaren, maar bepalen ons eenvoudig

bij de verzekering dat dit gevoel werkelijk bestaat, en dat wij

gedurende ons afwisselend leven er vaak den invloed van ondervonden en

de kracht van erkend hebben.

Wat den kapitein betreft, moeten wij zeggen, dat hij zich door den

bovengenoemden persoon geenszins aangetrokken gevoelde, maar

integendeel geneigd was hem voor het minst niet te vertrouwen.

„Op welk punt hebt gij den generaal verlaten?” vroeg hij, terwijl hij

den opengevouwen brief werktuigelijk tusschen zijne vingers liet

spelen, zonder dat hij er tot nog toe een oog ingeslagen had.

„Te Pazo-Redondo, een weinig aan gene zijde der Noria de Guadalupe,

kapitein.”

„Zoo; wie zijt gij? hoe is uw naam?”

„Ik ben de adjudant van zijne Excellentie den generaal, en mijn naam is

Gregorio Lopez.”

„Zijt gij bekend met den inhoud van deze dépêche?”

„Neen; ik wist alleen dat zij zeer gewigtig is.”

De soldaat had op de vragen van den kapitein volkomen ongedwongen en

met eene vrijmoedigheid van het beste allooi geantwoord. Het was

blijkbaar dat hij niet loog.

Na een laatste aarzeling besloot don Juan den brief te lezen; maar

spoedig trok hij de wenkbraauwen zamen, en kwam er eene uitdrukking van

bepaalde ontevredenheid op zijn gelaat.

Het stuk was van den volgenden inhoud:

„Pazo-Redondo, den.... 18...”

„De Generaal don José Maria Rubio, militaire opperkommandant van

den staat Texas, heeft de eer den kapitein don Juan Melendez de

Gongora te berigten, dat er in den staat nieuwe onlusten zijn

uitgebroken; dat verscheidene benden roovers en grensloopers, onder

aanvoering van verschillende opperhoofden, het land hebben bezet,

overal de haciendas plunderende en verbrandende, de konvooijen

opligtende en het openbare verkeer belemmerende. Ten aanzien van

deze ernstige feiten, die het algemeene welzijn en de veiligheid

der inwoners bedreigen, heeft de regering, gelijk haar pligt dit

gebiedend vordert, in het belang van allen, buitengewone

maatregelen moeten nemen, ten einde deze wanordelijkheden te keer

te gaan eer zij zich op eene grootere schaal uitbreiden. Dien ten

gevolge is de staat Texas in staat van beleg verklaard, enz. (hier

volgden de verschillende maatregelen door den generaal genomen om

den opstand te dempen; verder luidde de dépêche als volgt:) De

Generaal don José Maria Rubio, door vertrouwde spionnen onderrigt

zijnde dat een der voornaamste hoofden der opstandelingen, die door

zijne medegenooten de Jaguar wordt genoemd, voornemens is om de

conducta de plata, onder het eskorte van kapitein don Juan Melendez

de Gongora, op te ligten en zich ten dien einde aan de Rio-Seco in

hinderlaag zal stellen, een punt dat voor eene overrompeling

bijzonder geschikt is, zoo beveelt de generaal Rubio den kapitein

Melendez om zich te laten geleiden door den brenger der

tegenwoordige dépêche, een loijaal en vertrouwd man, die het

konvooi naar de laguna del Venado zal brengen, waar gezegde

conducta zich zal vereenigen met een detachement kavallerie door

den generaal ten dien einde afgezonden en welks getalsterkte

voldoende is om het konvooi verder tegen iederen aanval te

beveiligen. De kapitein Melendez zal het kommando over deze troepen

op zich nemen en zich zoo spoedig doenlijk bij den generaal in zijn

hoofdkwartier vervoegen.

„Dios y libertad.”

„De generaal militaire opperkommandant van den staat Texas,”

„DON JOSÉ-MARIA RUBIO.”

Na deze marschorder met de meeste oplettendheid gelezen te hebben, hief

de kapitein het hoofd op en beschouwde den ordonnans een oogenblik met

de grootste aandacht.

Deze stond met de hand op zijn degen geleund en speelde achteloos met

den aker van zijn dragon, zonder zich naar het scheen te bemoeijen met

hetgeen er rondom hem voorviel.

„De order is stellig,” mompelde de kapitein bij herhaling in zich

zelven, „ik moet mij er naar gedragen; intusschen zegt alles mij dat

deze man een verrader is.”

Toen vervolgde hij hardop:

„Zijt gij wel goed met deze landstreek bekend?”

„Son hijo del pays (ik ben een kind van het land) kapitein,” antwoordde

de dragonder, „er is geen pad zoo onbeduidend of ik ben er als kind

honderde malen geweest.”

„Gij weet immers dat gij mij als gids moet dienen?”

„Zijne Excellentie de generaal deed mij de eer mij hiervan te

informeren, kapitein.”

„En houdt gij voor zeker, dat gij in staat zijt om ons veilig naar de

plaats te brengen die ons wacht?”

„Ik zal ten minste alles doen wat daartoe noodig is.”

„Goed, zijt gij niet vermoeid?”

„Mijn paard meer dan ik. Als gij mij een ander liet geven zou ik

onmiddellijk tot uwe orders zijn, want ik zie dat gij haast hebt om te

vertrekken.”

„Inderdaad heb ik dat. Kies zelf maar een paard voor u.”

De soldaat liet zich dit verlof geen tweemaal geven. Er waren

verscheidene remonte paarden bij het eskorte, hij nam er een van, waar

hij zijn eigen zadeltuig op over bragt. Na eenige minuten was hij

hiermede klaar en zat de ruiter in den zadel.

„Ik ben tot uwe geëerde orders, kapitein,” zeide hij.

„Vertrekken wij,” antwoordde de kapitein terwijl hij er in stilte

bijvoegde: „Ik zal dien kerel op den marsch niet uit het oog

verliezen.”

XXVII.

DE GIDS.

De militaire wet is onverbiddelijk, zij heeft regels daar zij niet van

afwijkt, de krijgstucht duldt geen aarzeling noch bedenking; de

despotieke grondregel aan de Oostersche hoven in gebruik: „hooren is

gehoorzamen” wordt in militaire zaken ten volle bewaarheid. Overigens,

hoe hard dit ook bij den eersten oogopslag schijnen mag, moet het toch

niet anders zijn; want als men het regt van beoordeeling den

ondergeschikten ten aanzien der bevelen door hoogeren gegeven wilde

toelaten, dan ware alle krijgstucht den bodem ingeslagen; wanneer de

soldaten hunne eigen denkbeelden of grillen mogten volgen, zouden zij

niet langer te regeren zijn en het leger, in plaats van de diensten te

bewijzen die het land er met reden van verwacht, voor hetzelve een ware

plaag worden.

Deze en meer dergelijke beschouwingen liepen den jongen kapitein door

het hoofd, terwijl hij vol gedachten den gids volgde dien de order van

zijn generaal hem zoo onverwacht had toegevoegd; maar de order was

duidelijk en bepaald, hij was gedwongen te gehoorzamen en hij

gehoorzaamde, al was hij uitwendig overtuigd dat de man op wien men hem

dwong zich te verlaten, zoo al geen volslagen schurk, dan toch het in

hem gestelde vertrouwen onwaardig was.

Wat den gids betreft, deze galoppeerde onbezorgd aan het hoofd der

karavaan, hij rookte, lachte en zong zonder zich in ’t minst te

bekommeren over de vermoedens die men te zijnen aanzien koesterde.

’t Is waar, de kapitein had den kwaden dunk dien hij van zijn gids

koesterde zorgvuldig weten te verbergen en scheen voor het oog in hem

een onbepaald vertrouwen te stellen; bij den gevaarlijken marsch dien

de conducta te volbrengen had, vorderde de voorzigtigheid gebiedend,

dat zij die er deel van uitmaakten, onbekend bleven met de ongerustheid

van hun chef, ten einde niet gedemoraliseerd te worden door de vrees

voor ophanden verraad.

Voor den afmarsch had de kapitein met zekeren ophef de meest gestrenge

orders gegeven om de wapens in goeden staat en dadelijk gereed te

houden; hij had op de beide flanken van den troep tirailleurs

vooruitgezonden, om de omstreken te doorzoeken en den doortogt vrij te

houden en tegen overrompeling te waken; kortom, de noodige

voorzigtigheidsmaatregelen waren met de meeste zorg genomen om den

goeden afloop der reis te verzekeren.

De gids, ten wiens gevalle deze voorzorgen opzettelijk zoo ruim en

breed waren aangelegd, had ze met de grootste bedaardheid aangezien en

scheen ze zeer gepast te keuren: hij had er zelfs het zijne aan

toegevoegd door aan te merken dat de landloopers aan de grenzen zoo

bekwaam waren om door de struiken en het gras te sluipen zonder een

spoor na te laten, en dus de veldontdekkers wel scherp moesten toezien

om de hun toevertrouwde taak goed uit te voeren.

Naarmate de conducta meer de bergen naderde, werd de marsch

moeijelijker en gevaarlijker; de boomen, die in ’t eerst ver van

elkander verwijderd stonden, begonnen zich allengs meer aan een te

sluiten; weldra vormden zij een digt bosch, in hetwelk men zich op

sommige plaatsen met de bijl een pad moest banen door de lianenranken,

die zich van stam tot stam slingerden en soms een ondoordringbaar bosch

vormden; op andere punten kwam men aan een kleine rivier of beek, wier

oevers moeijelijk te bereiken waren, die de paarden en muildieren

moesten doorwaden, niet zonder gevaar van alligators en andere

watergedrochten, terwijl het water hen dikwijls tot aan den buik stond.

Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok,

sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde

zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de

duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft

heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere

bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen

denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika

onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.

In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te

houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam

verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de

stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond

afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als

de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen,

figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen

vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd,

die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl

de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich

verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van

eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden

zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe

afdruk van al de overigen schijnt te zijn.

In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert

vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime

drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad

verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten

gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren;

kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort

wriemelen over den grond, zacht schuifelend of in verraderlijke stilte;

terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde

beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren

en poelen doet weergalmen.

De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in

zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er

zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die

er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers

weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald

geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of

ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou

kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of

vijand te hopen is.

Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de

karavaan.

De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling,

en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu

en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links

of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn

paard te vertragen.

Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden,

de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst

moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en

vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.

De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime

open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd

schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of

door ouderdom geveld.

Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros

slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.

De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit

oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn

gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield

herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg

mede af.

De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen

versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed

voorhanden was.

De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne

mantels om te rusten.

Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld;

slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en

de gids.

Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig

gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.

Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen

in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom,

die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en

rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de

lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van

tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen

gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata

met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik

verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.

Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene

gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.

De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met

zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo

onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te

leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet

ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.

„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een

onverschilligen blik.

„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.

„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”

„Neen.”

„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en

dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de

anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd

schijnen te genieten.”

„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”

„Mij?”

„Ja.”

„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.

Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein

zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder de

lommerrijke schaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen

met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.

„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.

„Zoo als u behaagt.”

„Kunt gij opregt zijn?”

„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze

onbewimpelde vraag.

„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”

„Dat kan er naar wezen.”

De kapitein keek hem aan.

„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.

„Dat weet ik niet.”

„Hoe dat, weet gij dat niet?”

De zwervers op de grenzen · 第 19 / 22 段