gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken
niet zouden kunnen opgraven en verslinden.
De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd
hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De
Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo
al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.
„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg
hij.
„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.
„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat
hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen
twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”
John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met
dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen
afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.
Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne
legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen
gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.
XXV.
OPHELDERING.
Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben
doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de
uiterste omzigtigheid.
Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de
zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele
buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds
vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in
dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle
zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der
geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.
Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk,
gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche
ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen, bij de vraag:
wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne
verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al
niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.
Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steeds luider sprak en
die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als
Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te
onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te
gemoet.
Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.
De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald
terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en
op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.
„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem
vriendschappelijk de hand toestekende.
„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen
die hem werd aangeboden.
„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te
voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”
„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest;
de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u
gelokt.”
De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan
te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste
woudloopers in de woestijn gehouden werd.
„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al
wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”
De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den
Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.
Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog
hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als
stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne
pijpen en begonnen te rooken.
De Jaguar volgde hun voorbeeld.
De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en
strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich
onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke
zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.
Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde
menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de
jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en
opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der
gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der
Roodhuiden aan te nemen.
Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter
kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen
wildemannen aan te zien of te begroeten.
Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze
beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke
toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne
handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier
steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den
achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij
hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar
werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en
begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich
vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en
hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije
lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en
tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.
Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel
verkeerd?
Wij voor ons gelooven het niet.
Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en
vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene
wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in
de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch
doen vergeten.
Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de
beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid
gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in
het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het
gesprek te beginnen.
In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den
Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het
hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.
De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen, bleef
stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp,
geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.
Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch
van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den
jongman.
„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.
„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw
bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”
De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.
„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene
gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien
neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te
ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”
„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent
mij te goed om het niet te weten.”
De Canadees schudde het hoofd.
„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet
bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der
hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen
krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en
geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der
jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger
op te steken.”
Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon
uitgesproken.
„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman
verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke
berispelijke daad heb ik begaan?”
„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat
gij spoedig....” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.
„Ga voort!” riep de jongman met drift.
„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal
zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u
geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”
„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij
niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet
hoeveel achting en eerbied ik u toedraag, spreek! Wat gij mij ook te
zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer
u dat ik u zal aanhooren.”
„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij
met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken
wij er niet meer van.”
De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.
„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”
Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op
eens weder bij den jager terug:
„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb
aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij
en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te
deelen.”
Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een
zonderlingen blik.
Tranquille aarzelde op nieuw.
„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij
reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”
„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige
drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en
zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”
„Ik? maar gij ver....”
„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek
geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en
opregt man, om niet ronduit te spreken, cuerpo de Cristo! Gij kent de
wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu
dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die
gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder
omwegen wat er van is: ik vorder het.”
De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op
eens:
„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld
voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te
zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar:
ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige,
hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”
„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij
verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”
„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe
gebezigd had, „gij spreekt als een man; maar misschien,” vervolgde hij,
op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen,
„misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”
„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend
en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem
verbergen.”
„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan
dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne
als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis
te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”
„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven
te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”
„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze
die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding
voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht
volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der
maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der
beschaafde natiën.”
„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën,
dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te
onderwerpen?”
„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om
in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen,
die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders
blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur,
onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of
bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”
„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar
gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad
bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan
tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk
gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”
„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”
„Ga dan voort.”
„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en
blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de
Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste
roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”
„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij
verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen
morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den
Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”
„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”
„Hoedat?”
„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”
„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen
stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk
gesloten is.”
„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero
aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”
Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij
stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.
„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat
gedaan?”
„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”
De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.
„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? Maar doña Carmela, wat is
daarvan geworden?”
„Zij is gered, Goddank!”
De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed
ademen.
„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen
gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.
„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.
„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad
die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga
voort.”
„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen
vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede
betreft.”
„Spreek evenwel.”
„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op
weg naar Mexico.”
De jongman ontroerde min of meer.
„Dat wist ik,” zeide hij kort.
De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.
„Men zegt....” vervolgde deze met zekere aarzeling.
„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het
konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het
hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester
te maken, zoo zegt men immers?”
„Ja.”
„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn
voornemen; wat meer?”
Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit
onbeschaamde antwoord.
„O!” riep hij met smart, „het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt
dan waarlijk een bandiet?”
De jongman glimlachte schamper.
„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt
tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo
stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”
„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet
bekend?”
„Ja, dat heb ik.”
„Gij zijt dus op diefstal uit?”
„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich
terstond herstellende, vervolgde hij:
„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”
„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?”
riep de jager met drift.
De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar
zijne lippen bleven stom.
Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van
medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:
„Gaan wij, vriend,” zeide hij, „wij zijn reeds te lang hier geweest.”
„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u,
gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”
„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik
zie er niets anders in dan plundering en moord.”
„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen
bedekkende.
„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.
Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.
„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den
Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.
„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.
„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik
weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag
niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten
veronderstellen, en dat gij eenmaal in staat zult zijn om het op te
helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”
„O! als het mij vrijstond te spreken.”
„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”
„Weet ik het; dat hangt van omstandigheden af die niet in mijne magt
liggen.”
„Gij kunt derhalve geen tijd bepalen?”
„Onmogelijk; ik heb een eed gezworen, dien moet ik houden.”
„Goed, beloof mij nu eene zaak.”
„Welke?”
„Dat gij kapitein Melendez niet naar het leven zult staan.”
De Jaguar aarzelde.
„Hoe is het?” hervatte Edelhart.
„Ik zal doen wat ik kan om hem te sparen.”
„Dank u,” zei Edelhart. Zich toen tot Tranquille wendende, die
onbeweeglijk naast hem stond, vervolgde hij: „Ga weder zitten, broeder,
stellen wij allen verderen argwaan ter zijde, en laten wij ontbijten
met den caballero, ik sta u borg voor hem, leven om leven; als hij u
van heden af binnen twee maanden wegens zijn gedrag geen voldoende
opheldering geeft, dan zal ik, die door geenerlei eed gebonden ben, u
dit geheim oplossen, dat u thans zoo duister schijnt en voor u
inderdaad onverklaarbaar is.”
De Jaguar sidderde en schoot Edelhart een uitvorschenden blik toe, die
echter op het effen en strak gelaat van den jager zonder eenige
uitwerking bleef.
De Canadees aarzelde nog eenige sekonden, maar nam eindelijk weder
plaats bij het vuur, in zich zelven mompelende:
„Binnen twee maanden, goed,” en liet er terstond nog zachter op volgen:
„Maar van nu af aan houd ik hem in ’t oog.”
XXVI.
DE ESTAFETTE.
Kapitein Melendez had spoed gemaakt om de bergengte door te komen, bij
welke hij zijn konvooi had laten kamperen; hij wist hoe groot de
verantwoordelijkheid was die op hem rustte door het kommando over de
conducte op zich te nemen, en zoo haar eenig ongeluk overkwam, zou hij
voor niets ter wereld willen dat men hem van zorgeloosheid of
nalatigheid konde beschuldigen.
De geldsom daar de muilezels mede bevracht waren, was aanzienlijk; de
regering van Mexico, steeds op middelen bedacht om zich geld te
verschaffen, wachtte haar met ongeduld; de kapitein ontveinsde zich dus
geenszins dat men hem iederen aanval ten zwaarste zou toerekenen en dat
hij er al de gevolgen van zou moeten verantwoorden, hoedanig ook de
uitkomst zijner ontmoeting met de grensloopers wezen mogt.
Daarbij namen zijne angst en bezorgdheid met ieder oogenblik toe; het
blijkbaar schelmstuk van den monnik Antonio maakte hem nog
angstvalliger en omzigtiger, en deed hem van meer dan eene zijde
verraad vreezen. Zonder bij mogelijkheid te kunnen gissen van welken
kant het gevaar komen zou, gevoelde hij het, om zoo te zeggen, stap
voor stap naderen, hem van alle zijden omsingelen en verwachtte hij
ieder oogenblik eene vreesselijke uitbarsting.
Deze heimelijke ingeving, het waarschuwend voorgevoel dat hem inwendig
toeriep om toch op zijne hoede te zijn, bragt hem in een staat van
onbeschrijfelijke opwinding en maakte zijn toestand zoo ondragelijk,
dat hij er tot iederen prijs een einde aan wilde zien, en duizend maal
liever wenschte het gevaar zelve te ontmoeten en met de wapens in de
vuist te bestrijden, dan nog langer als in den blinde te moeten
schermen. Hij verdubbelde dus zijne waakzaamheid, ging zelf de
omstreken van het kamp onderzoeken, hielp aan het opladen der
muilezels, die aan elkander gekoppeld, in geval van onraad, tusschen de
getrouwste en meestgeoefende dragonders zouden worden geplaatst.
Reeds lang voor het opgaan der zon, had de kapitein, wiens slaap niets
meer dan een vervolg van afgebroken sluimeringen geweest was, zijn
harde legerstee van dierenvellen en dekens verlaten, waar hij te
vergeefs eenige uren de rust had gezocht die zijn zenuwachtigen
toestand geheel onmogelijk maakte. Met korte driftige schreden begon
hij de enge ruimte in zijn kamp op en neder te stappen, den zorgeloozen
en gerusten slaap benijdende der soldaten, die hier en daar in hunne
mantels gewikkeld op den grond lagen uitgestrekt.
Inmiddels begon het allengs dag te worden. De uil, wiens morgengeroep
de verschijning der zon aankondigt, had zijne zwaarmoedige toonen reeds
laten hooren en de kapitein stiet met den voet den hoofdman der
muildrijvers wakker, die digt bij het vuur was ingeslapen.
De eenvoudige boer wreef zich eenige malen de oogen tot de laatste
wolken der slaap verdwenen waren en de orde in zijne denkbeelden zich
begon te herstellen.
„Carai! kapitein,” riep hij een laatsten geeuw onderdrukkende, „staken
u de moskieten dat gij mij zoo vroeg reeds wakker maakt? Zie maar eens,
de hemel begint naauwelijks te verbleeken; laat mij nog een uurtje
slapen. Ik had daar zulk een aangenamen droom, dien zal ik weder
hervatten, er gaat niets boven een lekker slaapje.”
De kapitein kon zich niet weerhouden te glimlagchen over dezen vreemden
bluf; maar hij achtte het niet raadzaam om op het verzoek van den
arriero te letten, de omstandigheden waren te ernstig om den tijd aan
ijdele beloften te verspillen.
„Op, op, Cuerpo de Christo!” riep hij, „bedenk dat wij nog niet aan de
Rio-Seco zijn, en dat wij ons zullen moeten haasten als wij die voor
zonsondergang door willen komen.”
„Gij hebt gelijk, kapitein,” antwoordde de arriero, die oogenblikkelijk
opsprong zoo frisch en gereed als ware hij reeds een uur ontwaakt
geweest; „neem mij niet kwalijk! kapitein, vive Dios! ik heb evenveel
belang bij het ontwijken eener verkeerde ontmoeting als gij; volgens de
wet, is mijn gansche fortuin aansprakelijk voor het rigtige transport,
en als er met het konvooi een ongeluk gebeurde zou ik met mijn geheele
familie doodarm worden.”
„Dat is waar, ik dacht niet om deze voorwaarde van uw contract.”
„Dat verwondert mij niet, daar het u niet aangaat, maar mij is het geen
oogenblik uit de gedachten; ik zweer u, kapitein, nadat ik onze
gevaarlijke reis begonnen ben, heeft het mij dikwijls berouwd dat ik
deze bezwarende voorwaarde heb aangenomen; het ligt mij zoo bij, dat
wij nooit heelhuids aan de andere zijde van die verwenschte bergen
komen.”
„Bah! Bah! geen dwaasheden, No Baptista. Gij zijt immers in den best
mogelijken staat en goed geëskorteerd; wat hebt gij te vreezen?”
„Niets ik weet het en toch ben ik overtuigd dat ik mij niet bedrieg en
dat deze reis niet goed voor mij zal afloopen.”
De kapitein ging onder dezelfde voorgevoelens gebukt; evenwel mogt hij
ten aanzien van den arriero niets van zijn inwendige ongerustheid laten
blijken, integendeel moest hij hem veeleer een riem onder het hart
steken en den moed opwekken, die hem dreigde te ontzinken.
„Gij zijt dwaas, op mijn eer gij zijt dwaas!” riep hij, „loop naar den
drommel met zulke muizennesten als gij u in het hoofd haalt.”
De muildrijver schudde ernstig het hoofd.